De Slag bij Poltava in Poltava, Oekraïne vond plaats op 8 juli 1709 en markeert het keerpunt in de Grote Noordse Oorlog. De 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende de Slag bij Poltava onder de vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld.

Koning Karel XII van Zweden had de Poolse koning August de Sterke volledig verslagen en ook diens bondgenoot tsaar Peter de Grote van Rusland in de Slag bij Narva (1700) afgestraft. Vervolgens liet hij zich verleiden tot een aanval op het hart van Rusland.

De voorbereidingen van de Slag bij Poltava Na de vernietigende slag bij Lesnaja ontving Karel XII het slechte nieuws, dat zijn generaal Lübecker 3000 man, de wapenuitrusting en de wapens verloren had in Ingermanland. Toen nam Karel XII het besluit niet meer verder naar Smolensk of Moskou te trekken. Hij trok zich terug naar Oekraïne, een rijke streek, waar hij hoopte voldoende voorraden en steun aan te treffen. Hij sprak met de naburige Ottomanen en met hetman Ivan Mazeppa, die de Russische strijdkrachten verraden had, maar toen hij er aankwam merkte hij dat het land al geplunderd was door de Russen, en dat Mazeppa slechts 2000 kozakken kon optrommelen in plaats van de beloofde 40.000 mannen.

Het Oekraïense volk aanvaardde de opstandige hetman niet, en koos voor Ivan Skoropadski, die de Zweedse indringers verjoeg uit hun land. Toen de winter van 1709 toesloeg, werden ook de honger en kou vijanden van het Zweedse leger. Ze hadden geen kans meer op versterking. Mannen en dieren stierven van uitputting. Kozakken maakten de achterblijvers af, of onderschepten de konvooien.

Het Zweeds leger slonk tot 24.000 man. Karel leidde zijn leger naar Poltava, de inname van de stad was zijn doel. Hij dacht er de Russen te kunnen verdrijven en zo op krachten komen om daarna de strijd voort te zetten. In april 1709 bereikten de Zweden Poltava, een oude stad die niet echt goed versterkt was. Poltava werd bewaakt door een garnizoen van 6000 man. Karel XII omsingelde de stad, maar viel ze niet aan. Hij wilde al zijn manschappen sparen voor de grote veldslag. De adviseurs en Mazeppa raadden Karel XII aan, om terug te trekken, aangezien het Russische leger in de buurt gesignaleerd werd. Karel XII weigerde: hij zou heel zijn leger inzetten om de Russen te verslaan. De Russen, die met zo'n 50.000 man waren, groeven overal loopgraven; echt gevochten werd er niet. De beide legers bereidden zich voor op de slag. Bij een verkenningstocht geraakte Karel gewond aan zijn linkerhiel, een pijl drong door zijn laars.

De slag bij Poltava Voorbereiding Toen de slag begon, had Karel XII ongeveer 25.000 man. Hij moest het opnemen tegen het leger van Peter dat bestond uit 50.000 man. Karel had 24 bataljons infanterie, 17 regimenten cavalerie, maar het merendeel was uitgeput door de strenge winter van 1709. Omdat Karel gewond was geraakt, droeg hij het bevel van de infanterie over aan Adam Ludwig Loewenhaupt. De opperbevelhebber was Carl Gustaf Rehnskiöld, de hoogste militaire officier na de koning. Hoewel Karel gewond was, bleef hij toch bij de bevelhebbers, om hen te sturen, zo wilde Loewenhaupt alle Zweedse krachten inzetten, maar Karel weigerde dit. In de belegeringsstellingen bleven 2000 infanteristen achter indien het garnizoen zou aanvallen. 2500 man cavalerie kreeg de opdracht het bagageterrein te bewaken. 1500 Zweden werden ingezet om de Vorskla te bewaken, uit vrees dat de Russen de rivier zouden oversteken. De Zweden konden maar met 19.000 man tegen de Russen ten strijde trekken.

