De geschiedenis van Indonesië beschrijft de geschiedenis van het gebied van de Republiek Indonesië van de prehistorie tot na de onafhankelijksoorlog van 1945.
Prehistorie
Boeddhisme en hindoeïsme Immigranten uit Voor-Indië brachten nieuwe religies met zich mee, zoals het boeddhisme en hindoeïsme. Vanaf de tweede eeuw voor Christus tot de twaalfde eeuw erna werd de regio sterk beïnvloed door de verschillende Indiase dynastieën, zoals de Pallava-dynastie en de Gupta's. Verschillende grote hindoeistische en boeddhistische koninkrijken maakten in deze periode een bloeitijd door, maar verdwenen uiteindelijk weer, met name door de opkomst van de islam. Een van die rijken is het Javaanse koninkrijk Tarumanagara dat van 358 tot 669 bestond. Van hun koning Purnavarman stammen uit de 5e eeuw de eerste bekende inscripties gevonden in Indonesië. Hij maakte voetafdrukken van zichzelf en zijn olifant met de begeleidende tekst: "Dit zijn de voetstappen van koning Purnavarman, de dappere veroveraar van de hele wereld".
De politiek van de Indonesische archipel werd van de 7e tot de 11e eeuw gedomineerd door het boeddhistische koninkrijk Shrivijaya op Sumatra en door Shailendra (ca. 650-925 AD), een koninkrijk op Java. Onder de Shailendra-dynastie werd de Borobudur gebouwd, het grootste boeddhistische monument ter wereld.
Mataram In ruwweg dezelfde periode bestond het koninkrijk Mataram, een Hindoerijk op Java. De hoofdstad werd door koning Mpu Sindok rond het jaar 929 verplaatst van Centraal-Java naar het oosten van het eiland, waarschijnlijk vanwege een uitbarsting van de Merapi. Aan het koninkrijk kwam een einde onder de regering van Dharmawangsa, door de toenemende militaire druk van Shrivijaya.
Koninkrijk Shrivijaya Shrivijaya was een Maleis koninkrijk dat vooral opbloeide door de internationale handel. De schepen van dit rijk voeren helemaal naar Afrika. De staat was vooral afhankelijk van zijn sterke vloot die de handelsschepen beschermde. Waarschijnlijk omvatte het rijk op zijn hoogtepunt, rond het jaar 1000, de kusten van Sumatra, het Maleisisch schiereiland en wellicht westelijk Borneo. Chinese en Indiase bronnen melden geldelijke ondersteuning aan de bouw van tempels in deze landen door de heersers van Srivijaya.
Het rijk werd kort daarna echter getroffen door een vernietigende aanval vanuit het machtige koninkrijk Chola in Zuid-India, in 1025. Een inscriptie op een muur van een Indiase tempel in Tanjore verhaalt van een Indiase armada die de zeestraat doorvoer en de ene na de andere Srivijayaanse haven onderwierp, waaronder ook de hoofdstad. De exacte reden voor de aanval is niet duidelijk maar aannemelijk is dat de Indiase handelaren genoeg hadden van de zware belastingen die hun bij binnenreizen van het gebied opgelegd werden door het Srivijaya-rijk.
In 1080 onderwierp een oude rivaal van Shrivijaya, Melayu, het rijk en bracht het terug tot de status van vazal aan Melayu. In de 12e en 13e eeuw overheerste Melayu het rijk op politiek en economisch gebied. De ondergang van Melayu werd ingezet met een aanval door het Oost-Javaanse koninkrijk Singhasari in 1278.
Koninkrijk Majapahit Ondanks een gebrek aan historisch bewijs wordt aangenomen dat het Koninkrijk Majapahit de dominantste van de pre-islamitische staten was. Het koninkrijk vond zijn oorsprong op Oost-Java en breidde zich onder de leiding van Gajah Mada (oude Indonesische spelling: Gadjah Mada), een ambitieuze minister-president en regent die regeerde van 1331 tot 1364, uit naar het zuidelijke deel van het Maleisische schiereiland, Borneo, Sumatra en Bali. Een paar jaar na zijn dood nam de vloot van Majapahit Palembang in, hiermee een eind makend aan het Srivijaya-koninkrijk.
