De monarchvlinder (Danaus plexippus), ook wel monarch of Amerikaanse monarch, is een vlinder uit de familie Nymphalidae. Monarchvlinders maken deel uit van de superfamilie Papilionoidea, die in het Nederlands meestal dagvlinders worden genoemd.

De monarchvlinder is een van de bekendste vlindersoorten van Noord-Amerika. De Noord-Amerikaanse populaties trekken in de lente in grote aantallen naar het noorden, waarbij zich verschillende generaties ontwikkelen. Zij keren in de herfst terug naar het zuiden, waar de soort in enorme groepen overwintert.

De monarchvlinder is een vrij grote vlinder. De totale lichaamslengte is ongeveer 5 centimeter en de spanwijdte bedraagt tot 10 centimeter. De vleugels zijn opvallend gekleurd, waarbij de hoofdkleur oranje is. Het vleugeloppervlak wordt door de zwarte vleugeladering verdeeld in vleugelcellen. De vleugelrand heeft een brede zwarte zoom met daarin vele kleine witte vlekjes.

De monarchvlinder komt van oorsprong voor in Noord- en Zuid-Amerika en kent verschillende populaties. De ondersoort megalippe trekt niet en komt vooral op eilanden in het Caribisch Gebied voor. De ondersoort nigrippus is eveneens geen trekker. Deze ondersoort komt voor in Midden-Amerika ten zuiden van Nicaragua, en in het noorden van Zuid-Amerika. De ondersoort plexippus, de nominaatvorm, komt voor in Noord-Amerika. Deze ondersoort bestaat uit twee populaties die door de Rocky Mountains van elkaar gescheiden zijn: een kleinere in het westen en een veel grotere in het oosten. Deze beide populaties hebben gemeen dat ze in de lente uit hun overwinteringsplaatsen komen om in de zomer naar het oosten en noorden te trekken. Tijdens deze trek zetten de vrouwtjes eitjes af en ontwikkelt zich een tweede generatie die verder noordwaarts vliegt. Dit proces herhaalt zich vervolgens een aantal keer. De vlinders volgen hierbij de zich noordwaarts verplaatsende groei van de plantensoorten die als voedsel voor de larven dienen. De rupsen kunnen zich namelijk enkel ontwikkelen op geschikte waardplanten.

De vertegenwoordigers van de oostelijke populatie kunnen door hun trekgedrag in grote delen van de wereld worden aangetroffen. De monarchvlinder komt oostwaarts voor tot delen van noordelijk Afrika en in delen van Europa. Westelijk heeft de monarchvlinder Australië en grote delen van Azië bereikt. De monarchvlinder is niet de enige migrerende vlindersoort, maar spant wat betreft de afgelegde afstanden de kroon. De monarchvlinder legt afstanden af tot 4500 kilometer vanaf de geboortegrond. De uiteindelijke nakomelingen van hun nakomelingen trekken in de herfst van het noorden van de Verenigde Staten weer terug naar het zuiden van Mexico om te overwinteren. Hier verzamelen ze zich in enkele beboste gebieden in reusachtige groepen op bomen. Sommige groepen overwinterende monarchvlinders kunnen in totaal meer dan 20 miljoen exemplaren bevatten. De volwassen monarchvlinder leeft ongeveer twee tot vijf weken, de wintergeneratie kan echter een leeftijd van wel acht tot negen maanden bereiken.

De rupsen eten de bladeren van verschillende soorten planten uit het geslacht Asclepias. Deze planten zijn giftig en de rupsen maken hier gebruik van door de giftige verbindingen in het lichaam op te slaan. Hierdoor worden ze zelf ook giftig zonder daar last van te hebben. Het lichaam van de volwassen vlinder behoudt de als rups bij elkaar gegeten gifstoffen. Zowel de rups als de vlinder worden hierdoor gemeden door veel insecteneters.

