William Howard Taft (Cincinnati, Ohio, 15 september 1857 – Washington, 8 maart 1930) was een Amerikaans politicus van de Republikeinse Partij. Hij was van 1909 tot 1913 de 27e president van de Verenigde Staten. Daarna was hij de opperrechter van de Verenigde Staten van 1921 tot 1930.

Taft, een jurist van beroep, was de procureur-generaal van de Verenigde Staten van 1890 tot 1892 onder president Benjamin Harrison. Hij diende als gouverneur-generaal van de Filipijnen van 1901 tot 1904 onder presidenten William McKinley en Theodore Roosevelt en diende aansluitend als minister van Oorlog onder president Roosevelt.

Levensloop Jeugd Zijn vader Alphonso Taft was rechter en was later onder president Ulysses S. Grant minister van Oorlog en minister van Justitie. Zelf ging hij studeren aan Yale. Op intellectueel gebied kon hij meekomen, maar hij moest het vooral van zijn inzet hebben. In 1878 studeerde hij af als de tweede beste van zijn jaar. Na Yale vervolgde hij zijn studie aan de Cincinnati Law School. In deze periode werkte hij ook als rechtbankverslaggever voor een lokale krant. Kort voor zijn afstuderen werd hij tot de Balie toegelaten en kon aan de slag als advocaat.

Advocaat en rechter in het Hooggerechtshof van Ohio Tafts hoofdredacteur bood hem een fulltimebaan aan bij de krant als hij bereid was zijn werk als advocaat op te geven, maar Taft bedankte daarvoor. In plaats daarvan werd hij in oktober 1880 benoemd tot assistent-aanklager in Hamilton County. Hij diende een jaar in die functie, maar stapte op nadat president Chester Arthur hem in een andere functie wilde benoemen. Hij bedankte daarvoor, omdat hij dan mensen moest ontslaan die competent waren voor hun functie, maar uit de politieke gratie lagen. In 1884 voerde Taft campagne voor de Republikeinse presidentskandidaat senator James Blaine, maar deze verloor van Grover Cleveland.

Rond 1880 leerde Taft zijn vrouw Helen Herron kennen. Vier jaar later zagen zij elkaar regelmatig. Na een afgewezen eerste aanzoek stapten Herron en Taft alsnog in het huwelijksbootje. Zij kregen drie kinderen. De oudste zoon, Robert, werd later lid van de Senaat.

Door de gouverneur van Ohio Joseph Foraker werd Taft in 1887 benoemd voor een vacante zetel in het Hooggerechtshof van Ohio dat zetelde in Cincinnati. Na een jaar werd hij herkozen voor een termijn van vijf jaar. Zijn meest opzienbarende uitspraak deed hij waarschijnlijk in de zaak Moores & Co. v. Bricklayers' Union. In deze zaak weigerden metselaars te werken voor elk bedrijf dat zaken deed met een bedrijf genaamd Parker Brothers. Taft stelde in zijn uitspraak dat er sprake was van een illegale boycot.

Advocaat-generaal en federaal rechter Het Hooggerechtshof had in 1889 een vacante zetel. Gouverneur Foraker suggereerde president Benjamin Harrison om Taft, die de zetel ambieerde, te benoemen. Dat deed de president niet. In plaats daarvan benoemde Harrison hem tot advocaat-generaal. Ook dit was geen onverdienstelijke promotie, want in die functie vertegenwoordigde Taft de belangen van de Amerikaanse federale overheid bij het Hooggerechtshof in zaken waarin zij partij was. Hij won 15 van de 18 zaken die door het Hooggerechtshof werden behandeld.

Het Amerikaanse Congres besloot in maart 1891 dat elk federaal Hof van Beroep met een extra zetel, dus met een extra rechter, werd uitgebreid. Harrison benoemde Taft in maart 1892 tot rechter van het Hof van Beroep voor het 6e circuit in Cincinnati. Dit was een benoeming voor het leven en leek een mooi opstapje naar het Hooggerechtshof. Tafts oudere halfbroer Charles was een succesvol zakenman en vulde zijn “bescheiden” rechterssalaris aan, waardoor Taft en zijn vrouw op stand konden leven.

