De geschiedenis van de Britse Eilanden beschrijft de geschiedenis van de eilanden die behoren tot Groot-Brittannië.

Tot de Britse Eilanden behoren Groot-Brittannië en Ierland, en vele honderden kleinere eilanden. Heden ten dage bevinden zich op de Britse Eilanden twee soevereine staten: de Ierse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland. Hiernaast zijn er ook nog drie gebieden die onder de Britse Kroon vallen, maar toch een autonoom bestuur hebben: Guernsey, Jersey en Man. De meeste kleine eilanden maken deel uit van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk kan op zijn beurt verder opgesplitst worden in vier entiteiten: Engeland, Noord-Ierland, Schotland en Wales.

De koning van Engeland was staatshoofd van alle Britse Eilanden vanaf 1603, toen er met het bestijgen van de Engelse troon door Jacobus I (VI) een personele unie ontstond van de kronen van Schotland en Engeland. Een staatkundige unie kwam er pas in 1707, nadat drie eerdere pogingen daartoe in 1606, 1667 en 1689 op een weigering van de Engelsen gestoten waren. Aan deze unie kwam een einde in 1949 toen de Ierse Republiek opgericht werd. De naam 'Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland' wordt gebruikt sinds 1922. Hierbij kan worden opgemerkt dat de term British Isles in 1603 nog niet gebruikt werd. Sinds de onafhankelijkheid van Ierland ligt de term nogal gevoelig en wordt hij zelden gebruikt door historici uit de regio vanwege de complexe relaties tussen de verschillende bevolkingsgroepen van de Britse archipel.

Historiografische inleiding Het leeuwendeel van de historische studies over de regio volgt de geijkte, door de traditie bepaalde, nationale kaders. Het nadeel hiervan is dat "etnocentrische mythen en ideologieën" hierdoor onbedoeld worden bevestigd. (1989): The British Isles. A history of four nations, Cambridge University Press, Cambridge enz., p.1. nam reeds duidelijk stelling tegen de traditionele voorstelling van zaken in zijn essay "The whig interpretation of history" (1931). Dat veel historische studies de natie centraal stellen is overigens wel te verklaren. De historische wetenschap ontwikkelde zich in de loop van de negentiende eeuw. Van grote invloed waren de opvattingen van Leopold en de door hem ontwikkelde historische kritiek. Natie en natiestaat waren voor de hoofdrolspelers in het historisch proces. Met de professionalisering van de geschiedschrijving domineerden de opvattingen van voortaan ook onderwerpskeuze en afbakening van de meeste historische studies. De "Constitutional history of England" van William , gepubliceerd vanaf 1866, was in zekere zin de eerste 'moderne' studie over de geschiedenis van Engeland. Daarmee was de trend gezet. Binnen de whighistoriografie, de visie die decennialang via het geschiedenisonderwijs werd doorgegeven, werd de tijd voor 1066 behandeld als een soort prehistorie. Alsof de geschiedenis pas begint met de Normandische invasie. Het jaartal 1066 is dan ook een van de weinige die alle inwoners van Groot-Brittannië kennen. Een satirische weergave van de traditionele visie is te vinden in het nog altijd populaire werk van W.C. Sellar en R.J. Yeatman: "1066 and all that" (1930). Deze historiografische traditie lijkt te veronderstellen dat Engeland een eiland is. Die gedachte is al terug te vinden in het werk van Shakespeare. In de loop der tijd waren het immers Engeland en de Engelse cultuur die de eilandengroep domineerden. Binnen Engeland zelf domineerde vooral het zuidoostelijk deel. Verreweg de meeste bewoners van de Britse Eilanden spreken heden ten dage Engels.

Wijdverbreid is ook de opvatting dat de Britse Eilanden, omdat het eilanden zijn, moeilijk zijn te veroveren. De geschiedenis vertelt een ander verhaal. Zowel Groot-Brittannië als Ierland werd in de loop der tijd door verschillende volkeren van overzee aangevallen, veroverd en soms zelfs op grote schaal gekoloniseerd. De verovering door de Kelten is de eerste waarover wij zijn ingelicht. Er volgden nadien nog invallen van Angelen, Saksen, Denen, Noren en van de Normandiërs. "De zee op zichzelf biedt geen enkele veiligheidsgarantie; die komt alleen van een machtige vloot of een goed georganiseerd landleger." (2003): Geschiedenis van Engeland, vierde druk, Davidsfonds, Leuven, p.139.