Karel en Rehnskiöld hadden een plan uitgewerkt: een zeer snelle aanval net voor het aanbreken van de dag, waardoor de Russen verrast zouden worden en zodat de Zweedse troepen in hoog tempo de redoutes zouden kunnen passeren, zonder ze aan te vallen. Daar voorbij zouden de colonnes links zwenken en op de open vlakte voor het Russisch kamp de gelederen herstellen. De infanterie zou langs de westelijke rand van de vlakte naar een positie ten noordwesten van Peters verschanste leger marcheren, ondertussen zouden de Zweedse cavaleristen Peters ruiters van het slagveld maaien. Zodra de gewenste stelling tussen de Russen en het wed bij Petrovka in was bereikt, zou het hele Zweedse leger een kwartslag naar rechts draaien en een gevechtslinie vormen. Zo zouden de Russen opgesloten zitten in hun kamp, met achter hen de steile rivieroever, en langs de ontsnappingsroute naar de Petrovka het Zweedse leger.

rechts|250px|thumb|De slag bij Poltova, mozaïek van Lomonosov Loewenhaupts infanterie werd in vier colonnes verdeeld. Het bestond maar uit 7000 man, twee links, van samen tien bataljons, en twee rechts, van acht bataljons. De koning zou bij de eerste colonne zitten, vervoerd op een draagberrie. De tweede colonne stond onder het bevel van Karl Gustaf Roos en de twee colonnes rechts werden toevertrouwd aan Axel Sparre en Berndt Otto Stackelberg, Sr.. De cavalerie, die werd onderverdeeld in acht colonnes, kwam onder toezicht van Kreutz. De artillerie bestond uit slechts vier stukken, de rest werd achtergelaten in het kamp.

Opmars Om 23u00 kwam de infanterie op gang. Er werd afgesproken, dat bij onduidelijkheid in de duisternis de soldaten in het Zweeds “Met Gods hulp” moesten roepen om te weten of het Zweden of Russen waren. Omdat de infanterie moest wachten op de cavalerie, mochten ze zich neerzetten, en in de stilte van de nacht hoorden ze een vreemd geluid dat vanuit de richting van de Russen kwam, alsof er getimmerd werd.

Het was veel dichter dan de zes redoutes die waren opgericht, dus besloot Rehnskiöld te gaan kijken: ’s nachts hadden de Russen nog vier redoutes bijgebouwd, loodrecht op de zes die er al waren. Hierdoor zouden de Zweden zich in twee afzonderlijke vleugels moeten splitsen. Zo zouden ze de redoutes aan weerszijden moeten passeren en konden de Russen de Zweden onder vuur nemen. De Russen kregen de Zweden in het oog, en tromgeroffel wekte het Russisch leger. Rehnskiöld trok zich terug en er werd een krijgsraad gehouden. Intussen was de cavalerie aangekomen, dus kon het leger op gang komen. Er werden snel bevelen uitgevaardigd. De opdracht luidde, om zo snel mogelijk voorbij de vier nieuwe redoutes te marcheren, zonder op hun vuur te reageren en daarna het oorspronkelijke plan, dat het leger op de vlakte in slagorde op te stellen, op te volgen. De vijfde colonne, die uit vier bataljons bestond, moest de vier nieuwe redoutes omsluiten en aanvallen. De vier redoutes namen de gelederen onder vuur, dus de opmars moest snel beginnen.

De Zweedse aanval De strijd begon op 27 juni 1709, om 3u45. De Zweden rukten op tegen de Russische versterkte linies. De strijd was begonnen op een traditionele manier: de infanterie rukte op naar de redoutes, gevolgd door de Zweedse cavalerie. Het grootste deel van het Zweeds leger negeerde de redoutes, maar wanneer de middelste colonnes infanterie de eerste redoutes bereikten, stormden de Zweedse grenadiers over de onvoltooide redoute. De eerste werd veroverd na een man-tegen-mangevecht, de tweede onderging hetzelfde lot. Daarna voegden enkele compagnieën zich terug in de gelederen en marcheerden de andere redoutes voorbij, terwijl de twee bataljons onder leiding van Roos zich op de derde redoute stortten.

