De ringnekslang (Diadophis punctatus) is een middelgrote slang uit de familie toornslangachtigen (Colubridae) en de onderfamilie Dipsadinae.
De lichaamskleur is donkergrijs tot zwart. De meeste exemplaren hebben een opvallende, donker omzoomde gele tot oranje halsband achter de kop. Aan dit onderscheidende kenmerk is de Nederlandstalige naam te danken. De vorm en de kleur van deze band verschillen enigszins per ondersoort. Een andere karakteristiek is het patroon van de zwarte vlekjes op de buikschubben of het ontbreken ervan. Ook de lichaamskleur is kenmerkend: de bovenzijde is grijs en de buik is geel tot oranje. De onderzijde van de staart is vaak felrood. Een volwassen ringnekslang is klein tot middelgroot met een lichaamslengte van ongeveer 20–75 cm, afhankelijk van de ondersoort.
Het verspreidingsgebied bestaat uit delen van Noord-Amerika; Canada, Verenigde Staten en Mexico. De habitat bestaat uit vochtige gebieden tot drogere streken in de nabijheid van oppervlaktewater. De ringnekslang is een bodembewonende soort die nachtactief is. Overdag en gedurende delen van de zomer laat de slang zich zelden zien. Hij jaagt op hagedissen, amfibieën en ongewervelden; ook andere slangen worden gegeten.
De slang is niet in staat om grotere zoogdieren te bijten. De ringnekslang vertoont een passieve vorm van verdediging door de felle lichaamskleuren te tonen en kan beschouwd worden als volkomen ongevaarlijk voor de mens.
Naamgeving De ringnekslang werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carl Linnaeus in 1766. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Coluber punctatus gebruikt, later werd de slang ook beschreven als Natrix punctatus en Homalosoma punctata. De geslachtsnaam Diadophis werd voor het eerst in 1853 gebruikt door Spencer Fullerton Baird en Charles Frédéric Girard.
De wetenschappelijke naam Diadophis punctatus is Latijn voor 'hoofdbandslang met vlekken'. De geslachtsnaam Diadophis is afgeleid van het Oudgriekse διάδημα diadema en staat voor 'haarband'. De toevoeging ὄφις ophis betekent 'slang'. De soortaanduiding punctatus staat in het Nederlands voor 'gevlekt', 'van punten voorzien'.
De triviale naam 'ringnekslang' slaat op de oranje band in de nek, die bij sommige exemplaren onderbroken is of ontbreekt. De in België en Nederland voorkomende ringslang (Natrix helvetica) heeft ook een dergelijke 'ring', maar is gemakkelijk te onderscheiden.
Verspreiding en habitat thumb|280px|Verspreidingsgebied in het rood, alleen de staten en provincies per land zijn ingekleurd en niet het exacte verspreidingsgebied. Het verspreidingsgebied beslaat grote delen van Noord-Amerika: Canada, de Verenigde Staten, Mexico en de Kaaimaneilanden. Op deze eilandengroep is de ringnekslang uitgezet, waarschijnlijk door de handel in planten, en komt hier van nature niet voor.
In Canada is de slang aangetroffen in de provincies New Brunswick, Nova Scotia, Ontario en Quebec. In Mexico komt de slang voor in de staten Aguascalientes, Durango, Queretaro en Veraqcruz.
Verenigde Staten In de Verenigde Staten komt de slang voor in ongeveer veertig staten: Alabama, Arkansas, Californië, Colorado, Connecticut, Florida, Georgia, Idaho, Illinois, Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Maryland, Massachusetts, Michigan, Minnesota, Mississippi, Missouri, Nebraska, New Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, West Virginia en Wisconsin.
Habitat De natuurlijke habitat bestaat uit vochtige omgevingen. De slang komt ook voor in drogere streken en leeft dan meestal in de buurt van een waterbron. Voorbeelden zijn de oevers van rivieren en openingen tussen plantenwortels. De ringnekslang wordt daarnaast aangetroffen in moerassen, vochtige bossen en bosranden. Ook in het cultuurlandschap wordt de slang gevonden, zoals in akkers en tuinen. Exemplaren die in drogere bergstreken leven, schuilen vaak in rotsspleten of onder stenen. In permanent droge streken, zoals woestijnen, ontbreekt de slang. Van de ringnekslang is bekend dat populaties geïsoleerd zijn geraakt van soortgenoten, doordat drogere gebieden zijn ontstaan.