Prehistorie

Aan de geschiedenis van de Britse Eilanden gaat een lange prehistorie vooraf. Die wordt gedefinieerd door het ontbreken van geschreven bronnen. Onze kennis van de prehistorie is uitsluitend gebaseerd op de analyse van materiële resten, zoals beenderen, potscherven, pollen, en sporen van bewoning en beploeging. Dit brengt een grote mate van onzekerheid met zich mee. Een groot deel van onze kennis van de prehistorie heeft een hypothetisch karakter. Dit geldt vooral waar het de denk- en voorstellingswereld van de prehistorische mens betreft. Zo zijn bijvoorbeeld veel voorwerpen, waaronder wapens, in gebroken staat teruggevonden. Hiervoor zijn allerlei verklaringen aangedragen. Had dit misschien een rituele betekenis, of zijn de voorwerpen bij toeval gebroken en daarom weggegooid?

Stonehenge in het Zuid-Engelse Wiltshire is wel het meest indrukwekkende monument uit deze periode. Dit grootse megalithische monument illustreert treffend het dilemma van de archeoloog: Wat de prehistorische mens met de bouw van Stonehenge beoogde, zal vermoedelijk wel altijd een raadsel blijven. Hetzelfde geldt voor andere monumenten en overblijfselen, zoals de heuvel van Silbury en de schacht van Wilsford.

Paleolithicum 320px|right De Britse Eilanden worden reeds honderdduizenden jaren bewoond door leden van het geslacht 'Homo', meer specifiek de Neanderthalers, waarvan de laatste tienduizenden jaren meer bepaald door Homo sapiens. In perioden van extreme kou waren de Britse Eilanden niet voor mensen bewoonbaar. Bovendien werd dan een groot deel van de regio bedekt door een ijskap.

Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, lag er zoveel water opgeslagen in het landijs dat de zeespiegel 120 m lager lag dan nu. De Britse Eilanden waren vanaf het vasteland te voet te bereiken. Mogelijk behoorden de toenmalige paleolithische bewoners van de Britse Eilanden tot de Magdaléniencultuur.

Na het einde van de ijstijd was de zeespiegel rond 6.000 v.Chr. zover gestegen dat de Britse Eilanden weer werden afgesneden van de rest van Europa. Met het smelten van de ijskap trokken mensen naar het noorden. Het Mesolithicum, de periode waarin de mens leefde van jagen, vissen en voedsel verzamelen, begon op de Britse eilanden rond 7.000 v.Chr..

Neolithicum

Was in de Lage Landen de neolithische revolutie (de overgang van een cultuur van jager-verzamelaars met een nomadische leefwijze naar een cultuur van in nederzettingen wonende boeren, die landbouw en veeteelt bedreven en die konden pottenbakken) al rond 5.500 v.Chr. begonnen, op de Britse Eilanden zou het nog tot ~3.700 v.Chr. duren alvorens het Neolithicum begon. Waarschijnlijk was de zee tussen de eilanden en het vasteland daarbij een grote barrière. Tegenwoordig denkt men niet meer zozeer dat er neolithische boeren vanaf het vasteland naar de Britse Eilanden zijn gemigreerd, alswel dat de al op de Britse Eilanden wonende paleolithische en mesolithische mensen de kunst van huizen bouwen, landbouw, veeteelt en pottenbakken hebben afgekeken van de neolithische mensen (waarschijnlijk van de Chasseycultuur en Michelsbergcultuur) op het vasteland.Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown Toch valt migratie vanuit het Middellandse Zeegebied niet uit te sluiten.

thumb|320px|Verspreiding in Europa van de klokbekercultuur. De boerengemeenschappen besteedden veel tijd en energie aan het bouwen van megalitische graven en andere monumenten. Vanaf ongeveer 2.500 v.Chr. begon de bouw van Stonehenge. Alleen voor het transport van de zware stenen zijn al zo'n 30 miljoen manuren nodig geweest. De bij Stonehenge aangetroffen Aubrey Holes, een cirkel van 56 gaten in de grond, dienden wellicht als "communicatiemiddelen met het onderaardse rijk". (2003): Geschiedenis van Engeland, vierde druk, Davidsfonds, Leuven, p.12. Een ander groots monument uit het Neolithicum is de nabijgelegen heuvel van Silbury, de grootste kunstmatige heuvel van Europa. Voor de bouw ervan zijn aarde, plaggen en 340.000 m³ krijtsteen opgestapeld. Maar er is geen spoor van begraving teruggevonden. Wellicht werden de neolithische gemeenschappen geregeerd door een kaste van priesters. De bouw van de megalithische monumenten zegt veel over de mate waarin deze samenlevingen georganiseerd waren.

