Henri Philippe Benoni Omer Joseph (Philippe) Pétain, ook bekend als maarschalk Pétain (Cauchy-à-la-Tour, 24 april 1856 – Île d'Yeu, 23 juli 1951), was een Franse militair en politicus die een prominente rol speelde tijdens de beide wereldoorlogen.
Hij was een van de belangrijkste Franse legeraanvoerders in de Eerste Wereldoorlog, die de bijnaam 'de held van Verdun' kreeg en het tot maarschalk van Frankrijk bracht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij met dictatoriale macht staatshoofd van Vichy-Frankrijk, waarbij hij een politiek van collaboratie met nazi-Duitsland voerde. Daardoor werd hij een van de meest controversiële figuren uit de Franse geschiedenis van de twintigste eeuw.
Carrière Philippe Pétain was de zoon van een boer in Artois. Hij werd katholiek opgevoed. Verhalen over zijn oudoom die in het leger van Napoleon had gevochten en de grote indruk die de Frans-Duitse Oorlog op hem maakte, overtuigden hem om officier te worden. In 1876 slaagde hij op het nippertje voor het toelatingsexamen van de militaire school van Saint-Cyr, waar hij een middelmatige leerling was. Hij begon daarop een vrij onopvallende carrière als infanterieofficier. Als legerinstructeur en tijdelijk professor aan de École de Guerre (de hogere krijgsschool) kantte hij zich tegen de toen geldende militaire doctrine van l'attaque à outrance (de aanval tot het uiterste). Na het bestuderen van de Russisch-Japanse Oorlog (1904-1905) kwam hij tot de overtuiging dat gezien de toegenomen vuurkracht van de moderne artillerie defensieve tactieken de voorkeur verdienden. Pétain verdedigde dit standpunt met veel overtuiging. Dat werd hem door de legertop niet in dank afgenomen. Het zou hem een bevordering tot generaal hebben gekost.
Op zijn 58ste, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, had Pétain het niet verder gebracht dan kolonel en bevelhebber van een infanterieregiment in Arras, in zijn geboortestreek.
Eerste Wereldoorlog 'Minimum aan verliezen' Eind augustus 1914, een maand na het uitbreken van de Grote Oorlog, werd hij bevorderd tot brigadegeneraal. Een paar weken later, na de Slag aan de Marne, was hij al divisiegeneraal. In oktober 1914 werd hij commandant van een legerkorps, waarmee hij deelnam aan het offensief in Artois. Hij won toen al enigermate aan populariteit bij zijn troepen doordat hij hen niet nutteloos in de strijd wilde opofferen.
In 1915 kreeg hij het bevel over het 1ste Leger. Hij leidde hiermee met succes de verdediging van Reims en Arras. Toen al stelde hij dat de oorlog geen beslissende veldslagen zou kennen en dat de overwinning zou komen van de kant die het minst uitgeput zou zijn. 'De enige doelstelling die we kunnen zoeken,' zo zei hij, 'is zoveel mogelijk Duitsers te doden terwijl we zelf een minimum aan verliezen lijden.' Dat was zowat het tegenovergestelde van de offensieve strategie van het Franse opperbevel.
Verdun Toen in februari 1916 de grote Duitse aanval bij Verdun begon, werd Pétains 1ste Leger snel naar dit strijdtoneel gestuurd. In de zeer zware strijd rond Verdun wist hij stand te houden door voor alles de nadruk te leggen op bevoorrading en logistiek. Pétain hield het moreel hoog door de troepen zeer snel en regelmatig af te lossen, zodat ze niet te lang aan de 'hel van Verdun' waren blootgesteld. De voortdurende aanvoer van nieuwe troepen gaf de Duitsers de indruk dat de Franse verliezen veel groter waren dan in werkelijkheid het geval was. Deze inzet leverde hem later de naam 'overwinnaar van Verdun' op. Zijn uitspraken Ils ne passeront pas (Ze zullen er niet doorkomen) en Courage! On les aura (Moed! We zullen ze hebben) raakten algemeen bekend. De Franse opperbevelhebber Joffre moest echter nog altijd weinig weten van Pétains defensieve houding. Zijn voortdurende eisen om nieuwe troepen aan te voeren dwarsboomden Joffres eigen plannen voor een groot offensief aan de Somme. Na twee maanden strijd (de slag om Verdun zou tien maanden in beslag nemen) werd hij weggepromoveerd tot commandant van de legergroep Centrum. Hij werd in Verdun vervangen door generaal Robert Nivelle, die wel een offensieve aanpak voorstelde.
