thumb|Semjon Mogilevitsj Semjon Joedkovitsj Mogilevitsj (Russisch: Семён Юдкович Могилевич) (Kiev, 30 juni 1946) is een Russische zakenman, die door de FBI ervan wordt beschuldigd een van de leidende figuren te zijn van de Russische georganiseerde misdaad. Volgens een bericht van de Wereldbank is hij de belangrijkste leider van de grootste Russische maffiagroep, de Solntsevskaja bratva. Volgens de Wereldbank zou hij een vermogen van 100 miljoen dollar hebben verdiend met wapenhandel, drugshandel, witwassen, afpersing en prostitutie. De Europese Vereniging voor Kriminologie noemt hem "een van de meest gevreesde leden van de georganiseerde misdaad". Zijn bijnaam is "The Brainy Don" ("godfather met hersens"), vanwege zijn zakencapaciteiten en vanwege het feit dat hij economie heeft gestudeerd.

Biografie Jeugd Mogilevitsj werd geboren in Kiev als lid van een welgestelde Oekraïense joodse familie. Op 22-jarige leeftijd slaagde hij aan de economische faculteit van de prestigieuze Universiteit van Lviv, waar hij gold als een briljante student met een fotografisch geheugen. Zijn professoren voorspelden hem dan ook een grote wetenschappelijke toekomst.

Eerste criminele activiteiten Nog tijdens zijn studie was Mogilevitsj reeds betrokken bij illegale handel in goud. Volgens documenten van de sovjet-Russische militia (politie) had hij in de jaren 70 connecties met de georganiseerde misdaad in Moskou (de groep Ljoeberestkaja). In die tijd maakte hij zich schuldig aan kleine delicten en was hij actief in de deviezenhandel op de zwarte markt. Hiervoor werd hij tot tweemaal toe veroordeeld tot de Goelag. De eerste keer in 1975 voor drie jaar wegens het verkopen van goud van emigranten en de tweede maal tot vier jaar cel. In de Goelag ontmoette hij zijn latere zakenpartner Sergej Michajlovitsj. Na zijn vrijlating breidde hij zijn criminele activiteiten verder uit. Samen met ene Joechimovitsj zette hij in Kiev de "spoorwegstation"-groep op, versterkte de banden met de Ljoeberestkaja en knoopte betrekkingen aan met de Solntsevskaja bratva (de Sontsevo-familie).

Mogilevitsj was in die tijd meerdere malen getrouwd. Begin jaren 70 trouwde hij met een Moskouse. In 1972 werd zijn dochter Mila geboren en in 1983 zijn zoon Joeli. Midden jaren 80 trok hij naar Moskou, waar hij opnieuw trouwde, maar zijn vrouw bleef achter in Kiev.

Handel in joodse eigendommen In de jaren 70 en 80 zou hij grote sommen geld verdiend hebben door de verkoop van bezittingen van joodse medesovjetburgers die toestemming kregen om naar Israël te emigreren. Zij kregen hiervoor slechts een paar dagen en mochten slechts een paar bezittingen meenemen. Mogilevitsj haalde zijn slachtoffers over om hun schilderijen en sieraden (waarvan de uitvoer verboden was) bij hem achter te laten, waarna hij ervoor zou zorgen dat ze zouden worden verkocht en de opbrengsten naar Israël zouden worden overgemaakt, hetgeen hij echter nooit deed. De slachtoffers konden hun bezittingen niet per wet opeisen daar het om illegale transacties ging en naar schatting duizenden families verloren op deze manier hun kostbaarheden. Volgens een artikel van US-Russia Press Club (zie onderaan) stak Mogilevitsj de opbrengsten van de verkoop van hun bezittingen in ondernemingen die zich richtten op wapenhandel en prostitutie.

Daarnaast zette hij samen met zijn handelspartner Silvester Sozdal het bedrijf Arbat International op, dat zich richtte op het verschepen van goederen op geleasede schepen over de Zwarte Zee-zeelijn (Черноморское морское пароходство). Aan het einde van de jaren 80 zette hij de coöperatie Vnoekovo-1 op, die zich richtte op het beheer van een netwerk van betaalde toiletten in de stations van Moskou. Later zette hij ook Vnoekovo-2 op, dat zich richtte op toiletten in Kiev.