Kleinschaliger zijn de vele ganggraven uit dezelfde tijd. Deze zijn vooral in Ierland teruggevonden, maar ook ten oosten van de Ierse Zee.

De klokbekercultuur vormde al de overgang naar de kopertijd. Daarna zou de bronstijd beginnen.

Bronstijd

IJzertijd Halverwege de 8e eeuw v.Chr. bereikte de technologie om ijzer te bewerken Groot-Brittannië. Dit had met name gevolgen voor de landbouw, omdat met ijzeren werktuigen het bos sneller gekapt kon worden en grotere stukken grond omgeploegd konden worden. Dit had tot gevolg dat er raatakkers aangelegd werden. Er zijn aanwijzingen dat met de komst van de nieuwe technologie de samenlevingen op de Britse Eilanden oorlogszuchtiger werden. In ieder geval werd beduidend minder zorg aan de doden besteed dan voorheen. Begraving van de overledenen werd de uitzondering. Veel menselijk gebeente is in putten tussen afval teruggevonden. Het is waarschijnlijk dat sommige lijken werden verbrand. Of werden zij misschien aan aasdieren overgeleverd? Dit alles roept bij de archeoloog vooral vragen op.

Vanaf de 6e eeuw v.Chr. verspreidde de La Tènecultuur zich over de Britse Eilanden. Deze cultuur wordt in verband gebracht met de Kelten. Vermoedelijk hebben Kelten zich vanaf ~500 v.Chr. op de Britse Eilanden gevestigd. De datering van de komst van de Kelten is echter omstreden. Het is waarschijnlijk dat er zowel in Groot-Brittannië als in Ierland meerdere invasies van Kelten hebben plaatsgevonden. De Keltische bewoners van de latere Romeinse provincie Britannia worden doorgaans aangeduid als Britten. Er vormden zich kleine koninkrijken.

De eerste aantoonbare contacten met de klassieke wereld dateren uit de zesde eeuw v.Chr. Vermoedelijk landde de Carthaagse zeevaarder Himilco rond 500 v.Chr. in Cornwall. De Griek Pytheas van Massalia bezocht rond 330 v.Chr. zowel Groot-Brittannië als Ierland. Hij gebruikte de namen 'Albion' en 'Ierne' (Ierland), en de naam 'Pretanische eilanden'. De Pretani waren een Keltische stam; het Welshe woord Prydain (= Groot-Brittannië) is eraan verwant. Julius Caesar maakte er Britanni en Britannia van. In zijn Ora maritima, dat teruggrijpt op een Griekse bron uit de zesde eeuw, gebruikt Festus Rufus Avienus de naam Insula sacra voor Ierland. De bewoners van Ierland noemt hij gens hiernorum, hetgeen doet vermoeden dat Ierland Ériu werd genoemd. Onduidelijk is of Ériu een Keltische naam is.

Een belangrijke bron is het werk van Posidonius († ~50 v.Chr), wiens geschriften vrijwel alleen uit de tweede hand zijn overgeleverd. Poseidonius heeft veel informatie over de Kelten verzameld. Hij beschrijft een maatschappij van drie klassen, waarin de druïden veel invloed hebben. Ook noemt hij typisch Keltische gewoonten als koppensnellen en gevechten met strijdwagens. Overigens blijkt uit andere bronnen dat de levenswijze van de Kelten op de Britse Eilanden, die daar aanvankelijk een minderheid waren, in een aantal opzichten afweek van de Kelten in Gallië. Dit geldt in sterkere mate voor Ierland.

Zo is ook het Iers in hoge mate beïnvloed door de talen van de niet-Keltische en niet-Indo-Europese meerderheid. Welke talen deze gesproken heeft, is onbekend. Het Insulair Keltisch kan in twee takken worden onderverdeeld: Brits en Gaelisch. In Ierland kwamen aanvankelijk beide vormen voor.