Opperbevelhebber thumb|Pétain tijdens de Eerste Wereldoorlog In mei 1917 werd Pétain benoemd tot opperbevelhebber van de Franse legers. Hij verving daarmee Nivelle, die verantwoordelijk was voor het mislukte offensief aan de Chemin des Dames. Deze zinloze slachting, die de mislukking van l'attaque à outrance aantoonde, veroorzaakte op grote schaal muiterijen in het Franse leger. Pétain slaagde erin de rust te doen weerkeren, minder door hardhandig op te treden (slechts de leiders van de muiterijen werden gefusilleerd), maar door het vertrouwen van de troepen terug te winnen. Hij maakte een einde aan de grote offensieven en verbeterde de leefomstandigheden van de soldaten, onder meer door hen regelmatiger verlof toe te kennen. Deze maatregelen maakten Pétain populair, maar andere Franse generaals en politieke leiders verweten hem zijn al te defensieve houding en zijn pessimisme dat voor sommigen zelfs neerkwam op defaitisme. Toen de geallieerden in 1918 een gemeenschappelijk opperbevelhebber aanstelden, ging die functie niet naar Pétain, maar naar generaal Ferdinand Foch, de grote specialist van de offensieve aanpak.
Hoewel Pétain en Foch elkaar niet mochten, behaalden ze samen successen. De Tweede Slag bij de Marne, die het begin vormde van de Duitse nederlaag, was voor een groot deel aan een door Pétain ontwikkelde tactiek te danken. Toen de Duitsers zich steeds verder terugtrokken, werkte Pétain het plan uit voor een groot offensief tegen Duitsland dat op 15 november 1918 moest beginnen. Dat offensief vond echter niet plaats omdat Foch op 11 november de wapenstilstand sloot die een einde aan de strijd maakte. Pétain vond toen dat Foch hem zijn grote overwinning had afgenomen.
Kort na de wapenstilstand werd Pétain maarschalk van Frankrijk. Hij ontving de maarschalksstaf uit de handen van president Poincaré toen die het op de Duitsers heroverde Metz bezocht.
Interbellum Na de Eerste Wereldoorlog voerde Pétain nog eenmaal een Frans leger aan: in 1925 en 1926 leidde hij in Marokko de Franse troepenmacht die samen met Spaanse troepen een einde maakte aan de Rifoorlog.
Van 1920 tot 1931 was Pétain ondervoorzitter van de Hoge Raad van Oorlog, de hoogste militaire functie in vredestijd. In 1922 werd hij bovendien inspecteur-generaal van het leger. Hij drong toen tevergeefs aan bij de regering om het leger met veel meer tanks uit te rusten. Een van zijn medewerkers toen was de latere generaal Charles de Gaulle, die hij als jong officier in Arras had gekend en die zijn beschermeling en tegelijk zijn ghostwriter werd.
Pétains reputatie nam in die jaren nog toe. In 1929 werd hij lid van de Académie française als opvolger van Foch. In 1934 was hij minister van Defensie in de kortstondige noodregering van Gaston Doumergue, die was gevormd na zware politieke rellen. Zijn aanwezigheid in het kabinet moest de regering populairder maken bij het publiek, vooral bij de oud-strijders en een verhoging van de militaire uitgaven vergemakkelijken.
Pétain weigerde echter een ministerpost in de daaropvolgende regering. Hij hield zich afzijdig van de politiek. Veel politici beschouwden hem als een gematigd aanhanger van het republikeinse regime, die mogelijk een dam kon opwerpen tegen de toenemende invloed van fascistische groepen.
Toch begonnen rond die tijd kringen die hunkerden naar een autoritair regime Pétain als een geschikte 'sterke man' te beschouwen. Onder meer Léon Daudet van de Action Française vond dat Pétain aan de macht moest komen. In maart 1939, aan het einde van de Spaanse Burgeroorlog, werd de maarschalk benoemd tot Frans ambassadeur - bij de pas door Frankrijk erkende Spaanse nationalistische regering van generaal Franco - in Burgos. Zijn taak was om Franco, die hij van de Rifoorlog kende, neutraal te houden bij het uitbreken van een oorlog tegen Duitsland, die toen steeds waarschijnlijker werd.
