De atlasvlinder (Attacus atlas) is een vlinder uit de familie van de nachtpauwogen (Saturniidae). De nachtvlinder is overwegend bruin met lichtere en donkere accenten. De vlinder kan een spanwijdte bereiken van 25 tot 30 centimeter en behoort hiermee tot de grootste vlinders ter wereld. Wat betreft vleugeloppervlak is de atlasvlinder zelfs de allergrootste soort. Het is een nachtactieve soort die niet veel vliegt.

De atlasvlinder komt voor in Azië, meer specifiek een groot deel van Zuidoost-Azië. Het areaal loopt westelijk van Afghanistan tot oostelijk in Papoea-Nieuw-Guinea en beslaat onder andere India, Maleisië en Indonesië. In India wordt de nachtvlinder op kleine schaal gebruikt voor de productie van zijde.

In vlindertuinen wordt het dier met enige regelmaat gekweekt, waardoor er veel bekend is over levenswijze en ontwikkeling. De rups is groen met hier en daar een rode vlek. De rups valt op door de stekelvormige maar vlezige uitsteeksels aan de bovenzijde die een vlokkerige en wasachtige afscheiding produceren. De rupsen eten grote hoeveelheden bladeren van verscheidene soorten planten. De volwassen vlinder heeft geen ontwikkelde monddelen en neemt geen voedsel op.

Taxonomie en indeling De wetenschappelijke naam van de atlasvlinder werd in 1758 als Phalaena atlas gepubliceerd door Linnaeus. In 1767 plaatste hij de soort in het ondergeslacht Attacus, naderhand tot een zelfstandig geslacht opgewaardeerd. De geslachtsnaam Attacus is Latijn voor sprinkhaan, het woord wordt ook in de Bijbel gebruikt om sprinkhanen aan te duiden. De soortnaam atlas is afgeleid van Atlas, een van de reuzen die in de Griekse mythologie het hemelgewelf op zijn schouders droeg.

De atlasvlinder behoort tot de vlinderfamilie nachtpauwogen (Saturniidae). Dit is een grote groep van vlinders die een wereldwijde verspreiding hebben.

Het geslacht Attacus waartoe de atlasvlinder behoort telde vroeger ongeveer vijftien soorten, maar de meeste hiervan zijn als gevolg van nieuwe inzichten verplaatst naar een ander geslacht; Archaeoattacus. Tegenwoordig telt het geslacht Attacus naast de atlasvlinder twee andere soorten: Attacus wardi uit Australië en Attacus aurantiacus uit Papoea-Nieuw-Guinea.

Ondersoorten Van de atlasvlinder zijn verschillende ondersoorten beschreven, de wetenschappelijk status ervan is soms omstreden. Een lijst van beschreven ondersoorten staat hieronder, de gegevens zijn afkomstig van een inventarisatie uit Zoologische mededelingen uit het jaar 1953.

Uiterlijke kenmerken thumb|Algemene kenmerken van de atlasvlinder, hier een mannetje. De atlasvlinder is een opvallende soort vanwege de kleuren en patronen en met name de grootte. Wat direct opvalt aan de atlasvlinder zijn de buitenproportioneel grote vleugels, het lichaam van de vlinder is niet opvallend groot. De vleugels kunnen een spanwijdte bereiken van bijna dertig centimeter en ook de vleugels in de lengte ongeveer zo lang, zodat de omtrek van de vlinder van vleugelpunt tot vleugelpunt zo groot is als een stoeptegel.

Kop De kop van de atlasvlinder is vrij onopvallend. Van de bovenzijde bezien is slechts een deel van de kop zichtbaar en vooral de antennes zijn goed zichtbaar. De ogen zijn kraalachtig en donker tot zwart van kleur. Net als andere insecten heeft de atlasvlinder samengestelde ogen die zijn opgebouwd uit vele tientallen individuele oogjes, de ommatidiën. De ogen zijn onderaan de kop gelegen, het oogoppervlak is vrij groot. De ogen zijn vanaf de bovenzijde niet te zien.

De antennes zijn lichter van kleur dan de rest van de kop en hebben een gele tot oranje kleur. De antennes bestaan uit een enkele spriet die sterk geveerd vertakt is zodat het geheel lijkt op een veer. De vorm van de antennes of voelsprieten is het belangrijkste geslachtsonderscheid. Bij vrouwtjes zijn deze vrij onopvallend en licht geveerd, maar de mannetjes hebben bladvormige, geveerde antennes. Ze hebben een kam-achtige vertakking van de sprieten. De vele tientallen aftakkingen vergroten het oppervlak aanzienlijk. Ze zijn zowel aan de voor- als achterzijde van de antennes korter dan in het midden, zodat een duidelijke veervorm ontstaat. Ook de vrouwtjes hebben een dergelijke geveerde antenne, maar het geheel is duidelijk kleiner dan bij de mannetjes.

