Filosofie of wijsbegeerte is het verlangen en streven naar kennis en wijsheid. Het is de oudste theoretische discipline waarin dit menselijke streven tot uitdrukking komt. De filosofie houdt zich bezig met fundamentele vragen over het bestaan, de werkelijkheid, de rede, waarden, taal en het menselijke verstand. Filosofie is een centraal element in de intellectuele geschiedenis van een cultuur.
De belangrijkste tradities in de geschiedenis van de filosofie zijn de westerse, Arabisch-Perzische, Indische en Chinese filosofie. De westerse filosofie vindt haar oorsprong in het oude Griekenland en bestrijkt een groot aantal filosofische deelgebieden. Veel moderne wetenschapsdisciplines, zoals natuurkunde en psychologie, zijn historisch gezien deels voortgekomen uit filosofische vraagstelling.
Belangrijke takken van de filosofie zijn de epistemologie, axiologie (ethiek en esthetica), logica en de metafysica (inclusief zijnsleer of ontologie). Epistemologie bestudeert wat kennis is en hoe men deze kan verwerven. Axiologie betreft de waarden en waardeoordelen, zoals in de ethiek en de esthetiek. Ethiek houdt zich bezig met het vaststellen van morele principes – de kritische bezinning op het juiste of onjuiste handelen. Logica is de studie van het correcte redeneren, en onderzoekt hoe goede argumenten van drogredenen kunnen worden onderscheiden. Metafysica en ontologie onderzoeken de fundamentele beginselen achter de waarneembare werkelijkheid, met haar objecten en eigenschappen.
Filosofen proberen met verschillende methoden tot antwoorden en inzicht te komen. Ze maken daarbij gebruik van conceptuele analyse, het logische verstand of intuïtie, het poneren van gedachte-experimenten, het analyseren van taal, en het kritisch redeneren. Filosofie heeft een richtinggevende invloed in vakgebieden als de natuurwetenschappen, wiskunde, bedrijfskunde, recht en journalistiek.
Oorsprong van het begrip filosofie thumb|Auguste Rodin, Le Penseur, 1880-82 In het Oudgrieks is het woord philosophía (φιλοσοφία) een samenstelling van de woorden voor liefde (φιλέω = ik houd van, φιλεῖν = houden van, φίλος = vriend, φιλία = vriendschap) en voor wijsheid (σοφία = wijsheid).
Oorspronkelijk betekende filosofie dus eenvoudig: "liefde voor wijsheid". Het woord filosoof verving het woord sofist, dat "wijze mannen" of leraren in de retorica aanduidde. Enkele van de vroege sofisten waren wat men nu filosofen zou noemen. In de dialogen van Plato stelt Socrates vaak filosofen tegenover sofisten, die Socrates karakteriseert als oneerlijk en destructief, omdat ze hun onwetendheid camoufleren achter woordspelingen en vleierij, en anderen pogen te overtuigen van wat onwaar en zonder grond is. Aristoteles nam deze visie op de sofisten van Socrates en Plato over. "Sofist" verwijst nog steeds naar de beoefenaar van lege redenaarskunst, zonder enige interesse in wijsheid of waarheid.
De introductie van de term "filosofie" werd toegeschreven aan de Griekse denker Pythagoras: "De vita et moribus philosophorum", I, 12; Cicero: "Tusculanae disputationes", V, 8-9). Deze verwijzing is waarschijnlijk gebaseerd op een verloren gegaan werk van Herakleides Pontikos, een leerling van Aristoteles. Het wordt beschouwd als deel van de wijdverspreide pythagorische legenden uit die tijd.
Filosofie en 'filosoferen' was volgens Aristoteles de verhevenste, goddelijkste menselijke bezigheid, die de mens tot mens maakt, en een bron van vreugde is. In zijn "Uitnodiging tot de filosofie" stelt hij: "...want intelligentie is de god in ons..." en "Het stoffelijke leven heeft een goddelijk gedeelte", en nog: "Zodoende is de mens verplicht te filosoferen, of anders afscheid te nemen van het leven; want alle andere activiteiten zijn slechts prullen in verhouding tot het filosoferen".
