Mexico was in de Tweede Wereldoorlog aanvankelijk neutraal, maar sloot zich in 1942 aan bij de geallieerden.

Voorgeschiedenis Mexico had vanaf 1910 een revolutie meegemaakt die ontstaan was als verzet tegen dictator Porfirio Díaz en culmineerde in de proclamatie van een nieuwe grondwet in 1917. Nadat het revolutionaire animo rond 1930 was gedaald, trad in 1934 de hervormingsgezinde en charismatische president Lázaro Cárdenas aan, die veel van de niet nagekomen beloftes alsnog werkelijkheid wilde laten worden en een van de populairste presidenten van Mexico zou worden. Cárdenas gaf zijn goedkeuring aan stakingen en deelde land uit aan landloze boeren. Cárdenas hervormde de regerende Partij van de Mexicaanse Revolutie (PRM), en gaf het een corporatistisch karakter, verdeeld in boeren-, arbeiders-, volks- en aanvankelijk ook militaire belangengroepen.

Nationalisatie van de aardolie

In een conflict over loon en arbeidsvoorwaarden tussen Mexicaanse arbeiders en buitenlandse oliemaatschappijen stelde het Hooggerechtshof de arbeiders in het gelijk. De oliemaatschappijen weigerden hieraan te voldoen. Cárdenas bood aan te onderhandelen, en verklaarde een einde te zullen maken aan de stakingen indien de oliemaatschappijen 26 miljoen peso in achterstallig loon zouden betalen. De oliemaatschappijen gaven echter aan Cárdenas niet te vertrouwen, waarna Cárdenas op 18 maart 1938 overging tot nationalisatie van de aardolie, zoals al voorgeschreven was in de grondwet van 1917.

Voor veel Mexicanen was de nationalisatie van de olie-industrie het hoogtepunt van Cárdenas' regering en de bekroning op de revolutie, maar internationale regeringen waren minder te spreken over Cárdenas' daad. Het Verenigd Koninkrijk en Nederland verbraken de diplomatieke betrekkingen met Mexico. Ook in de Verenigde Staten gingen stemmen op om de banden met Mexico te verbreken, en sommige oliebazen lobbyden zelfs voor een invasie in Mexico of het verlenen aan steun voor Saturnino Cedillo, die wegens de nationalisatie in opstand was gekomen, maar president Franklin D. Roosevelt besloot gezien de politieke situatie in Europa het conflict niet op de spits te drijven. Wanneer in Europa een oorlog zou uitbreken zou de olietoevoer uit het Midden-Oosten vrijwel zeker in gevaar komen, zodat de Verenigde Staten aangewezen zouden zijn op Mexicaanse olie. Bovendien zou een boycot tegen Mexico ertoe leiden dat nazi-Duitsland, Italië en Japan de belangrijkste afnemers zouden worden van Mexicaanse olie, wat inderdaad gebeurde. Na onderhandelingen kwamen Roosevelt en Cárdenas in 1940 een schadevergoeding overeen.

Fascistische en nationaalsocialistische bewegingen in Mexico Cárdenas voorganger was Plutarco Elías Calles. Hij was president van 1924 tot 1928 maar wist als 'opperste leider' (jefe máximo) achter de schermen ook de presidenten Emilio Portes Gil (1928-1930), Pascual Ortiz Rubio (1930-1932) en Abelardo L. Rodríguez (1932-1934) te controleren, in een periode die het maximato wordt genoemd. Tijdens dit maximato vond een aanzienlijke verrechtsing plaats, en Calles kwam dan ook in conflict met Cárdenas wegens diens socialistische beleid en zijn steun aan de vakbonden. Dit leidde ertoe dat Calles een natuurlijke beschermheer werd van fascistische en extreemrechtse groepen. De voornaamste was de Revolutionaire Mexicanistische Actie, beter bekend als de goudhemden. Deze werden geleid door de voormalige revolutionair Nicolás Rodríguez Carrasco, en was sterk antisemitisch, anticommunistisch en antichinees. Ook Calles zelf kwam steeds meer in fascistisch vaarwater terecht. Toen hij in 1936 uiteindelijk in opdracht van Cárdenas werd gearresteerd en gedeporteerd naar de Verenigde Staten, troffen de soldaten die hem kwamen arresteren hem al lezende in Mein Kampf aan.

