Het Ontwerp van een geschiedenis van de Qing (Qing shigao) is een overzicht van de geschiedenis van de Qing-dynastie in de stijl van de Vierentwintig Geschiedenissen, de verzameling officiële geschiedenissen van Chinese keizerlijke dynastieën. Het werk is tot stand gekomen in 1928, grotendeels onder leiding van Zhao Erxun (1844-1927) en omvat 529 delen (juan) over de periode 1616-1912. Publicatie vond plaats ondanks het verbod dat in 1930 door de Nationalistische regering van Chiang Kai-shek was afgekondigd. Door de veranderde opvattingen over geschiedschrijving bleven pogingen om tot een definitieve versie te komen zowel van Taiwanese zijde als vanuit de Volksrepubliek zonder resultaat.

Ontstaan thumb|Zhao Erxun (1844-1927). In maart 1914 werd door president Yuan Shikai het 'Bureau voor de geschiedenis van de Qing' (Qingshi guan, 清史館) opgericht met als doel een geschiedenis van de Qing-dynastie samen te stellen. Binnen de traditie van de officiële dynastieke geschiedenissen verklaarde Yuan Shikai zich hierdoor tot de legitieme opvolger van de Qing-dynastie. Het Bureau kwam onder leiding te staan van Zhao Erxun. Er werden meer dan honderd medewerkers aangesteld, net als Zhao Erxun ambtenaren-literaten uit de Qing-tijd. Onder hen bevond zich ook Ke Shaomin (1855-1930), samensteller van de Nieuwe Geschiedenis van de Yuan. Deze benoemingen waren mogelijk beloningen voor de steun van de groep ambtenaren-literaten voor het presidentschap van Yuan Shikai (en zijn aspiraties om keizer te worden). De helft van deze benoemde medewerkers kwam echter nooit opdagen. Na de plotselinge dood van Yuan Shikai in 1916 kwam het Bureau in financiële problemen. Men kon slechts doorgaan na giften van Wu Peifu (吳佩孚, 1874-1939) en Zhang Zuolin, krijgsheren die rond Peking de macht uitoefenden. Noch Yuan Shikai, noch de krijgsheren hebben zich op enigerlei wijze inhoudelijk bemoeid met de Geschiedenis van de Qing.

Hoewel het werk nog niet was voltooid, besloot Zhao Erxin in 1927 toch tot publicatie over te gaan. Hij deed dat in verband met zijn verslechterde gezondheid, de veranderde opvattingen over de traditionele geschiedschrijving, maar vooral vanwege de politieke situatie. Het noordelijk expeditieleger van Chiang Kai-shek stond op het punt Peking in te nemen. Vlak voor zijn dood (september 1927) droeg Zhao de verantwoordelijkheid voor het publiceren over aan zijn naaste medewerker en vertrouweling Yuan Jinkai (袁金鎧, 1870-1947). Het bureau zelf kwam onder leiding van Ke Shaomin (1850-1933). Het werk kreeg als titel een Ontwerp voor een geschiedenis van de Qing. Hiermee werd het voorbeeld van de eerste samenstellers van de Mingshi gevolgd. Ook zij noemden hun werk in eerste instantie een Ontwerp, om zo een officiële (en daarmee mogelijk definitieve) afkeuring te ontwijken.

Oorspronkelijke versie en twee noordoostelijke versies De feitelijke eindcorrectie kwam in de lente van 1928 in handen van Jinliang (金梁, 1878-1962), een assistent van Yuan Jinkai en aanhanger van de Mandsjoe-monarchie. Hij bracht op eigen gezag wijzigingen aan in de drukproeven. Er werden nieuwe biografieën toegevoegd. In die van Kang Youwei (康有為, 1858-1927) werd zijn loyaliteit aan de Guangxu-keizer benadrukt. Zhang Biao (張彪, 1860-1927) was commandant van de achtste divisie in Wuchang aan het begin van de Xinhairevolutie van 1911 en Zhang Xun (張勛, 1854-1923) was de generaal die in 1917 had geprobeerd het keizerrijk onder Puyi te herstellen. De biografie van Zhang Wei (张彪, 1860-1927), gouverneur van Jiangxi werd verwijderd. Verder werd het werk aangevuld met kritische annotaties (jiaokanji, 校勘記) van zijn eigen hand. Het aantal juan werd teruggebracht van 536 naar 529. Dit aangepaste werk staat bekend als de Eerste versie van buiten de hoofdstad (guanwai yici ben, 關外一次本, letterlijk Eerste versie van buiten de passen). Aan een tweede aangepaste versie werden biografieën toegevoegd van Chen Hongju (陳黌舉, eind 19e eeuw) en de literaten Zhu Yun (朱筠, 1729-1781) en Weng Fanggang (翁方綱, 1733-1818), terwijl de biografie van Zhang Biao weer werd verwijderd. Toen de wijzigingen werden ontdekt waren er inmiddels 400 van de 1100 gedrukte reeksen van de versie van Jinliang in Mantsjoerije verspreid en kwamen zo onder meer in Japan terecht. De achtergebleven series werden weer gecorrigeerd en zo kon de oorspronkelijke reeks alsnog worden uitgegeven. Dit gebeurde net voor Peking in juni 1928 werd ingenomen door de Nationalistische troepen. Deze versie staat bekend als de hoofdstedelijke versie (關內本, guannei ben, letterlijk Versie van binnen de passen).

