De Filipijnse Revolutie (1896-1898) was een gewapend conflict tussen de Filipijnse onafhankelijkheidsbeweging Katipunan en de Spaanse koloniale autoriteiten. Het doel van de Katipunan was daarbij een onafhankelijk Filipijnen.
Voorgeschiedenis Eind 19e eeuw had Spanje meer dan drie eeuwen lang de macht op de Filipijnen uitgeoefend. Hoewel de macht in theorie bij de Spaanse koloniale regering in Manilla lag, hadden de rooms-katholieke fraters in de praktijk een erg grote invloed op het leven van de Filipijnse bevolking. Gedurende de Spaanse overheersing waren er door de belastingen en de gedwongen arbeid die de Indio's (zoals de Spanjaarden de lokale bevolking noemde) moesten ondergaan diverse malen opstanden. Om dergelijke opstanden te onderdrukken gebruikten de Spanjaarden de eeuwenoude techniek van het "verdeel en heers". Opstanden in het Noorden (Ilocos) werden bijvoorbeeld onderdrukt door gebruik te maken van Indio's uit de Tagalog-sprekende provincies, opstanden in de Visayas door troepen uit Pampanga. Hierdoor ontstond ook haat en nijd tussen de verschillende lokale bevolkingsgroepen die daardoor tot het einde van de 19e eeuw nooit als een geheel in opstand kwamen.
Een combinatie van externe en interne factoren leidde uiteindelijk tot de revolutie. In het midden van de 19e eeuw werd buitenlandse handel op de Filipijnen toegelaten, mede onder invloed van de opening van het Suezkanaal in 1869. Samen met de import van goederen kwam ook de grotere blootstelling aan westerse invloeden, zoals het streven naar vrijheid en onafhankelijkheid. Hoewel de Spaanse koloniale regering probeerde te voorkomen dat dergelijke idealen via scholen, organisaties, literatuur of op andere manieren de Filipijnse bevolking beïnvloedden, lukte dit toch niet geheel. Vooral handelaren kwamen met dergelijke invloeden in aanraking. De zonen van de welvarende kooplieden werden voor hun studie naar universiteiten in Spanje of elders in Europa gestuurd. Veel van deze studenten, waarvan de belangrijkste José Rizal en Graciano López Jaena waren, vormden later de Propagandabeweging.
De interne factor die een rol speelde bij de Filipijnse Revolutie eind 19e eeuw was de executie van drie Filipijnse priesters. Deze drie priesters, Mariano Gómez, José Burgos en Jacinto Zamora, leidden een campagne tegen de overheersing van de Rooms-Katholieke Kerk in de Filipijnen door de Spaanse priesters. De Spaanse priesters, die wars waren van verandering, zochten naar mogelijkheden om Gómez, Burgos en Zamora de mond te snoeren. Na een opstand in Cavite in 1872 werden de drie gearresteerd. Hoewel de priesters, die bekend werden onder de naam Gomburza (een acroniem van hun achternamen), niet betrokken waren geweest, werden ze op 17 februari 1872 toch ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Deze gebeurtenis leidde tot woede bij veel Filipino's. José Rizal, de nationale held van de Filipijnen en iemand die veel heeft bijgedragen aan het nationale bewustwordingsproces, zou later verklaren dat dit grote invloed had gehad op zijn levensloop.
Propagandabeweging thumb|Leden van de Propagandabeweging. Van links naar rechts: Rizal, Del Pilar, Ponce.
Een groep Filipino's in Spanje was gechoqueerd door het verschil in leven in Spanje en de kolonie en organiseerde zichzelf als de "Propagandabeweging". Enkele prominente leden waren José Rizal, López Jaena, Mariano Ponce, de broers Juan Luna en Antonio Luna en de politieke banneling Marcelo H. del Pilar. Ze publiceerden tussen 1889 en 1895 een tweewekelijkse krant La Solidaridad, waarin ze aandacht vroegen voor de corruptie en gruwelijkheden die plaatsvonden in de Filipijnen. Exemplaren van de krant werden de Filipijnen in gesmokkeld en werden daar heimelijk achter gesloten deur gelezen.