De derde redoute werd dapper verdedigd, de eerste aanval van de Zweden werd zelfs afgeslagen. Meer troepen werden ingezet, in totaal maakten zes bataljons zich klaar om de redoute aan te vallen. Er zat ongeveer 2600 vast aan deze redoute, soldaten die niet konden worden gebruikt in het leger om zich voor te bereiden op de grote aanval. Roos kon aan niets anders denken, hij zou de derde redoute veroveren. Hij wist zelfs niet waar het grootste deel van het leger zat. Later had Karel XII, die geweigerd had zijn generaals te bekritiseren, gezegd: “op dit punt schoot verkenning te kort.”

Terwijl het hoofdleger de strijd aanging met de zes redoutes, kwam achter de linie het leger van Aleksandr Mensjikov in twee compagnieën tevoorschijn voor een aanval tegen de Zweedse infanterie. De cavalerie werd opgeroepen, en de Zweedse ruiterij naderde de Russische dragonders. Zowel de Russen als de Zweden weigerden zich terug te trekken, en de strijd duurde meer dan een uur. Mensjikov stuurde 14 veroverde vaandels en banieren naar de tsaar, met dringend advies dat de tsaar met het hele leger moest oprukken tegen de Zweden. Peter stuurde een bericht terug, waarin hij zei dat hij niet geloofde dat de Russische cavalerie het zo goed deed, maar dat ze zich moesten terugtrekken.

Russische terugtocht Bauers Russische strijdmacht trok zich terug naar de noordflank van het Russisch kamp, terwijl Mensjikov naar de linkerflank terugging. De Russische kanonnen dekten de terugtocht van de dragonders, en de Zweedse cavalerie kon de achtervolging niet inzetten. De Zweedse artillerie kon bij gebrek aan kogels niets doen. Loewenhaupt, die zes bataljons infanterie leidde op de rechtervleugel, marcheerde de redoutes voorbij en moest zich bij het Zweedse hoofdleger aansluiten. Ze werden bestookt door musketten en kanonnen, waardoor Loewenhaupt met zijn troepen meer naar rechts uitweek, uit schootsafstand van de Russen. Hierdoor viel een groot gat in de Zweedse slagorde. Loewenhaupt kende de precieze plannen van Rehnskiöld niet en wilde met zijn colonnes de hoofdmacht van het Russische leger aanvallen. De 72 kanonnen van de Russen schoten op de Zweedse infanterie. Binnen schootsafstand van de Russische musketten werd Loewenhaupt geconfronteerd met een ravijn. Hij leidde zijn leger rond dit obstakel heen. Daarna wilde hij met zijn 2400 man het Russisch leger van 30.000 man aanvallen.

Links van de redoutes, aan de andere kant van het slagveld was de Zweedse hoofdmacht de enige van de drie divisies die zich aan het oorspronkelijk plan hield. Na de vlucht van de Russische cavalerie, haastten de twee colonnes infanterie zich voorbij de redoutes, en namen, nadat ze bestookt werden door de redoutes, plaats in het open veld achter de redoutes. Volgens Rehnskiöld verliep alles volgens plan, maar toen hij merkte dat 12 bataljons, die van Roos en Loewenhaupt ontbraken, stuurde hij verkenners uit om de verloren bataljons te zoeken.

De bataljons van Loewenhaupt werden snel gevonden. Rehnskiöld stuurde een boodschapper, Loewenhaupt moest zijn opmars naar de hoofdmacht van het Russisch leger staken en zich bij de Zweedse hoofdmacht voegen. Hij stond net op het punt, met enkel musketten en bajonetten, het Russisch kamp aan te vallen met een typisch Zweedse tactiek: met alle macht de zwakste plek van de vijandelijke linie aanvallen en een doorbraak forceren, gesteund door paniek en verwarring. Toen Loewenhaupt aankwam zou Rehnskiöld over 12 van de 18 bataljons beschikken, maar hij had geen idee waar de andere zes zich bevonden.

Ondertussen gaf Roos nog steeds de opdracht de derde Russische redoute aan te vallen, die nog steeds in Russische handen was. Driemaal had Roos aangevallen, maar steeds werd de aanval weer afgeslagen. Hij was niet op de hoogte van het plan: de hoofdmacht dekken terwijl ze de redoutes passeerden en daarna zich bij de hoofdmacht voegen. Hij trok zich terug in een bos om weer bataljons te vormen.

Russische tegenaanval