Pétain zorgde er enerzijds onder meer voor dat een deel van de Spaanse goudvoorraad en kunstwerken uit het Prado, die door de Spaanse republikeinse regering naar Frankrijk waren overgebracht, terug naar Spanje kwamen. Anderzijds bereikte hij dat een aantal gevangen Franse leden van de Internationale Brigades door Franco werden vrijgelaten.
Begin van de Tweede Wereldoorlog Vicepremier In september 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, bood de Franse premier Édouard Daladier Pétain aan om tot de regering toe te treden. Pétain, die van Daladier niets moest hebben, weigerde en bleef voorlopig in Spanje. Hij zou vanaf het begin geen voorstander zijn geweest van oorlog tegen Duitsland en had toen al contacten met politici die deze mening deelden, zoals oud-premier Pierre Laval. Na de Duitse inval in het westen van 10 mei 1940 deed de nieuwe minister-president Paul Reynaud opnieuw een beroep op Pétain, die ditmaal wel aanvaardde, ook al besefte hij toen al dat de strijd verloren was. Op 17 mei werd hij vicepremier zonder portefeuille. Reynaud hoopte dat de aanwezigheid van de zeer gerespecteerde maarschalk in de regering het vertrouwen van de Fransen zou versterken, maar besefte niet dat deze een heel andere visie op de oorlog had dan hij. Toen een Franse nederlaag onafwendbaar bleek, raakte het kabinet, dat Parijs was ontvlucht, zwaar verdeeld over de te volgen koers. Een aantal ministers, onder wie Reynaud zelf, stelden voor dat de regering naar Algiers zou uitwijken, om vanuit het Franse koloniale rijk de strijd voort te zetten aan de kant van de Britten. Pétain wilde het Franse moederland niet verlaten. Hij vond dat Frankrijk de nederlaag moest accepteren en proberen er het beste van te maken door een wapenstilstand te sluiten. Toen de ministerraad in de avond van 16 juni in Bordeaux over deze kwestie vergaderde, kwam het tot een breuk waarbij Reynaud zijn ontslag aanbood. President Albert Lebrun vroeg Pétain diezelfde nacht om een regering te vormen, wat hij onmiddellijk deed. In feite had Pétain al een hele tijd overleg gepleegd met rechtse politici en defaitisten, in de eerste plaats Laval, over een nieuwe regering. De nieuwe regering zou meteen om een wapenstilstand verzoeken.
Wapenstilstand en machtsoverdracht aan Pétain Op 17 juni, de dag na zijn aanstelling, hield de nieuwe premier Pétain vanuit Bordeaux een toespraak op de radio, waarin hij zei dat 'de strijd moest ophouden'. Dit werd door vele Fransen geïnterpreteerd als een oproep om de wapens neer te leggen, hoewel de onderhandelingen over een wapenstilstand nog moesten beginnen. Hele legereenheden gaven zich toen over en de Duitsers maakten in de acht dagen die op de toespraak volgden meer Franse krijgsgevangenen dan in de vijf weken daarvoor. In dezelfde toespraak had Pétain het over de 'gift van zijn persoon aan Frankrijk', waarbij hij een herstel van Frankrijk onder zijn leiding aankondigde. De radiorede werd door de meeste Fransen zeer positief onthaald.
Op 22 juni werd in Compiègne een wapenstilstand met Duitsland ondertekend, die drie dagen later van kracht werd, nadat ook een wapenstilstand met Duitslands bondgenoot Italië was gesloten. Volgens dat akkoord bezette Duitsland zowat de noordelijke helft van Frankrijk, plus de hele kust langs de Atlantische Oceaan. De rest van het grondgebied, met inbegrip van de koloniën, zou vrij door de Franse regering worden bestuurd. Die regering behield de controle over de gehele oorlogsvloot en een deel van het leger. De regering-Pétain vestigde zich in het kuuroord Vichy, niet ver van de demarcatielijn met de door de Duitsers bezette zone.