In de latere jaren zorgden verschillen in inzicht ervoor dat de beweging uiteenviel. Een deel wilde Del Pilar als leider en een deel José Rizal. In een poging het dispuut op te lossen pakte Rizal vrijwillig zijn spullen en vertrok uit Barcelona, waar de groep op dat moment was gevestigd. Het vertrek van Rizal leidde echter een langzaam en gestaag verval in. De groep zou er niet in slagen om hervormingen in de kolonie doorgevoerd te krijgen en ook hun hoop op een vertegenwoordiging in de Spaanse Cortes (parlement) bleek ijdel. Wat ze middels La Solidaridad wel voor elkaar kregen was dat ze westerse lezers en hun eigen landgenoten lieten zien hoe de situatie in de Filipijnen was. Dit verhoogde in de Filipijnen de ontevredenheid en de wil om zich af te scheiden van Spanje.
La Liga Filipina Rizal keerde in 1892 terug in de Filipijnen en richtte daar La Liga Filipina op. Deze progressieve organisatie had als doelstelling om hervormingen door te voeren in de kolonie. Hoewel La Liga Filipina haar doelstelling op een vreedzame wijze wilde bereiken, voelde de koloniale regering zich bedreigd door de groepering en werd zij verboden. Bovendien werd Rizal op 7 juli 1892 gearresteerd.
De beweging viel daarna uiteen in twee delen met verschillende agenda's. De meer gematigde tak noemde zich Cuerpo de Compromisarios en had tot doelstelling om geld te werven voor La Solidaridad. De meer radicale tak onder leiding van Andrés Bonifacio, noemde zich Katipunan. Deze beweging ging erg heimelijk te werk en had als doelstelling om onafhankelijkheid te verwerven van Spanje.
Katipunan thumb|left|De eerste vlag van de Katipunan.
De oprichting van de radicale afscheidingsbeweging Katipunan vond plaats in de nacht na de arrestatie van Rizal. De voormalige leden van La Liga Filipina Ladislao Diwa, Teodoro Plata, Valentín Díaz en Deodato Arellano vormden samen met Bonifacio de Katipunan in een huis aan de Calle Azcarraga (nu Claro M. Recto Avenue). Bonifacio werd daarbij tot Supremo benoemd (de supreme leader). Het uiteindelijke doel van de beweging was om het land te bevrijden van de Spaanse overheersing, waarbij het eerste doel zou zijn om een regering te vormen die geïnstalleerd zou kunnen worden op het moment dat de koloniale regering omvergeworpen was. Ze haalden geld op om wapens te kopen en vroegen daarbij de hulp van een Japans schip dat in de haven van Manilla aangemeerd lag. Deze poging mislukte, maar uiteindelijk slaagden de mannen erin om een klein aantal gestolen en binnengesmokkelde vuurwapens te bemachtigen. Het merendeel van militanten was echter slechts bewapend met iták en bolos, (lokale machete-achtige messen).
Om hun revolutionaire denkbeelden te verspreiden, brachten ze de krant Kalayaan (vrijheid) uit. De redacteur van de krant was Emilio Jacinto. Het drukken gebeurde, net als het drukken van andere Katipunan-documenten, op een drukpers die was gekocht met de opbrengst van de winst uit de loterij van Francisco del Castillo en Candido Iban. Deze twee leden zouden later ook de lokale afdeling in Panay oprichten. Om de Spaanse autoriteiten om de tuin te leiden voerde de krant een valse kop, waarin stond dat Marcelo del Pilar de redacteur was en Yokohama de plek waar de krant werd gedrukt. Nadat er slechts één editie uitgebracht was, werd de drukpers door de katipuneros vernietigd, omdat de Spanjaarden achter het bestaan van de organisatie waren gekomen. Ze verplaatsten hun activiteiten naar de kantoorvertrekken van Diario de Manila. Daar werd in het geheim nog een editie gemaakt.
Het duurde niet lang voor de Katipunan groeide en de beweging ook in andere gebieden aanhangers kreeg. In maart 1896 werden er lokale raden opgezet in de plaatsen San Juan del Monte, San Felipe Neri, Pasig, Pateros, Marikina, Caloocan, Malabon en de gebieden daaromheen. Later kreeg de Katipinan ook afdelingen in provincies als Bulacan, Batangas, Cavite, Nueva Ecija, Laguna en Pampanga. De leden van de Katipunan waren niet alleen mannen. In 1893 werd al de eerste vrouw toegelaten. In de loop van de jaren groeide de Katipunan van 300 naar een aantal van 30.000 man. Op dat moment kreeg Bonifacio er vertrouwen in dat de bevrijding van Katagalugan, zoals hij de Filipijnen noemde, aanstaande was.