Behalve de goudhemden bestonden er nog meerdere fascistische en nationaalsocialistische bewegingen en partijtjes, doch deze konden geen invloed van betekenis krijgen in de Mexicaanse politiek. De opvallendste was wellicht de Nationale Partij van Openbare Veiligheid (PNSP), waarvan de leden herhaaldelijk geweldsmisdrijven tegen de Mexicaanse Joden begingen.

Van een heel andere orde was de Nationaal Synarchistische Unie (UNS). De synarchisten waren de ideologische opvolgers van de cristero's, radicale katholieken die in de jaren 20 een opstand voerden tegen het antiklerikale karakter van de Mexicaanse regering. De UNS werd opgericht in 1937 door José Antonio Urquiza, en liet zich inspireren door de encycliek Rerum Novarum maar ook door de klerikaal fascistische bewegingen in Europa, in het bijzonder de falangisten in Spanje. Na zijn overwinning in de Spaanse Burgeroorlog steunde de Spaanse dictator Francisco Franco de synarchisten financieel en logistiek. Hoewel niet alle synarchisten zonder meer fascisten waren, verzetten zij zich wel tegen het liberalisme, het socialisme en de democratie, en waren de meesten van hun leiders, waaronder Salvador Abascal, uitgesproken antisemitisch.

Hoewel het fascisme en nationaalsocialisme in Mexico nooit een groot deel van de bevolking wist te overtuigen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Argentinië en Chili, waren er desalniettemin verschillende prominenten van uiteenlopende politieke overtuiging die zich positief uitspraken over Adolf Hitler of Benito Mussolini, waaronder de dichter Salvador Novo, de schilder Dr. Atl, generaal Joaquín Amaro, de journalist José Pages Llergo en vooral de filosoof José Vasconcelos, die in 1940 een pro-Duits tijdschrift oprichtte. Veel conservatieven, waaronder de krant El Universal, zagen in Hitler een potentiële beschutting tegen het communisme, terwijl sommige revolutionairen in de oorlog van Hitler en Mussolini een 'anti-imperialistische oorlog' zagen. De overheersende houding onder de Mexicaanse bevolking na het uitbreken van de oorlog was er een van apathie, men vond dat het simpelweg Mexico's oorlog niet was.

Buitenlandse politiek Het postrevolutionaire Mexico hanteerde de Estradadoctrine als beginsel in de buitenlandse politiek, waarin de Mexicaanse regering beloofde elke buitenlandse regering te erkennen, ongeacht de manier waarop deze aan de macht was gekomen. De achterliggende gedachte hiervan was dat men van mening was dat geen enkel land het recht heeft te oordelen over het politiek systeem van een ander land, diplomatieke erkenning weerhouden van een de facto-regering zou een ongeoorloofde inbreuk betekenen op de soevereiniteit. Hoewel dit beginsel pas in 1930 voor het eerst bij naam werd genoemd, kan het ook al teruggevonden worden in de woorden van de 19e-eeuwse staatsman Benito Juárez, "Zowel tussen mensen als tussen naties is respect voor het recht van de ander vrede."

Mexico en de Spaanse Burgeroorlog De Mexicaanse regering week van haar gebruikelijke principe van non-interventie af bij de Spaanse Burgeroorlog. Mexico voelde zich zeer betrokken bij het lot van de Tweede Spaanse Republiek, die zij met zowel wapenen als geld steunde in haar strijd tegen de nationalisten van Franco. Mexico was hiermee het enige land naast de Sovjet-Unie dat openlijk partij koos voor de republikeinen. Ook vochten er enkele honderden Mexicanen in de Internationale Brigades.

Na de overwinning van de nationalisten weigerde Mexico de regering van Franco te erkennen, en beschouwde het de republikeinse regering in ballingschap als de legitieme regering van Spanje. Veel prominente Spaanse intellectuelen ontvluchtten de Francodictatuur naar Mexico, en het land voorzag ook opvang voor enkele honderden Spaanse oorlogswezen.

Mexico en de asmogendheden Mexico voerde als een van de weinige landen een consistente anti-aspolitiek. Naast haar steun aan de Spaanse republikeinen veroordeelde Mexico in felle bewoordingen de Italiaanse agressie tegen Abessinië, de Japanse agressie tegen China, de ontmanteling van Tsjecho-Slowakije. Mexico was het enige land dat een officieel protest liet uitvaardigen bij de Volkenbond tegen de Anschluss van Oostenrijk door nazi-Duitsland en het land ving enkele duizenden Joden die Duitsland waren ontvlucht op.