Bedreiging en bescherming Hoewel de ringnekslang zelden wordt gezien, gaat het voor zover bekend om een van de meest algemeen voorkomende slangen. In de Amerikaanse staat Kansas werden na tellingen 719 tot 1849 exemplaren per hectare gevonden, wat een zeer hoog aantal is in vergelijking met andere slangensoorten. De ringnekslang maakt ook gebruik van afval om onder te schuilen dat door de mens wordt achtergelaten in de natuur, zoals autobanden en plastic. De slang prefereert een omgevingstemperatuur van 27–29 °C.
Door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN is de beschermingsstatus 'veilig' toegewezen (Least Concern of LC).
Uiterlijke kenmerken thumb|Ondersoort Diadophis punctatus edwardsii. De ringnekslang heeft aan de bovenzijde van het lichaam een onopvallende grijze kleur, maar een oranje tot gele buikzijde en een felrode onderzijde van de staart. De ringnekslang kent dertien variaties die bekendstaan als ondersoorten. Alle ondersoorten zien er ongeveer hetzelfde uit, maar verschillen in details. Zo wijkt de lichaamslengte af, is de buik soms lichter tot geel gekleurd en de tekening op de buik verschilt of is soms afwezig.
Kop De kop van de ringnekslang is niet duidelijk van het lichaam afgetekend en is vaak iets donkerder dan de rest van het lichaam. De kopschubben zijn glad, de paritaalschubben aan de achterzijde van de kop zijn relatief groot. De labiale schubben (aan de lip) zijn lichter van kleur dan de buikzijde. De ogen zijn bruin en de pupil is rond van vorm.
De ringnekslang heeft vergrote, maar niet-gegroefde giftanden die aan de achterzijde van de bovenkaak gepositioneerd zijn. Pas als een buitgemaakt dier met de kaken is vastgeklemd maakt de slang kauwende bewegingen om het gif efficiënter in het lichaam van het prooidier te brengen.
Lichaamskenmerken thumb|Buik- en rugkleur van de ondersoort Diadophis punctatus occidentalis. De slang is dun en slank, de schubben zijn glad en niet gekield. De slang bereikt een lichaamslengte van ongeveer 20 tot 75 centimeter; de lengte verschilt enigszins per ondersoort. De wat grotere Diadophis punctatus edwardsii bereikt een gemiddelde lengte van 25 tot 38 centimeter en wordt maximaal 70 cm lang.
De kleinere Diadophis punctatus arnyi wordt gemiddeld 25 tot 36 cm lang en wordt maximaal 42 cm lang. Dat de eerstgenoemde ondersoort bijna twee keer zo groot is, komt door de drogere streken waarin de slang leeft. Kleinere slangen verliezen meer water, doordat hun lichaamsoppervlak relatief groter is in vergelijking met grotere slangen.
Lichaamskleur De lichaamskleur is zeer donkergrijs tot bijna zwart, met variaties die blauwgrijs tot bruin zijn. De bovenzijde van de slang bestaat uit schubbenrijen. De buikzijde is bedekt met één rij schubben, met een felle contrasterende kleur. De onderzijde steekt af door de gele tot oranje kleur die bij de staart vrijwel altijd omslaat naar rood. De kleur van de buikschubben van ondersoorten die in het oosten van het verspreidingsgebied leven is meer geel van kleur, terwijl die van de westelijke ondersoorten neigt naar rood.