De Nederlandse leenvertaling "wijsbegeerte" duikt pas in 1661 voor het eerst op, en is bijgevolg, in weerwil van de overlevering niet afkomstig van Simon Stevin.Instituut voor de Nederlandse taal. WIJSBEGEERTE. 1991. Geraadpleegd via https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M086320&lemmodern=wijsbegeerte&domein=0&conc=true op 21 mei 2021
Mogelijke definities en afbakening Voor sommigen is de definitie van filosofie eenduidig, voor anderen vormt ze een metafilosofisch probleem. Een mogelijke omschrijving is dat het de studie is van de betekenis en geldigheid van het menselijk denken, en van overtuigingen omtrent de algemene, universele aspecten van het bestaan: heelal, entiteiten of subjecten, objecten of dingen en hun onderlinge samenhang. Deze studie gebeurt zonder experimenten of zorgvuldige waarneming: filosofie is geen empirische maar een normatieve wetenschap. Men baseert zich op redeneringen en gedachte-experimenten. Er is dus geen sprake van een empirisch bewijs voor een filosofische visie of theorie. Het is zinloos te vragen naar bewijzen voor Plato's ideeënleer. Voor sommige empirische wetenschappers is filosofie dan ook geen wetenschap. Maar iedere wetenschap vooronderstelt sowieso enkele a-priorische principes.
Het domein van de filosofie bestond van oudsher uit "alle intellectuele inspanningen". Filosofie geldt sinds lang als de studie van abstracte, niet-experimentele, intellectuele inspanning. "Filosofie" blijft dus een lastig te definiëren begrip, en "wat is filosofie" is zelf een filosofische vraag. Sommige filosofen richten zich op specifieke technische kwesties, anderen houden zich bezig met de interrelatie tussen religie, wetenschap en kunst.
Ted Honderich, blz. 666 in "The Oxford Companion to Philosophy," Oxford University Press 2005, aangehaald in , "Over wetenschappelijk denken," Acco 2019, na vertaling door Sylvia Wenmackers. formuleert het als volgt:
"De kortste definitie, en het is best een goede, is dat filosofie denken over denken is. Dat brengt het algemene tweede-ordekarakter van het onderwerp goed tot uiting: een reflectieve gedachte over bepaalde manieren van denken - de vorming van overtuigingen, claims op kennis - over de wereld of grote delen ervan."
"Een meer gedetailleerde, maar nog steeds onbetwistbaar veelomvattende definitie is dat filosofie rationeel kritisch denken is, van een min of meer systematische aard, over: de algemene aard van de wereld (metafysica of zijnsleer); de rechtvaardiging van overtuigingen (epistemologie of kennisleer); het handelen in het leven (ethiek of de leer van waarden)."
De filosofie houdt zich dus bezig met dezelfde objecten als veel andere wetenschappelijke disciplines, maar onderscheidt zich met een eigen benadering, waarin het "Zijn" en het zoeken naar een allesomvattende samenhang centraal staan.
Het denken is in de filosofie het eigenlijke middel, terwijl religie en kunst in de eerste plaats een beroep doen op gevoel en geloof. In de oudheid en de middeleeuwen was filosofie nauw verweven met de overige wetenschappen, die als het ware in de filosofie besloten lagen, en met kunst en religie. In de Westerse geschiedenis is hier sinds de renaissance verandering in gekomen.
Zowel Plato als - veel later - Hegel meenden dat de filosofie een geheel eigen methodologie had, die ze beiden dialectiek noemden, zij het ieder met een eigen invulling. Henri Bergson zag de intuïtie als de voornaamste filosofische methode. Volgens Ludwig Wittgenstein was dit het "blootleggen van nonsens" en volgens Moritz Schlick verheldering, terwijl Edmund Husserl de basis van de filosofie in de fenomenologie zocht, en deze basis volgens David Hume in empirisch onderzoek en volgens Spinoza in de geometrie lag. In de 19e eeuw stelden onder anderen Rudolf Hermann Lotze en James Ward net als Plato dat de filosofie zich hoofdzakelijk met betekenis, waarden en doelen bezighield, niet met pure wetenschap en feiten als zodanig. William James definieerde de filosofie als "een collectieve benaming voor vragen die niet naar tevredenheid van alle vragers zijn beantwoord". Hij suggereerde daarmee dat de filosofie eigenlijk geen aparte discipline vormde, maar volledig kon worden gedesintegreerd om op te gaan in andere wetenschappen. Aristoteles beweert in zijn Metafysica echter het tegengestelde; hij onderscheidt een aparte wetenschap die "het Zijn als het Zijn onderzoekt". Hegel en Benedetto Croce stellen de filosofie op één lijn met de cultuurwetenschappen, terwijl Karl Popper vooral veel raakvlakken met de kosmologie ziet. Rudolf Carnap meent dat het werkgebied van de filosofie in feite beperkt is tot het beschrijven van taal, en deze opvatting heerste in de twintigste eeuw ook in het Verenigd Koninkrijk.Edwards, P. The Encyclopedia of Philosophy. New York/Londen, 1967.