Op 3 oktober 1939 tekenden de regeringen van 21 Amerikaanse staten, waaronder Mexico en de Verenigde Staten, de verklaring van Panama. Deze voorzag in een veiligheidsgordel van 300 tot 1000 zeemijl rond het Amerikaanse continent; de oorlogvoerende machten werd verzocht deze te respecteren.

Desalniettemin verklaarde Mexico zich na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog in 1939 neutraal. Wel schortte het in 1940 de handelsbetrekkingen met Duitsland op. Na de aanval op Pearl Harbor in december 1941 verbrak Mexico alle diplomatieke betrekkingen met Japan, Duitsland en Italië. De Mexicaanse regering verleende schepen van alle landen van het Amerikaanse continent toegang tot haar havens, inclusief oorlogsschepen, terwijl het schepen van de asmogendheden in beslag nam en de betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk werden hersteld.

Mexico en de Sovjet-Unie Mexico was in 1925 het eerste land dat de Sovjet-Unie erkende, en de beide landen voelden zich enigszins verbonden vanwege het feit dat zowel in Mexico als in de Sovjet-Unie recentelijk een revolutie had plaatsgevonden. Desalniettemin verslechterden de betrekkingen in 1930, en na een grote staking werd de Mexicaanse Communistische Partij (PCM) dat jaar verboden. Cárdenas hief het verbod op in 1935. De Communistische Partij volgde, op advies van Vicente Lombardo Toledano (hoewel hij geen partijlid was, was hij wel de invloedrijkste communist van het land), het Volksfrontsprincipe zoals dat werd voorgesteld door de Komintern, waarin communistische partijen wereldwijd werd opgeroepen samen te werken met elke partij die maar wilde om zo het fascisme tegen te kunnen houden. Cárdenas maakte dankbaar gebruik van de communistische steun, en de communistische vakbond steunde actief Cárdenas' beleid. Desalniettemin was er zowel in de PCM als in Cárdenas PRM geen algemene tevredenheid over de samenwerking tussen de communisten en de Mexicaanse regering, en de PCM werd sowieso verscheurd door interne twisten. Deze escaleerden toen Lev Trotski in 1938 op uitnodiging van Cárdenas zijn toevlucht zocht in Mexico, wat leidde tot een waan van paranoia binnen de Communistische Partij. Trotski werd opgevangen door het schilderskoppel Diego Rivera en Frida Kahlo, die vervolgens uit de PCM worden gezet, waarna een partijzuivering volgde.

Verkiezingen van 1940 Lange tijd ging men ervan uit dat Cárdenas de als links bekendstaande Francisco J. Múgica naar voren zou schuiven als presidentskandidaat voor de PRM, en men ging er dan ook van uit dat Múgica het beleid van Cárdenas voort zou zetten. Om echter de steun van de rechtervleugel van de partij niet te verliezen en om te voorkomen dat de Mexicaanse kiezers Múgica als te radicaal zouden zien en daarom op de oppositie zouden stemmen werd uiteindelijk de gematigde Manuel Ávila Camacho PRM-presidentskandidaat voor de verkiezingen van 1940. Ávila Camacho nam het op tegen Juan Andrew Almazán, die een bonte coalitie van oppositiepartijen aanvoerde. Almazán werd gezien als de kandidaat van rechts, en kreeg vooral steun onder zakenlieden en katholieken; zijn aanhang concentreerde zich in het noorden en in de grote steden. Op de verkiezingsdag werd duidelijk dat de PRM op grote schaal fraudeerde; volgens de officiële uitslag had Ávila Camacho gewonnen met 93,90% van de stemmen tegen 5,73% voor Almazán. Ongeveer 150 Mexicanen verloren het leven bij het verkiezingsgeweld. Almazán beraamde een opstand, en polste de Amerikaanse regering of deze hem steun zou willen verlenen. President Roosevelt verklaarde echter Ávila Camacho te zullen erkennen en, bevreesd over vermeende banden van Almazán met Mexicaanse en Amerikaanse fascisten, Mexico militair bij te zullen staan bij een eventuele Almazanistische opstand. Hierna besloot Almazán zijn opstand af te blazen en ontvluchtte het land.

Oorlogsdeelname Aanvalsplannen van de as