In 1988, nadat hij zijn bedrijven in Rusland onder het bestuur van zijn zakenpartners had gesteld, vertrok hij naar Hongarije.

Activiteiten in Israël In 1990 was hij hierdoor reeds miljonair en stond (volgens een artikel van de US-Russia Press Club, zie onder bronnen) hoog in aanzien in de Russische onderwereld vanwege zijn slimme manier van handelen en zijn kennis van het bedrijven van internationale handel. Hij besloot dat jaar om – samen met een aantal van zijn belangrijkste handlangers – ook naar Israël te migreren, waar hij het Israëlische staatsburgerschap aanvroeg en kreeg. Aldaar legde hij contacten met de Israëlische onderwereld en zette hij een scala van legale bedrijven op, zoals nachtclubs, de verkoop van edelstenen en brouwerijen, en breidde ondertussen ook zijn internationale netwerken in wapenverkopen en drugshandel verder uit, die hij reeds eerder in Hongarije had opgezet. Hij bestuurde zijn activiteiten via een ingewikkeld complex van speciaal hiervoor door hem opgezette offshorebedrijven. Voor het uitbreiden van zijn zaken met een prostitutie-tak liet hij de leider van de Kievse georganiseerde misdaad Igor Tkatsjenko (bijgenaamd "schedel") Oekraïense vrouwen overbrengen naar zijn nachtclubs in Hongarije.

Activiteiten in Hongarije In 1991 trouwde hij met de Hongaarse Katalin Papp en vestigde zich een jaar later ook zelf in de Hongaarse hoofdstad Boedapest. Hij vroeg vervolgens de Hongaarse nationaliteit aan en werd zodoende staatsburger van zowel Oekraïne, Rusland, Israël als Hongarije. Hij verplaatste het hoofdkantoor van zijn imperium (dat toen reeds op 5 continenten actief was) naar Boedapest en ging verder met zijn investeringen in nachtclubs, restaurants en brouwerijen. Ook kocht hij de fabriek Army Co-Op aan, waar luchtafweergeschut en luchtdoelraketten werden geproduceerd. Ondertussen legde hij met behulp van zijn charismatische persoonlijkheid en het nodige smeergeld vriendschapsconnecties aan met veel Hongaarse politici en wetshandhavers, zodat hij onbelemmerd kon doorgaan met zijn activiteiten. Op 19 augustus 1999 brachten de Amerikaanse nieuwsbronnen Newsweek en de New York Times Mogilevitsj in verband met het witwassen van 10 miljard dollar in de Bank van New York, waaronder zich ook hulpgelden bevonden. Gespeculeerd werd dat deze transacties plaatsvonden via de bedrijven Benex Worldwide Ltd. en YBM Magnex International Inc., die waren opgezet door Mogilevitsj.

Tot zijn activiteiten in die tijd behoorde ook het opzetten van zijn eigen de facto leger van honderden loyale mannen die zijn zaken moesten uitvoeren. Hierbij koos hij het liefst voor Russische spetsnatsveteranen uit de Afghaanse Oorlog, die bekendstonden om hun niets ontziende handelwijze. Zijn huurmoordenaars waren actief in meer dan 30 landen, waaronder bijvoorbeeld ook Duitsland, Canada en de Verenigde Staten. Een van de leiders van deze moordcommando's, de eerder genoemde Tkatsjenko, verklaarde zelf dat iedereen die in de weg stond werd doodgemarteld en hun lichamen voor 'leerdoeleinden' gruwelijk werden toegetakeld en achtergelaten. Nadat Tkatsjenko zelf was geliquideerd, werd de leiding overgenomen door de broers Igor en Sergej Korolev, die berucht waren voor hun wreedheid. In 1991 werd de Tsjetsjeense georganiseerde misdaad Boedapest uitgewerkt en in 1995 de criminele groepen uit Lvov en Minsk. Een poging van een groep uit Jekaterinenburg om ook een deel van de macht in de stad te krijgen werd op bloedige wijze verhinderd. Na verloop van tijd bezat de groep rond Mogilevitsj bijna alleenheerschappij in de stad. Mogilevitsj had meerdere strijdgroepen die hij vaak tegen elkaar uitspeelde, hetgeen leidde tot nog meer doden.