Thema's binnen de filosofie De bronnen van een filosofische studie bestaan meestal uit de teksten van andere filosofen. Centraal bij de bestudering van teksten staat steeds een bepaald onderwerp of thema, waaromtrent bepaalde argumentaties zijn ontwikkeld. Een filosofische tekst is echter nooit los van een context gesitueerd of geschreven, de argumentatie komt niet zomaar uit het niets. Er wordt dan ook geprobeerd om een tekst in zijn oorspronkelijke of huidige context te begrijpen. Deze interpretatiekunde van filosofische teksten wordt hermeneutiek genoemd.
Filosofie is ook de studie van de opvattingen, visies en theorieën van andere filosofen, ofwel metafilosofie. Een filosoof zal de dingen van andere filosofische tradities bekritiseren: sommige dingen zal hij overnemen en/of corrigeren; andere zal hij afwijzen. Het aangaan van de discussie met andere filosofen wordt ook wel dialectiek genoemd. Er zijn binnen de filosofie weinig onderwerpen of aspecten te bedenken waarover algehele consensus bestaat. Men zou deze kritische houding zelfs als een wezenlijk kenmerk van de filosofie kunnen beschouwen: een niet principieel betwistbaar standpunt kan in feite niet als filosofisch worden opgevat, maar enkel als dogmatisch.
Filosofen zijn dus tevens uniek in de mate waarin zij van mening verschillen over het domein en de definitie van hun vakgebied. De procedures die in het verleden binnen de filosofie zijn gebruikt om vraagstukken op te lossen lopen sterk uiteen; sommige van hun argumenten kunnen tot de formele wetenschap worden gerekend omdat ze bijvoorbeeld overeenkomen met methoden in de wiskunde, terwijl andere argumenten er meer op gericht zijn bepaalde hypothesen omver te werpen door een beroep te doen op de alledaagse waarneming.
Stromingen Het empirisme staat tegenover het innatisme, waarbij feitelijk alle menselijke kennis als aangeboren wordt beschouwd, en tegenover het rationalisme. Twee belangrijke filosofen van deze laatste stroming zijn René Descartes en Gottfried Wilhelm Leibniz. In het verlengde hiervan kan het intellectualisme worden beschouwd als de tegenpool van het sensualisme.
Wat betreft de geldigheid van menselijke kennis, zijn er twee hoofdstromingen: het kennistheoretisch of "naïef" realisme dat stelt dat het bewustzijn de dingen waarneemt zoals deze zijn, het idealisme, dat stelt dat alles wat het bewustzijn waarneemt slechts voorstellingen zijn, terwijl de "echte" werkelijkheid nooit rechtstreeks waarneembaar is.
Filosofische deelgebieden thumb|Klassieke weergave van de filosofie en de als een van de zeven vrije kunsten, uit de Hortus deliciarum van Herrad von Landsberg. Filosofie is een breed gebied, met veel specialistische deelgebieden (vakdisciplines).
In de Griekse oudheid besloeg filosofie het gehele gebied van de menselijke kennis. Zowel het bestuderen van de sterren als de menselijke natuur was het object van de natuurfilosofie. De natuurfilosofie werd later opgesplitst in specialistische vakgebieden als de astronomie, natuurkunde, biologie en de psychologie, beoefend door moderne wetenschappers. In de 18e eeuw stelde de Duitse filosoof Immanuel Kant zich in zijn Kritik der reinen Vernunft (1778) de vraag wat dan wel het onderwerp van de moderne filosofie was of diende te zijn. Hij ging daarbij uit van vier filisofische, fundamentele kernproblemen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen?