thumb|De Rococovleugel van het Keurvorstelijk Paleis (roze), zetel van het aartsbisdom tot 1794, en de Romeinse Basilica van Constantijn Het keurvorstendom Trier (ook Keur-Trier) was een van de oorspronkelijke zeven keurvorstendommen van het Heilige Roomse Rijk. Als sticht of wereldlijke machtsgebied van de aartsbisschop van Trier hoorde het met het keurvorstendom Keulen en het keurvorstendom Mainz tot de drie geestelijke keurvorstendommen. Sinds 1512 was het vorstendom ingedeeld bij de Keur-Rijnse Kreits.
Ontstaan van het vorstendom In 902 kreeg de aartsbisschop van Trier de heerschappij over de stad Trier en in 1018 de koningshof Koblenz en goederen in het Westerwald. In 1132/1152 werd de rijksabdij Sankt Maximin van de aartsbisschop afhankelijk. In 1197 deed de paltsgraaf aan de Rijn afstand van de voogdij over het aartssticht ten gunste van de aartsbisschop. Sinds de dertiende eeuw was de aartsbisschop een van de zeven keurvorsten. Aan het eind van de dertiende eeuw en het begin van de veertiende eeuw werden de twee gebieden rond Trier en Koblenz verbonden door de verwerving van nieuwe gebieden. Als pand van het Rijk werden Boppard en Oberwesel (1455 opheffing status rijksstand) verworven. In 1427 werden delen van het rijksgraafschap Dorn verworven. In 1452 volgde het graafschap Manderscheid en in 1545 het graafschap Virneburg. In 1486 werd Hunolstein verworven en in 1508 werd het leen Schöneck ingetrokken. Het halve ambt Camberg en het halve ambt Wehrheim werden in 1535 van Königstein-Eppstein verworven, de andere delen kwamen aan Nassau-Oranje. Aan de autonomie van de stad Koblenz werd in 1562 een eind gemaakt. Sinds 1576 was de Abdij van Prüm in personele unie met de keurstaat verbonden.
Verdere geschiedenis Na de verschrikkingen van de Dertigjarige Oorlog werd de staat in de Vrede van Westfalen hersteld. De koning van Spanje moest als hertog van Luxemburg het ambt Bruch en de heerlijkheid Sankt Johann teruggeven en de keizer moest Ehrenbreitenstein en Hammerstein restitueren.
In 1660 werd Blieskastel aan het vorstendom von der Leyen afgestaan en in 1669 werd de abdij Sankt Maximin definitief ingelijfd. Het keurvorstendom kreeg in 1669 een landrecht. Tijdens de Reunions-politiek annexeerde Frankrijk een groot deel van de keurstaat: Merzig-Saargau, de heerlijkheid Lebach, het ambt Sankt Wendel, een deel van het ambt Grimburg, de landen Revin, Fumay en Fépin, het Nalbachter Tal, het dorp Michelbach, de domeinen Dagstuhl, Dhronecken en Thalfang en de heerlijkheid Freudenberg. De Vrede van Rijswijk in 1697 herstelde de oude situatie.
In 1719 werd het leen Schönburg ingetrokken. In 1728 werd vier zesde van het dorp Mensfelden van het graafschap Westerburg verworven, hierdoor kwam het aandeel van Trier in dorp op vijf zesde. Aan de verpanding van Kempenich kwam in 1777 een einde. In een verdrag met Frankrijk van 1778 werd Merzig-Saargau gedeeld en het graafschap Sponheim deed in 1784 afstand van zijn rechten in Bruttig. In 1784 verwierf Trier één derde van de landshoogheid in Kröv.
Het einde van het keurvorstendom Het einde van het bestaan van de keurstaat werd ingeluid door de Franse annexatie van de linker Rijnoever in 1797. De keurstaat Trier ging op in de Cisrheniaanse republiek. Vervolgens maakte de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 een eind aan het keurvorstendom. Paragraaf 12 gaf de rest van het keurvorstendom met de abdijen Arnstein, Schönau en Marienstadt aan Nassau-Weilburg. Het Congres van Wenen kende in 1815 de gebieden van het voormalige keurvorstendom op de linker Rijnoever voor het grootste deel aan het koninkrijk Pruisen toe, meer bepaald het groothertogdom Beneden-Rijn en nadien de Pruisische Rijnprovincie.
