thumb|Ce qu'on appelle le vagabondage (Les chasseurs de Vincennes) (1854) in het Musée d'Orsay thumb|Maria Magdalena (1887), aangekocht door het MSK Gent in 2001 thumb|De Parijse sfinks (1867) in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (Antwerpen) thumb|La Parisienne japonaise in La Boverie thumb|La Psyché (Mon atelier) (circa 1870) thumb|Le Bain (circa 1873-1874) Musée d'Orsay Alfred Emile Leopold Stevens (Brussel, 11 mei 1823 – Parijs, 24 augustus 1906) was een Belgisch portret- en genreschilder, die in hoofdzaak werkzaam was in Parijs gedurende het Tweede Franse Keizerrijk, vanaf het midden van de 19e eeuw.
Achtergrond Zijn vader was Jean François Léopold Stevens (1791-1837), zoon van Willem Jan Stevens, vrederechter te Puurs en militair die aan de oorlog op het Iberische schiereiland had deelgenomen en aide-de-camp was geweest van de Nederlandse koning Willem I tijdens de Slag bij Waterloo. Zijn vader was een kunstliefhebber en een van de eerste verzamelaars van schilderijen van Théodore Géricault en Eugène Delacroix.De familie Stevens
Zijn moeder was Cathérine Victoire Dufoy, dochter van de eigenaar van het Café de l'Amitié op het Koningsplein te Brussel, een hoofdstedelijke drankgelegenheid van hoge standing, waar tal van prominenten uit de diverse maatschappelijke geledingen over de vloer kwamen.
Zijn beide broers, Joseph Stevens (1816-92) en Arthur Stevens (1825-90), maakten ook een belangrijke carrière in de kunst, Joseph als kunstschilder, Arthur als kunsthandelaar. Er was ook nog een zus Juliette (1818-1835).
Toen hij veertien was overleed zijn vader. De vier kinderen werden dan voornamelijk door de grootouders Dufoy opgevoed. Moeder Stevens hertrouwde in 1841 met een zekere Deleutre. De Franse kunstschilder Camille Roqueplan (1803-1855), een vriend des huizes, was getuige bij dit huwelijk. Ze woonde later ook in Parijs.
Stevens huwde in 1858 te Parijs met Marie Blanc, een kleindochter van generaal Aron Sausset, infanteriegeneraal onder Napoleon. De kunstschilders Eugène Delacroix, Florent Willems, de schrijver Alexandre Dumas "fils" en de beeldhouwer Paul-Armand Bayard de La Vingtrie waren getuigen bij dit huwelijk, waaruit vier kinderen voortkwamen: Léopold (1861-1935; werd ook kunstschilder), Cathérine (kunstschilder, Edgar Degas was haar peter), Jean en Pierre.
Stevens overleed op 83-jarige leeftijd.
Opleiding Niet alleen de artistieke sfeer bij de grootouders thuis, maar ook de studie van zijn oudere broer Joseph, die volop aan zijn artistieke opleiding toe was, zullen de beroepskeuze van de adolescent mede bepaald hebben.
Stevens werd van 1840 tot 1844 opgeleid door François-Joseph Navez (1787-1869), een leerling van David en op dat ogenblik een van de meest vooraanstaande kunstschilders van het land. Die opleiding was streng en vooral op het tekenen gericht.
Van 1844 tot 1849 studeerde Stevens te Parijs bij de romanticus Camille Roqueplan. Stevens' oudere broer Joseph was toen ook reeds te Parijs zijn carrière als dierenschilder aan het uitbouwen. Toen Roqueplan tijdelijk Parijs verliet om te herstellen van een ziekte, profiteerde Stevens ervan om aan de École des Beaux Arts de lessen van onder meer de oude J. Ingres te gaan volgen.
Stevens deelde zijn verblijf in Parijs met Florent Willems, een Belgisch kunstschilder, die een blitzcarrière maakte met technisch-virtuoze interieurschilderingen in de trant van de Oudhollandse meesters, waarbij hij speciaal grote zorg besteedde aan de textuurweergave. Men noemde hem de nieuwe Terborch. Parijs was in die jaren een echte magneet voor Belgische kunstenaars: Gustaaf Wappers, een van de groten uit onze nationale romantische schilderkunst, was er gaan wonen; daar leefden ook Jan Van Beers, Gustave Vanaise (die er veel contacten had met Stevens), de historieschilder Edouard Hamman, later ook Georges Croegaert, die zich specialiseerde in haremtaferelen en interieurs met hoge geestelijken.