Als rechter werd hij gezien als conservatief, hoewel hij het recht op vakbondsvorming en het recht om te staken (twee belangrijke thema's in het laatste decennium van de 19e eeuw) verdedigde. In 1896 ging hij, naast zijn werk als federaal rechter, les geven op de Cincinnati Law School. Als rechter kon hij zich niet direct inlaten met politiek, maar Taft volgde wel nauw de ontwikkelingen binnen de Republikeinse Partij. Hij zag met enig ongeloof de opkomst van Ohio-gouverneur William McKinley aan, maar steunde hem toen duidelijk werd dat hij de beste kansen had op de Republikeinse presidentsnominatie in 1896. Onder McKinleys presidentschap kwam er maar een zetel in het Hooggerechtshof vacant. De president koos voor Joseph McKenna.

Gouverneur-generaal op de Filipijnen President McKinley had in januari 1900 een afspraak met Taft. Die hoopte dat het zou gaan over een op handen zijnde vacature voor het Hooggerechtshof. In plaats daarvan wilde de president dat Taft in een commissie zitting zou nemen die een burgerregering op de Filipijnen op poten zou zetten. Het zou dan nodig zijn dat Taft terugtrad als rechter, maar McKinley beloofde dat hij hem in ruil zou benoemen in het Hooggerechtshof, zodra er een positie beschikbaar kwam.

De Amerikaanse machtsovername op de archipel leidde tot de Filipijnse revolutie die vervolgens overging in de Filipijns-Amerikaanse Oorlog. Rond 1900 waren de Amerikanen onder leiding van gouverneur-generaal Arthur MacArthur jr. aan de winnende hand. MacArthur zag weinig in zelfbestuur voor de Filipijnen, maar moest gedwongen samenwerken, omdat de commissie over het militaire budget ging. Op 4 juli 1900 volgde Taft MacArthur op als gouverneur-generaal. Taft wilde op voet van gelijkheid met de Filipino's samenwerken richting zelfbestuur, maar volledige onafhankelijk zag hij iets als voor in de verre toekomst.

McKinley werd in 1901 vermoord. Met zijn opvolger president Theodore Roosevelt was Taft sinds de jaren negentig bevriend. Zij ontmoetten elkaar weer in januari 1902 toen Taft in Washington was om te herstellen van twee operaties als gevolg van een infectie. Later dat jaar reisde hij naar Rome voor onderhandelingen met het Vaticaan. Hij wilde namelijk dat er meer landbouwgrond beschikbaar kwam voor Filipijnse boeren, maar veel land was in handen van verschillende Spaanse Rooms-katholieke priesterorders. Taft wilde dat zij het grootste deel van hun grond zouden verkopen, vervolgens het land verlieten en vervangen zouden worden door Amerikaanse priesters. Het bezoek hielp om daar een jaar later een akkoord over te sluiten.

Aan het einde van 1902 hoorde Taft van Roosevelt dat de zetel van rechter George Shiras in het Hooggerechtshof beschikbaar zou komen. Roosevelt bood hem de zetel aan, maar Taft bedankte, omdat volgens hem zijn taak op de Filipijnen nog niet was afgerond. Een van de redenen waarom Roosevelt de zetel aan Taft aanbood was, omdat het de kans was een potentiële rivaal voor het presidentschap te neutraliseren. Tafts succes op de Filipijnen was namelijk niet onopgemerkt gebleven in de Amerikaanse pers. Weer een jaar later vroeg Roosevelt Taft als minister van Oorlog. Ditmaal zegde Taft wel toe, ook, omdat de Filipijnen onder het beheer van het ministerie van Oorlog vielen. Op die manier kon hij betrokken blijven.

Minister van Oorlog thumb|300px|Taft houdt een toespraak in het Manila Grand Opera House, bij de opening van het Filipijns Assemblee Als minister van Oorlog had Taft te maken met president Theodore Roosevelt die zich zelf ook veel met legerzaken bezig hield. Roosevelt had in aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1904 publiek laten weten geen derde termijn te ambiëren en wilde zich aan die belofte houden. Taft hield er sterk rekening mee dat hij de volgende Republikeinse presidentskandidaat kon worden. Met het oog daarop bedankte hij twee keer voor een positie in het Hooggerechtshof.

Na de afscheiding van Panama van Colombia in 1903 en met de sluiting van het Hay-Bunau-Varilla-verdrag hadden de Verenigde Staten het recht verkregen om een kanaal in Panama aan te leggen dat de Atlantische Oceaan met de Stille Oceaan zou verbinden. Roosevelt had bepaald dat het ministerie van Oorlog verantwoordelijk was voor de aanleg. In 1904 bezocht Taft Panama en in 1907 benoemde hij George Washington Goethals als hoofdingenieur, nadat John Frank Stevens zijn ontslag had ingediend.

Spanje had Cuba als kolonie verloren aan de Verenigde Staten na de Spaans-Amerikaanse Oorlog in 1898. Na een periode van bezetting was Cuba in 1902 onafhankelijk geworden. De eerste jaren na de onafhankelijkheid verliepen onrustig met veel interne conflicten. In september 1906 vroeg de Cubaanse president Tomás Estrada Palma de Verenigde Staten om te interveniëren. Taft reisde met een kleine legermacht naar Cuba en riep zichzelf uit tot tijdelijk gouverneur. Twee weken later werd hij opgevolgd door Charles Edward Magoon.

Taft bleef betrokken bij de Filipijnen. Hij eiste in 1904 dat Filipijnse landbouwproducten vrij – dat wil zeggen zonder invoerrechten te betalen – tot de Amerikaanse markt zouden worden toegelaten. Dit leidde tot protest onder Amerikaanse suiker- en tabaksproducten. President Roosevelt kaartte het onderwerp aan bij Taft, maar deze dreigde ontslag te nemen als de president zijn beleid zou aanpassen. Roosevelt liet het onderwerp daarop voor wat het was. In 1905 leidde Taft een delegatie van het Congres naar de Filipijnen. In 1907 keerde hij wederom terug toen het eerste Filipijnse Assemblee werd geïnstalleerd.

Beide keren na zijn bezoek aan de Filipijnen reisde Taft door naar Japan. Zijn eerste bezoek was in juli 1905, een maand voor het einde van de Russisch-Japanse Oorlog. Taft ontmoette de Japanse premier Katsura Tarō. Zij sloten een akkoord waarin ze afspraken dat de Verenigde Staten geen bezwaar hadden tegen de Japanse bezetting van Korea en dat Japan geen ambities had met betrekking tot het grondgebied van de Filipijnen. In de Verenigde Staten waren er zorgen over het grote aantal Japanse arbeiders dat naar Amerika toekwam. Tijdens het tweede bezoek beloofde de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Hayashi Tadasu dat er minder paspoorten verstrekt zouden worden aan Japanners die naar de Verenigde Staten wilden emigreren.

Presidentschap Presidentsverkiezingen 1908 thumb|350px|Electorale kaart van de presidentsverkiezingen van 1908 Roosevelt deed alles wat in zijn macht lag om Taft de Republikeinse nominatie te bezorgen. Zo eiste hij van zijn kabinetsleden dat zij Taft zouden steunen, of in ieder geval geen andere kandidaat zouden supporten, op straffe van ontslag. Verschillende politici, zoals minister van Financiën George Cortelyou, onderzochten of zij een kans zouden maken, maar mengden zich uiteindelijk niet in de race. Gouverneur van New York Charles Evans Hughes stelde zich kandidaat, maar op de dag van zijn aankondiging stuurde president Roosevelt een uitgebreid bericht aan het Congres waarin hij waarschuwde tegen corruptie in het bedrijfsleven. De aankondiging van Hughes dat hij zich kandidaat stelde werd daardoor verdrongen naar de binnenpagina's van de kranten.

Tijdens de Republikeinse Conventie in Chicago in juni 1908 had Taft geen serieuze concurrenten en hij werd tot zijn eigen tevredenheid tijdens de eerste stemronde al gekozen. Hij was minder blij met de keuze van de Conventie van zijn running mate voor het vicepresidentschap. Hij hoopte op een progressief, zoals senator Jonathan Dolliver, in plaats viel de keuze op de conservatieve Afgevaardigde James Sherman. Taft nam op 30 juni ontslag om zich geheel te kunnen wijden aan zijn campagne.

Tijdens de algemene verkiezingen nam Taft het op tegen de Democraat, William Jennings Bryan, die zijn partij voor de derde keer vertegenwoordigde als presidentskandidaat. Veel hervormingen van Roosevelt kwamen voort uit voorstellen van Bryan, waardoor veel Democraten stelden dat hij de werkelijke opvolger van Roosevelt was.