De tekening van de buikzijde is eveneens afhankelijk van de ondersoort. De meeste ondersoorten hebben een bepaald patroon, bestaande uit kleine zwarte vlekken op de schubben van de buik. De vlekken kunnen willekeurig verspreid zijn of juist in regelmatige rijen zijn gepositioneerd. De ondersoort Diadophis punctatus edwardsii heeft meestal geen vlekken of slechts hier en daar een zwarte stip op een aantal van de buikschubben. De ondersoort Diadophis punctatus arnyi heeft juist vele kleine zwarte vlekjes op de buikschilden welke een onregelmatig patroon hebben. De ondersoort Diadophis punctatus stictogenys heeft altijd vlekjes die in twee rijen zijn gerangschikt, ieder buikschild heeft twee kleine zwarte vlekjes. De ondersoort Diadophis punctatus punctatus ten slotte heeft op ieder buikschild een grote, halve bolvormige zwarte vlek op het midden van ieder buikschild. thumb|Ondersoort Diadophis punctatus amabilis uit Californië, VS toont de gekrulde staart die gebruikt wordt in de verdediging. De ringnekslang dankt zijn naam aan een oranjerode dunne halsband vlak achter de kop die zwart omzoomd is. Deze ring-achtige halsband kan ook onderbroken zijn of zelfs geheel ontbreken. Ook de vorm van de ring verschilt per ondersoort. De ondersoorten Diadophis punctatus acricus en Diadophis punctatus regalis hebben bijvoorbeeld slechts sporen van een ring of nooit een ring achter de kop. De ondersoort Diadophis punctatus punctatus heeft een aan de bovenzijde onderbroken ring en de ondersoort Diadophis punctatus edwardsii heeft altijd een ononderbroken ring achter de kop. Door de ring achter de kop zijn ringnekslangen te verwarren met jonge slangen uit het geslacht Storeria. Deze hebben echter gekielde schubben, met een opstaande rand op het midden, waaraan ze te onderscheiden zijn.
De jongere dieren kunnen een afwijkende kleur en tekening hebben; veel exemplaren die behoren tot de ondersoort Diadophis punctatus edwardsii hebben een zwarte kleur aan de bovenzijde van het lichaam en een witte kleur aan de buik en onderzijde van de staart.
Staart Het achterste deel van het lichaam bestaat uit de staart; deze is aan de bovenzijde moeilijk te onderscheiden van de rest van het lichaam. Aan de buikzijde is de grens tussen het lichaam en de staart gemakkelijk af te lezen aan de positie van de cloaca. De cloaca is deels bedekt door de anale schub. Bij veel slangen bestaat deze zogenaamde anale schub uit een enkele, ongepaarde schub. De ringnekslang heeft echter een gepaarde anaalschub die bestaat uit twee delen.
De staart heeft aan de onderzijde meerdere schubbenrijen en niet een enkele rij zoals op de buik. Het aantal rijen staartschubben kan verschillen per ondersoort. De oostelijke exemplaren hebben vijftien schubbenrijen, de westelijke populaties hebben er zeventien.
Levenswijze thumb|De ringnekslang is een bodembewoner, afgebeeld is Diadophis punctatus amabilis uit Californië. De ringnekslang leidt een verborgen bestaan onder stenen, houtblokken en andere objecten. De slang foerageert op bewolkte dagen, als het schemert en 's nachts. Bij verstoring kronkelt de slang zijn lichaam in lussen en de staart wordt gekruld, waarbij de felrode kleuren aan de onderzijde worden getoond als waarschuwing. Ook wordt een stinkend secreet afgescheiden uit klieren van de kop.
De ringnekslang leeft solitair en is zeer tolerant tegenover soortgenoten. Van de slang is bekend dat meerdere exemplaren dezelfde schuilplaatsen opzoeken, zodat de soort in grote groepen kan worden aangetroffen. Het komt voor dat vrouwtjes eitjes leggen in een gemeenschappelijk nest.
Bij een onderzoek naar de aanwezigheid van de slangen op een terrein waar tinnen golfplaten waren gedumpt, bleken onder 24 plaatdelen 279 ringnekslangen te liggen. Bij een proefopstelling, waarbij veertig exemplaren werden losgelaten in een gebied met twaalf exact dezelfde tinnen platen, bleek dat de dieren elkaar hadden opgezocht. De ringnekslangen hadden zich verzameld onder vier van de platen en onder acht van de platen was geen enkel exemplaar te vinden. De slangen kunnen weliswaar in groepjes worden aangetroffen, maar zijn niet aan te merken als in groepen of kolonies levende dieren.
Voedsel De ringnekslang leeft van andere dieren en is een carnivoor. De jonge dieren eten kleinere prooien dan de volwassen exemplaren. Op het menu staan zowel gewervelde als ongewervelde dieren. Voorbeelden van gewervelde prooien zijn salamanders, kikkervisjes, kleine kikkers, kleine slangen en hagedissen. Daarnaast worden wel dieren als slakken, insecten en regenwormen gegeten.