Verbod Na de inname van Peking werd in juni 1928 het beheer van het Historisch Bureau overgenomen door het Nationaal Paleis Museum, dat in 1925 was opgericht en onder leiding stond van Yi Peiji (易培基, 1880-1937). Hij adviseerde de regering om over te gaan tot een verbod op het werk. Als formele reden gaf hij aan dat er negentien fouten in het Ontwerp waren aangetroffen. Zijn advies werd in 1930 door Chiang Kai-shek overgenomen. De belangrijkste reden voor dat verbod waren echter niet de fouten, maar was de anti-Republikeinse stellingname die in het Ontwerp was verwerkt. Dit gold vooral voor de hoofdstukken die de overgang van keizerrijk naar republiek beschreven. Zo werden voor de Xinhairevolutie van 1911 termen gebruikt als mouluan (謀亂, 'chaos om complotten te kunnen smeden') of zuoluan (作亂, 'problemen veroorzaken door het op touw zetten van een gewapende rebellie'). De republikeinse kalender was bewust vermeden. Dit werd door de republikeinse regering hoog opgenomen. Door de invoering van een nieuwe kalender en daarbij uit te gaan van de datum van de machtsovername (1 januari 1912), gaf de republikeinse regering aan dat zij zich beschouwde als legitieme opvolger van de Qing-dynastie. Doordat de samenstellers van het Ontwerp die kalender ontweken, bleef die erkenning uit. De samenstellers waren aanhangers van de in 1902 begonnen Nieuwe politiek (Xinzheng, 新政). Daarbij werden weliswaar hervormingen voorgesteld, maar bleef de in het keizerrijk gewortelde Chinese culturele traditie voorop staan. De samenstellers beschouwden de onverwachte revolutie van 1911 als een gevaar voor hun eigen hervormingspolitiek. Toen Yuan Shikai begin 1912 de macht van Sun Yat-sen overnam, leek de revolutie beëindigd en niet meer te zijn dan een tussenfase. De wens van Yuan Shikai om keizer te worden versterkte het idee van herstel van de tradities. Daarentegen bleven de nationalisten de revolutie van 1911 zien als het begin van hun machtsovername. Kritiek op de revolutie betekende volgens hen dan ook kritiek op de legitieme, nationalistische regering. Die stelde dat de medewerkers van het Bureau in dienst van de Republiek waren en zich juist loyaal moesten opstellen ten opzichte van hun regering. Het in 1930 afgekondigde verbod op publicatie is overigens formeel nooit herroepen.

Plannen tot aanpassing thumb|Wu Zongci (1878-1951) De Nationalistische regering kon verspreiding van het Ontwerp niet verhinderen. Door het verbod nam de vraag naar het werk en daarmee de prijs juist toe. Toen ook exemplaren werden gesmokkeld naar gebieden die in handen waren van de Nationalistische regering moest die wel reageren op die openlijke overtreding van het publicatieverbod. In 1934 werd Wu Zongci (吳宗慈, 1878-1951) aangesteld om het oorspronkelijke Ontwerp in nationalistische zin aan te passen. Zijn voorgestelde aanvullingen werden besproken met Fu Sinian (傅斯年, 1896-1950), toen directeur van het Historisch Instituut van de Academia Sinica. Die gaf de voorkeur aan het samenstellen van een volledig nieuwe Geschiedenis van de Qing, maar zag in dat dit door de politieke situatie van dat moment onmogelijk was. Daarom adviseerde hij in 1935 de regering om het verbod op publicatie in te trekken, op voorwaarde dat eerst de aanvullingen van Wu Zongci moesten worden verwerkt. Op zijn voorstel is nooit meer gereageerd. De nationalistische regering kreeg te maken met problemen van geheel andere proporties, zoals de burgeroorlog met de communisten en de oorlog met Japan. De voorstellen van Wu Zongci kwamen terecht in de archieven van de ministerraad (Uitvoerende yuan) en zijn daar tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren geraakt.

Positie binnen de canon Het Ontwerp wordt niet gerekend tot de canon van de 24 officiële dynastieke geschiedenissen. Hiervoor bestaan verschillende redenen: Er was geen politieke autoriteit meer die, vergelijkbaar met het keizerlijk hof, een geschiedeniswerk tot officiële en definitieve beschrijving van de voorafgaande regering kon verklaren. thumb|Liang Qichao (1873-1929). De opzet van het werk kwam niet meer overeen met de opvattingen over geschiedschrijving. Liang Qichao (1873-1929) vatte die kritiek in zijn Nieuwe Geschiedschrijving (Xin Shixue, 新史學, 1902) in vier punten samen: er bestond niets buiten het keizerlijk hof, er werd slechts over individuen geschreven en niet over de maatschappij als geheel, er werden geen verbanden met het heden gelegd en er werden slechts feiten weergegeven in plaats van idealen. Geschiedschrijving moest de bewoners van een land inspireren, zij moesten betrokken worden bij de gebeurtenissen. Ook mocht niet meer worden geschreven in het wenyan, de verstarde, ambtelijke schrijftaal, die voor de meeste mensen onbegrijpelijk was geworden. Overigens had Liang geen kritiek op de traditionele vorm van de dynastieke geschiedenissen, de jizhuanti, een combinatie van annalen, verhandelingen en biografieën. In zijn Bespreking van de vorm van de geschiedenis van de Qing (Qingshi shangli, 清史商例) deed hij een voorstel voor zesentwintig verhandelingen, die de geschiedenis van de Qing steeds vanuit een ander gezichtspunt bekeken. Zijn voorstel werd echter niet overgenomen door de samenstellers van het Ontwerp, waardoor het werk in de ogen van Liang een geschiedenis bleef die door en voor ambtenaren was geschreven. thumb|Zhang Binglin (1869-1936) Het ontwerp was gebaseerd op documenten uit de Qing-dynastie. Die waren door het ambtelijk bureau voor de geschiedschrijving (Qing guoshiguan, 清國史館, Staatsbureau van de Qing voor de geschiedschrijving) reeds voorbewerkt. De historicus Zhang Binglin (章炳麟, 1869-1936) stelde dat er op die manier door de Qing een bewuste vertekening van het verleden was gemaakt die door de samenstellers van het Ontwerp was overgenomen. Zo werden de systematische censuur door de Qing en de literaire zuiveringen onder met name de Qianlong-keizer (1735-1796) niet vermeld. Voor Zhang was dan ook elke poging om het Ontwerp te herzien op basis van uitsluitend de ambtelijke stukken van de Qing bij voorbaat gedoemd te mislukken. In tegenstelling tot de oudere officiële dynastieke geschiedenissen kunnen de bronnen waarop het Ontwerp was gebaseerd na publicatie nog steeds worden geraadpleegd, vaak zowel in het Chinees als in het Mantsjoe. Dit maakt het Ontwerp als historische bron voor de studie van de Qing minder belangrijk. Wel geeft het Ontwerp een beeld van de kijk die de laatste generatie ambtenaren-literaten uit het keizerrijk op het eigen verleden had.

Ondanks alle bezwaren is het werk toch opgenomen in de prestigieuze reeks officiële dynastieke geschiedenissen, die in de Volksrepubliek is uitgegeven door Zhonghua (Zhonghua shuju, 中華書局). Die opname geldt ook voor het voor computers toegankelijk gemaakte Chinese Text Retrieval System (Scripta Sinica) van de Academia Sinica te Taipei (Taiwan). Dit in tegenstelling tot de eveneens aan het begin van de 20e eeuw verschenen Nieuwe Geschiedenis van de Yuan, een particulier initiatief om de officiële dynastieke geschiedenis van de Mongoolse Yuan-dynastie te herzien.

Inhoud

Qing Shigao bevat 529 juan. Zhao Erxun volgde de structuur van de Hanshu: dynastiekegeschiedenis benji(annalen) zhi(verhandelingen) biao(tabellen) liezhuan(biografieën) Totaal aantal juan Qing Shigao 25 135 53 316 529

Chinese tekst 趙爾巽, 《清史稿》, 北京 (中華書局), 1977 (Zhao Erxun, Qing Shigao, Beijing (Zhonghua shu ju), 1977), 48 delen, 14.740 pp., .