Borststuk Het lichaam is relatief klein en wordt ongeveer zeven centimeter lang. Het borststuk is zwart van kleur maar door de dichte oranjebruine beharing is de kleur van de huid nauwelijks te zien. Het borststuk is bij de atlasvlinder het breedste deel van het lichaam. Het borststuk draagt net als alle andere gevleugelde insecten twee paar vleugels aan de bovenzijde en drie paar poten aan de onderzijde.

De poten zijn vrij breed wat veroorzaakt wordt door een bedekking van een dichte, fijne en bruine haartjes die een fluweelachtige indruk geven. De poten zijn gesegmenteerd en eindigen in kleine klauwtjes, die de tarsen worden genoemd. Hiermee ankert de vlinder zich aan takken en bladeren. In rustpositie zit de vlinder altijd met de kop naar boven.

Vleugels thumb|De vleugelvensters zijn doorzichtig zodat een deel van de vleugels dezelfde kleur heeft als de achtergrond Net als alle vlinders heeft de atlasvlinder vier vleugels; twee voorvleugels aan de voorzijde en twee achtervleugels aan de achterzijde. De vleugels zijn verbonden aan het tweede (voorvleugel) en het derde (achtervleugel) borststuksegment. De voorvleugel is het grootst en heeft een enigszins driehoekige vorm. De voorvleugel bestaat uit drie velden; een klein lichter gekleurd veld aan de basis, een middendeel dat donkerder gekleurd is en ongeveer de helft van de voorvleugel beslaat. De ander helft, met de grens op ongeveer de verticale breedte, is lichter van kleur en heeft aan de bovenzijde een duidelijke, haakvormige uitstulping naar de buitenzijde. Waar de uitstulping begint is een blauwe vlek aanwezig, het oppervlak van de uitstulping zelf heeft aan de onderzijde een donkere streep. Met enige fantasie lijkt deze vleugeluitloper op de kop van een slang en een alternatieve naam voor de vlinder in andere talen is slangenkopvlinder, zoals het Engelse 'snake head moth'. Het is waarschijnlijk dat de vlek een functie heeft bij de passieve verdediging. Vijanden die hun prooien opsporen middels visuele herkenning kunnen zo worden afgeschrikt als ze de 'slang' ontwaren. De atlasvlinder is ondanks de grote vleugels en de vogel-achtige verschijning in de lucht geen behendige vlieger.

De spanwijdte kan 20 tot 29 centimeter bedragen. De mannetjes blijven aanmerkelijk kleiner, de vlucht blijft bij een mannetje rond de twintig cm. De atlasvlinder behoort hiermee tot de grootste vlinders ter wereld, het is de grootste Aziatische soort. Wat betreft vleugeloppervlak is het zelfs de grootste soort ter wereld. Er zijn maar weinig vlinders die een grotere spanwijdte bereiken, voorbeelden zijn de Zuid-Amerikaanse soort Thysania agrippina en de Alexandra's vogelvlinder uit Papoea-Nieuw-Guinea. Deze twee soorten kunnen een vlucht van meer dan dertig centimeter bereiken. Het vleugeloppervlak van deze soorten is echter kleiner dan de atlasvlinder, het oppervlak van deze soort kan tot 400 vierkante cm bedragen.

De vleugels zijn opvallend en hebben een complex patroon van kleuren en vlakken. De vleugelkleuren wijken per ondersoort wat af en kunnen variëren van geelbruin tot bordeauxrood en kastanjebruin. De kleuren worden net als bij alle vlinders gevormd door zeer kleine schubben die pigmenten bevatten, de vleugels zelf zijn net als bijvoorbeeld vliegen of wespen doorzichtig en vliezig. De vleugels van de atlasvlinder zijn voorzien van zogenaamde fenestrae of vensters, dit zijn delen van de vleugel die juist ongeschubd zijn waardoor er een doorzichtig deel ontstaat. Dit komt ook voor bij andere soorten, zoals de wespvlinders. Bij de atlasvlinder heeft de voorvleugel twee van dergelijke vensters en de achtervleugel een. De functie van de vleugelvensters is waarschijnlijk het deels laten wegvallen van de lichaamsvorm van de vlinder tegen de achtergrond, zodat vijanden de vlinder moeilijker kunnen zien.