Naamgeving en taxonomie

thumb|left|Mannetje op vlinderstruik

De wetenschappelijke naam van de soort werd als Papilio plexippus in 1758 door Carl Linnaeus gepubliceerd in de 10e druk van Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 471 (website Biodiversity Heritage Library). Papilio plexippus is hier soort nummer 80 van het grote geslacht Papilio, dat in deze editie 192 soorten telt, en alle vlinders omvat die later met de term "dagvlinders" werden aangeduid. Linnaeus geeft daar naast het binomen ook een nomen specificum legitimum,Het nomen specificum dat Linnaeus hier van de soort geeft luidt: "P[apilio] D[anai festivi] alis integerrimis fulvis : venis nigris dilatatis, margine nigro punctis albis" [vertaling: "Een Papilio uit de groep Danai festivi (zie boven soort 75 op p. 470 van Systema naturae) met volledige (= niet gerafelde of gehakkelde), bruingele vleugels met brede zwarte aders en een zwarte zoom met witte puntjes."] De Danai festivi ("festivus" is "feestelijk"), soort 75 t/m 87, zijn de gekleurde Danai, in tegenstelling tot de Danai candidi ("candidus" is "blinkend wit"), soort 56 t/m 74, waaronder Linnaeus bijvoorbeeld de koolwitjes schaart. waaronder geen verdere beschrijving te vinden is maar alleen vier referenties naar eerdere publicaties over de soort. De eerste is van James Petiver, auteur van Musei Petiveriani, dat tussen 1695 en 1703 verscheen. In deel 6–7, uitgegeven in 1699, is op pagina 52,en niet op de door Linnaeus fout geciteerde pagina 58. bij het door Linnaeus geciteerde nummer 527, een korte Latijnse beschrijvende naam te vinden, en het commentaar dat de chirurg dokter Robert Rutherford deze soort, en de volgende (nummer 528), voor hem uit Carolina (toen nog één provincie) had meegebracht. (1699). Musei Petiveriani, Centuria 6 & 7: 52 (Google books). Daar staat bij nummer 527: "Papilio Carolinianum rufescens, limbis nigris, albis guttulis aspersis" [vertaling: "Een roodachtige Papilio uit Carolina, met [vleugels met] een zwarte zoom met witte druppels besprenkeld], en het commentaar: "This, and the following [number], Mr. Robert Rutherford, surgeon, brought me from Carolina." Bij nummer 528 geeft Petiver de naam: "Papilio Carolinianum rufescens, limbis nigris, albis guttulis aspersis, bimaculatus" en het commentaar: "I suppose this and the last are Male and Female." (= Ik veronderstel dat deze en de vorige mannetje en vrouwtje zijn). Het enige verschil met nummer 527 is "bimaculatus" (= met twee vlekken), wat inderdaad het verschil tussen het mannetje (528) en het vrouwtje (527) is. Dit is voor zover bekend de eerst gepubliceerde, nogal summiere, vermelding van de soort. De tweede referentie is Historia insectorum van John Ray, dat in 1710 postuum verscheen. Linnaeus verwijst naar de 3e soort van pagina 138 van dat werk, waar naast een beschrijvende naam en een referentie naar Petiver, ook de eerste uitgebreide beschrijving, in het Latijn, van (de vleugels van) de soort te vinden is. (1710). Historia insectorum: 138 (website Biodiversity Heritage Library). Ray geeft als "naam" "Papilio Jamaicensis major, alis amplissimis, media parte fulvis cum nervis nigris, marginibus nigris, maculis et punctis albis crebris pulchre respersis" [vertaling: "Een grote Papilio van Jamaica, met zeer grote vleugels, waarvan het middelste deel geel is met zwarte aders, de randen zwart en fraai besprenkeld met dicht opeen staande witte vlekken en stippen."] De derde referentie is A voyage to the islands Madera, Barbadoes, Nieves, St. Christophers, and Jamaica, deel 2, van Hans Sloane, dat in 1725 verscheen. Op pagina 214 zijn twee Latijnse namen te vinden, dezelfde als die eerder al door Ray en Petiver waren gepubliceerd, met uiteraard referenties naar die twee auteurs. (1725). A voyage to the islands Madera, Barbadoes, Nieves, St. Christophers, and Jamaica 2: 214 (website Biodiversity Heritage Library). Van de laatste wordt niet alleen nummer 527 genoemd maar ook zijn twee voorgaande nummers worden door Sloane als mogelijk dezelfde soort opgevoerd.Bij Petiver is onder nummer 525 de naam "Papilio Novae Angliae aurantiacus, maculis albis, limbis et venis angustis nigricantibus", te vinden, en de opmerking "Mr. Benjamin Bullivant first sent me this, caught by Mr. Hezekiah Usher, about Boston in New-England" en onder nummer 526 de naam "Papilio marianus aurantiacus, maculis albis, limbis et venis latis nigricantibus" en de opmerking "This and the last I take to be Male and Female". Vervolgens geeft hij nog een beknopte Engelse beschrijving van de kop, het borststuk en de vleugels. De volgende soort die Sloane noemt is nummer 528 van Petiver, die daarover oorspronkelijk opmerkte dat dit wellicht de andere sekse van dezelfde soort betrof. Sloane merkt alleen op dat de tweede soort vaak met de eerste samen wordt gezien. De laatste auteur die door Linnaeus aangehaald wordt is Mark Catesby. Catesby's The Natural History of Carolina deel 2, waarvan de platen 81 t/m 100 voor het eerst in 1743 verschenen, bevat een korte beschrijving in het Engels en Frans maar vooral een duidelijke plaat, in kleur: T. 88. (1743). The Natural History of Carolina 2: T. 88 (website Biodiversity Heritage Library).

De soort werd in 1780 door Jan Krzysztof Kluk in het geslacht Danaus (spreek uit: dana-us) geplaatst. (1780). Zwierząt domowych i dzikich osobliwie kraiowych, historyi naturalney początki i gospodarstwo deel 4: 85, soort 51. Het geslacht Papilio, dat bij Linnaeus' eerste publicatie ervan nog alle "dagvlinders" omvatte, heeft sindsdien een veel nauwere omschrijving gekregen en is nu beperkt tot soorten uit de familie Papilionidae, waartoe alle grote pages behoren. De monarchvlinder wordt nu in de onderfamilie Danainae van de familie Nymphalidae geplaatst, een heel andere familie. Het kenmerk van de vertegenwoordigers van deze familie is dat ze sterk verkleinde voorpootjes hebben, die voornamelijk als poetspoten gebruikt worden.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Danaus is afgeleid van Danaos. Dit was een figuur uit de Griekse mythologie, koning van Libië, die met zijn vijftig dochters, de Danaïden, van Libië naar Argos vluchtte om de meisjes te redden van een gedwongen huwelijk met de vijftig zonen van Aigyptos, zijn tweelingbroer. Het epitheton plexippus is eveneens afkomstig uit de Griekse mythologie, en verwijst naar Plexippus, een van de vijftig zonen van Aigyptos. Deze Plexippus trouwde (uiteindelijk toch) met Amphicomone, een van de vijftig dochters van Danaos (en werd door haar in de huwelijksnacht gedood).In de Griekse mythologie komen meerdere figuren voor die de naam Plexippos (of Plexippus) dragen. Dat geeft weleens aanleiding voor verwarring; de context van Systema naturae waarin Linnaeus nog een aantal verwante vlinders naar Danaïden en zonen van Aigyptos vernoemde, maakt echter voldoende duidelijk welke Plexippus hier bedoeld werd.

De Nederlandstalige naam monarchvlinder betekent koningsvlinder en deze naam wordt ook in andere talen gebruikt. De naam komt van de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje die ook koning van Engeland was. Europese protestanten, die naar Amerika emigreerden om aan vervolging door de katholieken te ontkomen, gaven de vlinder de naam vanwege de oranje kleur. Regionaal heeft de vlinder andere namen, in Australië wordt de naam wanderer gebruikt, wat zwerver betekent.

Synoniemen De namen in de volgende lijst zijn synoniemen in de zin dat ze dezelfde soort vertegenwoordigen. Enkele zijn wél een ander taxon omdat ze een andere ondersoort of vorm zijn.

Indeling

thumb|De dagpauwoog is verwant aan de monarchvlinder.

De familie Nymphalidae waarin de monarchvlinder wordt geplaatst, herbergt onder andere de dagpauwoog (Aglais io) en de gehakkelde aurelia (Polygonia c-album).

In de onderfamilie Danainae worden verschillende geslachten geplaatst van vlinders die voornamelijk voorkomen in de tropen. In de Engelse taal wordt de groep milkweed butterflies genoemd, wat vertaald kan worden met zijdeplant-vlinders, en verwijst naar de planten waarop de rupsen leven (planten uit het geslacht Asclepias). Een Nederlandstalige naam voor deze onderfamilie is er (nog) niet, al wordt de naam 'monarchvlinders' wel gebruikt.

Er zijn meerdere soorten binnen de Danainae die trekken en grote afstanden kunnen afleggen, maar de monarchvlinder spant de kroon en is de enige soort die – althans in Amerika – zijn voedselplant volgt in een serie van meerdere generaties en over afstanden van duizenden kilometers.