Hoewel de heersers van Majapahit hun macht uitbreidden over de naburige eilanden en de daar aanwezige koninkrijken vernietigden, leek hun interesse vooral uit te gaan naar het beheersen van een groter deel van de commerciële handel binnen de archipel. In de tijd dat het Majapahit-rijk werd gesticht, kwamen ook de eerste moslim-handelaren en -proselieten het gebied binnen.
Na het hoogtepunt in de 14e eeuw, begon de macht van het Majapahit langzaam af te nemen, mede door een oorlog over de troonopvolging in 1401, die vier jaar duurde. Het rijk bleek niet in staat de groeiende macht van het sultanaat van Malakka in te dammen. Data die het einde van het Majapahit-rijk aangeven, variëren van 1478 tot 1520.
Islamitische periode Verspreiding van de islam De verspreiding van de islam in de regio begon in de 13e eeuw op Noord-Sumatra, hoewel moslimhandelaren de eilanden van de archipel in de eeuwen daarvoor al regelmatig bezochten. De verspreiding van het islamitisch geloof verliep langzaam. De eersten die overstapten op het nieuwe geloof waren handelaren en leden van de koninklijke families van grotere koninkrijken. Toch zette de groei door en aan het einde van de 16e eeuw was de islam de grootste religie op Java en Sumatra. Met name op Java mengde de islam zich met het aanwezige volksgeloof. Bali bleef hindoeïstisch, terwijl op de zuidelijke eilanden in de 16e en 17e eeuw, zowel christelijke als islamitische zendelingen actief waren, waardoor beide geloven sterk groeiden.
Sultanaat Mataram Het Sultanaat Mataram was het derde sultanaat op Java, na het Sultanaat van Demak Bintoro en het Koninkrijk Pajang. Het ontstond rond 1570 onder leiding van Kyai Gedhe Pamanahan. Onder zijn kleinzoon Panembahan Seda ing Krapyak werd het eerste contact met de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie gelegd. De Nederlanders speelden aanvankelijk een kleine rol in de handel in verschillende kustgebieden. Samen met het Sultanaat Mataram vormden zij in 1613 een bondgenootschap tegen een koninkrijk op Surabaya. Na meerdere jaren oorlogsvoering werd deze stad veroverd.
De nieuwe koning Sultan Agung van Mataram breidde het koninkrijk verder uit, zodat het heel Java en de omliggende eilanden besloeg. Diens zoon Susuhunan Amangkurat I van Mataram wilde een monopolie op de handel van de Nederlanders en liet zijn belangrijkste concurrenten vermoorden. Rond 1670 kwam het uit onvrede over zijn beleid tot een opstand. Raden Trunajaya van Soenda, een prins van Madura, wist met behulp van huurlingen Makasar het sultanaat in te nemen. Sultan Agung vluchtte samen met zijn zoon Susuhunan Amangkurat I naar het noorden. Kort daarop overleed hij. Met behulp van de Nederlanders wist diens zoon het rijk weer in te nemen. De Nederlanders waren gebaat bij rust in het gebied en een koning die bij hen in de schuld stond.
Kolonisatie Portugal Door verbeterde navigatiesystemen en bewapening waagden de Portugese schepen zich steeds verder van het thuisland. Zij waren de eerste Europeanen die in de regio arriveerden. In 1512 veroverde Portugal de stad Malakka. Zij streefde een monopoliepositie na wat betreft de handel in de belangrijkste kruiden. Dat deden zij door militaire veroveringen en allianties te vormen met lokale heersers. Daarnaast wilde de Rooms-Katholieke Kerk de lokale bevolking winnen voor het christelijk geloof. Vooral in de tweede helft van de 16e eeuw waren er veel Portugese missionarissen actief in het gebied. De Portugese invloed beperkte zich uiteindelijk tot de eilanden Solor, Flores en Timor, doordat zij het moesten afleggen tegen de Nederlanders die kort na hen arriveerden.
Op de betreffende eilanden is tot op de dag van vandaag een groot deel van de bevolking rooms-katholiek en veel van de eilandbewoners dragen een Portugese naam.
Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)
Op 20 maart 1602 verkreeg de Verenigde Oost-Indische Compagnie van de Staten-Generaal door een octrooi het monopolie op de specerijenhandel in de regio. In 1619 veroverde de VOC de stad Jayakarta (het huidige Jakarta) op West-Java en doopte de stad om tot Batavia. De Nederlanders raakten nauw betrokken bij verschillende binnenlandse conflicten en vochten actief mee in hun poging om een handelsmonopolie te verkrijgen, wat grotendeels lukte. Daarbij maakten zij gebruik van de heersers van verschillende kleine koninkrijken die in de plaats kwamen van het verwoeste Majapahit.