Debuut In 1847 was hij te zien in de Tentoonstelling van Levende Meesters in Den Haag: met "Voorlezing uit de bijbel".
Bij het overlijden van grootmoeder Dufoy in 1849 keerde Stevens naar Brussel terug. Hij woonde er in de Liefdadigheidstraat. Uit dat jaar dateren zijn eerste bekende schilderijen: "Jongeman die een anatomiebeeld natekent" (Brussel, privé-verz.) en "De vergiffenis" (Sint-Petersburg, Hermitage). In het eerstgenoemde schilderij hebben verschillende auteurs een reminiscentie van Stevens' studietijd bij Navez willen zien. In 1851 was hij in het Brusselse Salon met vier schilderijen die nog tot het historische genre behoorden, onder andere "Liefde voor het goud" en "Soldaat van de Hugenoten" (Hamburg, Kunsthalle). Dezelfde werken wellicht waren te zien in de Levende Meesters 1851 in Den Haag, maar dan onder de benamingen "Geldzucht" en "Een krijgsknecht der Hugenoten".
In 1852 keerde Stevens naar Parijs terug. Hij verbroederde er met een grote groep kunstenaars die tot de vriendenkring van zijn broer Joseph behoorden, de zogenaamde "Groep van het Restaurant du Havre" waaronder Théodore Rousseau, Eugène Isabey en Thomas Couture. Er bestonden ook contacten met Johan Barthold Jongkind, die toen een moeilijke tijd doormaakte, en nog steeds met Florent Willems.
De Salon van 1853 te Parijs aanvaardde drie werken van Stevens: een ervan, "De morgen van Aswoensdag", werd door de Franse Staat aangekocht voor het Museum te Marseille. Hij werd er onderscheiden met een medaille derde klasse. In de Salon van Brussel van 1854 stelde hij "Siësta" en "De muziekles" ten toon. In "Rêverie" uit dat jaar zijn voor het eerst de typische Stevens-stijl en thematiek - moderne vrouwen uit de betere klasse - te zien. Maar het was met het doek "Chez soi" dat Stevens tijdens de Antwerpse Salon van 1854 dit genre definitief entameerde.
Doorbraak Op de wereldtentoonstelling van 1855 in Parijs was Stevens met zes schilderijen vertegenwoordigd. Een van de werken was "Ce qu'on appelle le vagabondage", ook genoemd "Les soldats de Vincennes" (ca. 1854; Musée d'Orsay), dat een medaille tweede klasse won. Een "vagabonde" met haar kindjes wordt door soldaten meegevoerd in een besneeuwde straat, terwijl een vrouw uit de betere klasse haar een aalmoes toestopt. Het thema en de realistische behandeling waren voor die tijd zeer modern en gedurfd en lokten een rel uit, daar de ordediensten er in een slecht daglicht gesteld werden. Het werk leverde Stevens - kortstondig - de sympathie van linkse politieke activisten op. Dit werk trok de aandacht van Napoleon III. Het zette hem aan om de manier te herzien waarop het leger landlopers arresteert. Maar die maatregelen dienden in de eerste plaats om het imago van het leger op te poetsen en niet zozeer het lot van de landlopers te verbeteren. Niets in dat schilderij laat vermoeden dat Stevens op het punt stond definitief vaarwel te zeggen aan de historische en sociaal-kritische genres.
In "De kunstenaar in zijn atelier" uit 1855 (Baltimore, Walters Art Museum) behandelde hij wellicht voor het eerst het thema van het atelier-interieur, dat hij vaak weer zou opnemen. Het was met het thema van de beter gesitueerde Parisienne in schitterende kledij, alleen of met vriendinnen, geplaatst in het decor van een verblindend-luxueus, met kunstvoorwerpen overladen burgersalon, dat hij furore maakte. Hier worden taferelen uit het dagelijkse, maar vooral eigentijdse leven van een bevoorrechte klasse weergegeven. Het gaat om romance, intrige, liefde, goede of slechte nieuwsmare, rijkdom en armoede, atelierleven, societyleven in de burgersalons.
Stevens' eerste grote verkoop betrof het doek "La consolation", dat hij in 1857 aan de Berlijnse verzamelaar Ravené verkocht voor 6000 francs. De jury van het Parijse Salon 1861 had het nog moeilijk met zijn stijl en thematiek: die waren verre van algemeen aanvaard door de kunstenaars die lid waren van de toelatingscommissie. De jury stond anderzijds in bewondering voor Stevens' stijl en technisch kunnen. Joseph-Nicolas Robert-Fleury, lid van de Académie des Beaux-Arts werd naar de kunstenaar gestuurd om hem op diplomatische wijze mee te delen dat een bekroning met een medaille niet kon en waarom niet. Hierop zou Stevens de beroemde, vaak geciteerde woorden uitgesproken hebben: "Houden jullie maar de medaille, dan zal ik mijn stijl behouden".
Twee jaar later bleek Stevens' genre in die mate aanvaard, dat een onderscheiding in 1863 tot ridder in het Legioen van Eer mogelijk was.
Gevestigde waarde thumb|left|Salomé (1888)Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel In die jaren zestig werd Stevens een 'persoonlijkheid' in de Parijse wereld van kunst en literatuur. Hij was beminnelijk, intelligent en had gevoel voor humor. Hij kwam geregeld in het café Guerbois, waar vernieuwende kunstenaars - de latere impressionisten - vergaderden. Hij was goed bevriend met Édouard Manet en zijn kring, met schilders als Berthe Morisot, Johan Barthold Jongkind, James Whistler, Pierre Puvis de Chavannes, Edgar Degas en Jean-Louis-Ernest Meissonier. Ze bezochten dezelfde salons en kwamen in elkaars huis. Het is bekend dat de debuterende Degas technische kennis bij Stevens opstak. De Parijse sfinks (zie afbeelding) behoort intussen tot de topstukken in Vlaanderen. De National Gallery te Dublin bewaart een “Portret van een jonge vrouw” uit 1868 met een opdracht aan Manet bij de signatuur. In 1871 overtuigde Stevens de kunsthandelaar Durand-Ruel om werken van Manet te kopen. Kunstcritici als Th. Gautier, Charles Baudelaire en E. Thoré-Burger schatten hem zeer hoog. Ook in de kringen van moderne schrijvers had hij heel wat vrienden, bijvoorbeeld Alexandre Dumas jr.
Een eerste echte bekroning en hoogtepunt in Stevens' carrière was zijn deelname aan de Wereldtentoonstelling van 1867 te Parijs, waar hij een ensemble van achttien schilderijen mocht presenteren. Hij won een medaille eerste klasse en werd uitgenodigd op een bal aan het Keizerlijke Hof in het Paleis der Tuilerieën. Eregasten waren de Pruisische koning Wilhelm en Bismarck. Stevens promoveerde tot officier in het Légion d'Honneur. Weldra was hij een geregeld geziene gast in de salons van prinses Mathilde, dochter van Jerôme Bonaparte. Hij verdiende, volgens een brief van mevrouw Berthe Morisot, ongeveer 100 000 Franse frank in dat jaar. Dit was een doorn in het oog van zijn impressionistische vrienden, die zichzelf meer begaafd achtten dan Stevens.
Hij hield er een luxueuze levensstijl op na. Hij verzamelde kostbare antiquiteiten, schilderijen van oude meesters en van tijdgenoten. Hij bezat de toen modieuze Japanse prenten (japonaiseries); deze trendy verzamelwoede deelde hij met onder andere F. Bracquemond, J. Whistler, Émile Zola en E. Manet. Verschillende van zijn collectiestukken keren terug als accessoires in zijn schilderijen. Vandaar dat identieke objecten, zoals kimono's, parasols, waaiers en kamerschermen, terugkeren in verschillende schilderijen.
Stevens verhuisde verscheidene keren, steeds naar luxueuzere panden: Rue de Laval 33 (ca. 1853), Rue de Laval 9 (ca. 1855), Rue de Bruxelles (ca. 1860), Rue Taitbout 18 (ca. 1861). In het atelier van dit laatste huis schilderde Manet in 1862 de Mariano Camprubi dansgroep. Dit schilderij bevindt zich nu in de Phillips Collection, WashingtonJoel Isaacson, Alfred Stevens at Ann Arbor et Elsewhere; The Burlington Magazine, Jna. 1978, 120 (898) pp. 42,47,48