Achterlijf Het achterlijf bevat de organen van de vlinder zoals het spijsverteringsstelsel. Aan de achterzijde van het achterlijf bevinden zich de geslachtsorganen en bij vrouwtjes een klier die feromonen afgeeft. Het achterlijf is duidelijk gesegmenteerd, de segmenten zijn te zien als donkere dwarsbanden. Net als het borststuk is het achterlijf bedekt met een oranjebruine beharing. Het achterlijf is in vergelijking met de vleugels erg klein.

De flanken van het achterlichaam zijn net als de poten aan de bovenzijde niet te zien omdat ze onder de vleugels gepositioneerd zijn. Deze delen hebben een opvallend patroon van drie rijen vlekjes, per segment zijn drie vlekken aanwezig. De bovenste vlekkenrij is het grootst, de middelste het kleinst. De onderste twee rijen vlekken bestaan uit witte, zeer grillige en per vlek afwijkende lijnen. De vlekken van de bovenste rij zijn veel regelmatiger en rond tot eirond. Ze bestaan uit een dunne, donkere rand met daarbinnen een lichtere tot witte rand, het grootste deel van de vlek is vaak hetzelfde als de rest van het achterlijf maar iets donkerder. Het centrum van de vlekken in de bovenste rij heeft een donkere kleur.

Onderscheid met andere soorten

De atlasvlinder is een onmiskenbare verschijning maar er zijn enkele soorten die een vergelijkbaar vleugelpatroon hebben en met de soort verward kunnen worden. Een voorbeeld is Rothschildia jacobaeae, die vergelijkbare vleugelkleuren en vensters in de vleugels heeft. Deze soort heeft er echter twee, één in de voorvleugel en een grotere in de achtervleugel. De spanwijdte van deze soort is kleiner, tot ongeveer 15 centimeter. In het veld zullen de twee soorten nooit door elkaar gehaald kunnen worden doordat Rothschildia jacobaeae alleen bekend is uit Zuid-Amerika. De vleugelvensters komen ook bij andere Rothschildia-soorten voor, waardoor ze als de Amerikaanse versie van de atlasvlinder worden gezien.

Een andere gelijkende vlinder is de hemelboomvlinder (Samia cynthia), die een spanwijdte van ongeveer 13 centimeter heeft.Saturniidae of Europa - Genus Samia - Website. Gearchiveerd op 11 mei 2021. Deze soort heeft eveneens bruine en gele kleuren en vier vleugelvensters, in iedere vleugel een. De vensters zijn bij de hemelboomvlinder echter altijd halvemaanvormig. De hemelboomvlinder komt net als de atlasvlinder voor in Azië.

Andere vlinders die enigszins lijken op de atlasvlinder zijn die van de geslachten Callosamia en Hyalophora, die beide voorkomen in Noord-Amerika. Deze soorten hebben bruine tot gele en rode vleugelkleuren en lichtere vleugelvlekken. Ook draagt de vleugelpunt een oogvlek, die doet denken aan de 'slangenkop' van de atlasvlinder.

Verspreiding en habitat thumb|right|260px|Verspreidingsgebied in het rood. De atlasvlinder is een bewoner van grote delen van Zuidoost Azië, grofweg van Afghanistan tot Japan. De atlasvlinder komt voor in de landen Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, China, Filipijnen, Korea, India, Indonesië, Japan, Laos, Maleisië, Myanmar, Nepal, Papoea-Nieuw-Guinea, Taiwan, Thailand en Vietnam. In China komt de vlinder voor in een groot gebied, het areaal beslaat de Provincies Fujian, Guangdong, Guangxi, Hebei, Henan, Hainan, Hubei, Hunan, Jiangsu, Jiangxi, Jilin, Liaoning, Sichuan, Yunnan, Tibet en Zhejiang. De verspreidingskaart rechts toont niet de exacte verspreiding maar alleen de landen waarin de vlinder voorkomt.

De atlasvlinder leeft in bosachtige streken in tropische en subtropische gebieden. Zowel in primaire bossen, die nog ongerept zijn, als in secundaire bossen die door de mens zijn aangepast is de soort te vinden en ook op plantages van geschikte voedselplanten vindt de atlasvlinder een uitstekend biotoop.