Het verloop van de revolutie Het begin van de revolutie
Het bestaan van de Katipunan raakte uiteindelijk bij de Spanjaarden bekend als gevolg van een uit de hand gelopen dispuut tussen de twee katipuneros, Teodoro Patiño en Apolonio dela Cruz. Patiño, die wraak wilde nemen op Dela Cruz, besloot de geheimen van de Katipunan te onthullen aan zijn zus, een non. Zij vertelde het op haar beurt aan een Spaanse priester, frater Mariano Gil. Deze priester werd naar de drukpers van Diario de Manila geleid. Er werden daarnaast ook een dolk en enkele geheime documenten gevonden. Er volgden verschillende arrestaties, waaronder die van enkele van de rijkste ilustrados. Ondanks het feit dat ze ontkenden betrokken te zijn bij de ondergrondse organisatie, werden velen van hen geëxecuteerd.
Het nieuws bereikte vrij snel de top van de Katipunan. Er werden op stel en sprong bijeenkomsten georganiseerd door de overblijvende leden. De eerste was in Kangkong en vervolgens was er een in het huis van de katipunero Juan Ramos in Pugadlawin in Balintawak. De eerste bijeenkomst leverde niets op. Op de tweede bijeenkomst verscheurde Bonafacio, die het eindeloze overleg zat was, zijn cedula (identificatiekaart) en schreeuwde Mabuhay ang kalayaan ng Pilipinas! (Lang leve de Filipijnse onafhankelijkheid!). Het was een oproep om de wapens op te pakken, die werd opgepakt door de meerderheid van de aanwezige mannen. Op 24 augustus 1896 begon zodoende de revolutie..
De eerste gewapende confrontatie tussen de Spanjaarden en een klein groepje Katipunan vond plaats in Pasong Tamo in Caloocan. De opstandelingen wonnen deze eerste confrontatie. De eerste slag van belang werd gevoerd in San Juan del Monte in Manilla. In eerste instantie waren de katipuneros aan de winnende hand, maar uiteindelijk werden ze verslagen doordat de Gouverneur-generaal Ramón Blanco versterkingen bleef aanvoeren. Bonifacio liet zijn mannen terugtrekken naar Mandaluyong.
De dood van Rizal Niet lang na de nederlaag in San Juan (dat nu bekendstaat als Pinaglabanan, Tagalog voor "slagveld"), vonden er diverse opstanden plaats in provincies in de buurt. Gouverneur-generaal Blanco besloot daarop om acht provincies onder een staat van beleg te stellen. Dit waren Manilla, Bulacan, Cavite, Pampanga, Tarlac, Laguna, Batangas en Nueva Ecija. Deze acht provincies zouden later symbolisch terugkomen in de acht zonnestralen van de Filipijnse vlag. Er werden meer arrestaties verricht en er vonden meer en meer ondervragingen plaats. Vele Filipino's overleden aan de gevolgen van marteling.
Tot de revolutie uitbrak leefde José Rizal als politieke banneling op Dapitan en had zich juist aangemeld als vrijwilliger om als dokter te gaan werken in Cuba, waar een soortgelijke revolutie plaatsvond. In plaats van naar Barcelona te worden gebracht, vanwaar Rizal naar Cuba zou vertrekken, bracht het schip waarop hij voer hem, op orders van Manilla, naar de hoofdstad. Daar werd hij gevangengezet in Fort Santiago. In afwachting van zijn executie schreef hij er zijn beroemde gedicht Mi Ultimo Adios. Op 30 december 1896 kwam aan het wachten van Rizal een einde en werd hij geëxecuteerd na te zijn veroordeeld door een militaire rechtbank. Hoewel Rizal vanaf het begin een tegenstander was geweest van de oprichting van de radicale beweging Katipunan, werd hij door toedoen van hem wel een martelaar en de held van de Filipijnse revolutie. Zijn executie wakkerde de woede van de Filipino's aan en zorgde ervoor dat de revolutie niet vroegtijdig stopte.
Cavite thumb|Emilio Aguinaldo.