Het centrale bestuur in Oost-Indië kwam in handen van de Heren Zeventien, een wisselend college, dat enkele malen per jaar door de bewindhebbers uit hun midden werd verkozen en vervolgens enkele weken in vergadering bijeen zat. In de 17e eeuw brachten Nederlandse kolonisten delen van het huidige Indonesië onder één regering onder de naam 'Nederlands-Indië' (sinds 1816 de officiële naam).Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Nederlands-Indië". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Nadat de VOC de Portugezen had verdreven, werd de VOC de effectieve heerser van vele gebieden in Nederlands-Indië. Toen de VOC in 1798 bankroet ging, nam de Nederlandse overheid de schulden en de eigendommen in Indonesië over.
Nederlands-Indië
Van 1798 tot 1811 was er een Bataafs-Frans bestuur in de voormalige bezittingen van de VOC. De Britten veroverden Oost-Indië in 1811 en bestuurden het tot 1816, toen het werd overgedragen aan het nieuw gevormde Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en officieel de naam Nederlandsch-Indië kreeg.
Nederland voerde tussen 1830 en 1834 het Cultuurstelsel in. Dit hield in dat de bevolking één vijfde van haar land in opdracht van de Nederlandse overheid moest verbouwen met exportproducten, bijvoorbeeld koffie, suiker, tabak of thee. Dit stelsel heeft bijgedragen tot armoede en hongersnood in Indonesië. De koffie-, suiker- en tabaksplantages besloegen grote gebieden die niet konden worden gebruikt voor voedselproductie. Daardoor ontstonden er tekorten. Aan het eind van de 19e eeuw kwam de zogenoemde ethische politiek in zwang. De leuze van deze ontwikkelingspolitiek was: 'irrigatie, emigratie, educatie'. Veel Javanen werden naar de buitengewesten verplaatst om de overbevolking op het eiland tegen te gaan, de rijstvelden werden beter geïrrigeerd om de landbouw efficiënter te maken en de voedseltekorten tegen te gaan. Ook werden er 'dessabanken' opgericht waar boeren goedkoop konden lenen. Over het geheel genomen was de ethische politiek geen succes; slechts enkele tienduizenden Javanen konden elders een bestaan opbouwen en het geld dat de boeren leenden werd vooral gebruikt om te consumeren in plaats van te investeren. De bedoelde stimulering van economische groei en remming van de bevolkingsgroei bleven uit. Door het loslaten van het Cultuurstelsel en verbeteringen in de rijstverbouw waren er na 1905 geen structurele voedseltekorten meer.
Vroege nationalistische groepen In 1908 vormde de arts Soetomo met anderen de eerste nationalistische beweging, Budi Utomo. In 1912 volgde de eerste massale nationalistische beweging, Sarekat Islam. De Nederlanders reageerden na de Eerste Wereldoorlog met repressieve maatregelen. De nationalistische leiders kwamen uit een kleine groep jonge professionals en studenten, van wie sommigen hun opleiding in Nederland hadden genoten. Velen, inclusief de latere eerste Indonesische president, Soekarno (1901-1970), werden gevangengezet vanwege hun politieke activiteiten.
Tussen 1922 en 1930 richtte Ki Hadjar Dewantara, samen met anderen en ondanks tegenstand van de koloniale regering, veertig onafhankelijke scholen op, de Taman Siswa scholen, en op 28 oktober 1928 pleitte een conferentie van Indonesische jongeren voor "één land, één taal, één volk" voor Indonesië.
Daarnaast richtte de verbannen Nederlandse socialist Henk Sneevliet in 1914 een 'Indische Sociaal Democratische Associatie' op. Aanvankelijk een klein forum van Nederlandse socialisten, ontwikkelde de Associatie zich later tot Partai Komunis Indonesia (PKI), de Indonesische Communistische Partij. Voor zijn ondergang in 1965 was het de op twee na grootste communistische partij ter wereld.
Sleutelfiguren in het voorbereiden van Indonesische onafhankelijkheid waren Agoes Salim, Ki Hadjar Dewantara, Sam Ratulangi, Raden Mas Sartono, Soekiman, Sjahrir en Mohammad Yamin.Herman Burgers op
Japanse bezetting