In 1993 sloot Mogilevitsj een verbond met de Moskouse maffiagroep Solntsevskaja bratva, een van de belangrijkste misdaadfamilies uit de Russische hoofdstad, en begon een 'joint venture', die zich richtte op heling in gestolen antiek, edelstenen en kunst uit Oost-Europese kerken en musea.

Nog voor zijn huwelijk met Papp had Mogilevitsj reeds een maîtresse, de Russisch-Israëlische Galina Aleksejevna Telesj-Jamboelskaja, zo blijkt uit het feit dat zij reeds in 1990 een zoon kregen. Toen zijn vrouw Papp stierf in december 1994, trouwde hij vervolgens met Telesj-Jamboelskaja. Aanvankelijk dacht hij erover om terug te verhuizen naar Rusland, maar bleef uiteindelijk toch in Boedapest wonen, waar hij zijn legale wapenactiviteiten verder uitbreidde. Hij kocht de grote magneetproducent Magnex 2000 en de Algemene Machinewerken van Digep (waar granaten en mortieren worden gemaakt) aan, zodat hij de controle verkreeg over bijna de gehele Hongaarse wapenindustrie. Ook zette hij in die tijd connecties op met het Midden-Oosten, waar hij zijn wapenafzetmarkt (voor zowel 'legale' als illegale transacties) veiligstelde door het aangaan van contacten met hooggeplaatste politici in landen als Iran, Irak, Pakistan en Afghanistan. Hiermee wist hij volgens een anonieme bron in de Israëlische Mossad bijvoorbeeld een lading gestolen wapentuig (luchtdoelraketten en een dozijn APC's) uit het voormalige Oost-Duitsland voor 20 miljoen dollar te verkopen aan een Iraanse afnemer.

In 1994 vertegenwoordigde Mogilevitsj het GOS bij een ontmoeting tussen de belangrijkste vertegenwoordigers van criminele organisaties ter wereld in Italië. Hij was toen reeds een vertegenwoordiger voor Vjatsjeslav Ivankov, een van de gevreesde leiders van de Russische maffia, die tevens connecties onderhoudt met de Russische veiligheidsdiensten.

Ontmoeting in Praag Hongarije was zijn aanwezigheid in 1995 echter meer dan zat en zette hem het land uit. Mogilevitsj zette zijn activiteiten vervolgens voort in de hoofdstad Praag van buurland Tsjechië. Op 31 mei van dat jaar zou een bijeenkomst plaatsvinden tussen de Solntsevskaja bratva en Mogilevitsj in Mogilevitsj' restaurant U Holubů in Praag. Nog voor de aankomst van Mogilevitsj vielen leden van de Praagse veiligheidsdienst ÚOOZ op vermoeden van een geplande afrekening het pand binnen en pakten de meer dan 200 aanwezigen (waaronder tientallen prostituès) op en zette 30 van hen het land uit. Volgens sommige bronnen zouden leden van de Solntsevskaja bratva Mogilevitsj hebben willen vermoorden. Mogilevitsj verklaarde later dat zijn vlucht vertraagd was en hij daardoor aan de inval ontsnapte.

De leider van de politie-inval, Zdeněk Macháček, werd vervolgens beschuldigd van afpersing en een tijdlang vastgehouden, totdat in de rechtszaal bleek dat bewijsmateriaal was vervalst. Dušan Šrámek, "Behind the Kubice crime report", 28 augustus 2006, Chech Business Weekly (op www.cbw.cz/en/behind-the-kubice-crime-report/3295.html - nu offline)

De Inkombank-connectie