Lijst van gebieden op de rechter Rijnoever ambt Wellmich, deel van het ambt Boppard ambt Ehrenbreitenstein heerlijkheid Vallendar ambt Sayn ambt Herschbach ambt Grenzau ambt Montabaur ambt Limburg aandeel in het ambt Camberg aandeel in het ambt Wehrheim deel van het ambt Bergpflege ambt Hammerstein aandeel in de dorpen Mensfelden en Eisenbach
Regenten 791- 804: Richbod 804- 809: Waso 809- 814: Amalhar 814- 847: Hetto 847- 868: Dietgod 869- 883: Bartholf 883- 915; Radbod (kanselier) 915- 930: Ruotger (kanselier) 930- 956: Rudbrecht 956- 964: Hendrik I 965- 977: Diederik I 977- 993: Egbert (Anglois) van Holland 994-1008: Ludolph (Saxon) 1008-1036: Adalbero van Luxemburg 1008-1015: Meginward/Megingod 1016-1047: Poppo van Babenberg/Oostenrijk 1047-1066: Everhard van Trier 1066-1066: Kuno I van Pfullingen 1066-1078: Udo, graaf van Nellenburg 1079-1101: Egilbert 1102-1124: Bruno, graaf van Lauffen 1124-1127: Godfried 1127-1130: Meginhar 1131-1152: Adalbero van Montreuil 1152-1169: Hillin van Fallemaigne 1169-1183: Arnold I 1183-1189: Rudolf van Wied 1183-1189: Vollmar (tegenbisschop) 1190-1212: Johan I 1212-1242: Diederik II van Wied 1242-1259: Arnold II van Isenburg 1260-1286: Hendrik II van Finstingen 1286-1299: Bohemund I van Warnersberg 1300-1307: Diederik III van Nassau 1300-1306: Hendrik III van Virneburg (tegen-aartsbisschop) 1307-1354: Boudewijn van Luxemburg (1328-1337: bestuurder van Mainz; 1332-1337: bestuurder van Spiers; 1331,1335-1337: bestuurder van Worms) 1354-1362: Bohemund II van Saarbrücken (huis Edendorf) 1362-1388: Kuno II van Falkenstein (Münzenberg) 1388-1418: Werner van Falkenstein (Königstein) 1418-1430: Otto van Ziegenhain 1418-1430: Ulrich van Manderscheid (tegen-aartsbisschop) 1430-1439: Rabanus van Helmstädt (bisschop van Spiers) 1439-1456: Jakob I van Sierck 1456-1503: Johan II van Baden 1503-1511: Jakob II van Baden 1511-1531: Richard van Greiffenclau zu Vollrads 1531-1542: Johan III van Metzenhausen 1540-1547: Johan IV van Hagen 1547-1556: Johan V van Isenburg 1556-1567: Johan VI van der Leyen 1567-1581: Jakob III van Eltz (1564-1566: abt van Prüm) 1581-1599: Johan VII van Schönberg 1599-1623: Lothar van Metternich 1623-1652: Philip Christoph von Sötern (1610: bisschop van Spiers) 1652-1676: Karel Kaspar van der Leyen 1676-1711: Johan Hugo van Orsbeck (bisschop van Spiers) 1711-1715: Karel van Lotharingen (1698: bisschop van Osnabrück) 1716-1729: Frans Lodewijk van Palts-Neuburg (1683: bisschop van Breslau; 1694: bisschop van Worms, proost van Ellwangen, grootmeester van de Duitse Orde; 1729: keurvorst van Mainz) 1729-1756: Frans Georg van Schönborn (1732: bisschop van Worms, proost van Ellwangen) 1756-1768: Johan Filips van Walderdorf (1763: bisschop van Worms) 1768-1802: Clemens Wenceslaus van Saksen (1763-68: bisschop van Freising; 1764-87: bisschop van Regensburg; 1764: bisschop van Augsburg; 1778: proost van Ellwangen)
Categorie:Geschiedenis van Rijnland-Palts Categorie:Geschiedenis van Trier Trier Trier