De kunstverzameling Jacques Goudstikker was in de eerste helft van de 20e eeuw een zeer omvangrijke kunstverzameling beeldende kunst van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in handen was gekomen van nazi-kopstuk Hermann Göring. De oorspronkelijke collectie van Jacques Goudstikker in de meidagen van 1940 zou nu meer dan honderd miljoen euro waard zijn.
Kunsthandel Goudstikker thumb|Herengracht 458 in 1951, het voormalige kunsthandel Goudstikker-pand te koop
De kunsthandel Goudstikker was de omvangrijkste, invloedrijkste en meest gespecialiseerde van heel Nederland. Goudstikker verhandelde werken van zeventiende-eeuwse Nederlandse schilders als Rembrandt, Willem van de Velde de Oude, Salomon van Ruysdael en Jan van der Heyden op een wijze zoals dat nu met dergelijke topstukken niet meer mogelijk is, omdat deze alleen nog bij uitzondering publiek geveild worden en eigenlijk tot museumstukken uitgegroeid zijn. Enkele andere topstukken: Claude Lorrain, Jan van Goyen, Jan Steen, Gerard ter Borch, Filippino Lippi en Jacopo del Casentino.
Tweede Wereldoorlog Vlucht De Joodse kunsthandelaar Goudstikker en zijn gezin ontvluchtten na de Duitse inval Nederland op het schip Bodegraven. Goudstikker overleed tijdens de overtocht. De kunsthandel bleef met een handelsvoorraad van 1113 genoteerde kunstvoorwerpen onbeheerd achter, aangezien de door Goudstikker aangesteld gevolmachtigde advocaat A. Sternheim begin mei plotseling was overleden en Goudstikker nog geen opvolger had benoemd. Twee personeelsleden, A.A. ten Broek en J. Dik sr, namen de leiding van de zaak op zich, waarna Ten Broek op 3 juni 1940 tijdens een voor besluitvorming bijeengeroepen buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders tot directeur van de NV werd benoemd.Archief Amsterdam, toegang 1341 Inv 95, blz.20. Verhandeling door A.E.D, Saher over de lotgevallen van de Kunsthandel J. Goudstikker. Er is sprake geweest over rechtsgeldigheid, maar het is niet duidelijk of dit de vergadering van 3 juni 1940 betrof of de benoeming van Arie Albertus ten Broek als Directeur. Vrijwel direct daarop deed Alois Miedl zijn intrede in de zaak en trok de feitelijke leiding naar zich toe.
Verkoop Miedl was een Duitser, die al sinds 1932 in Nederland resideerde en zich als gefortuneerd man onledig hield met diverse investeringsmaatschappijen en die daarnaast zelf een zakenbank exploiteerde. Op 1 juli 1940 sloten Ten Broek en Miedl een overeenkomst. Miedl zou voor ƒ 300.000 (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit: € 2.000.000) alle onroerende goederen aanschaffen. Alle andere goederen (inclusief alle schilderijen) zou Miedl aanschaffen voor ƒ 2.250.000 (waarde 2005: € 15.500.000). Overeengekomen was dat de overeenkomst zou vervallen, indien de betaling (cheque) niet binnen 3 dagen zou zijn gehonoreerd. Miedl kon niet betalen, en de termijn werd verlengd tot 12 juli 1940. Miedl stuitte op twee problemen. In de eerste plaats op geldgebrek, en in de tweede plaats op verzet van de officiële koper voor Göring: Walter Andreas Hofer. Voor Göring moest Miedl natuurlijk buigen. De overeenkomst van 1 juli 1940 werd ontbonden. Zij werd vervangen door 2 nieuwe overeenkomsten. Op 13 juli 1940 verkocht Ten Broek aan Göring voor ƒ 2.000.000 (waarde 2005: € 13.750.000) de rechten op alle schilderijen, tekeningen, antiquiteiten en verdere kunstvoorwerpen, die zich op 26 juni 1940 in Nederland bevonden en toen eigendom waren van de naamloze vennootschap.Archief Amsterdam, toegang 1341 Inv 95, blz.28 ev. Verhandeling door A.E.D, Saher over de lotgevallen van de Kunsthandel J. Goudstikker.De verkoop aan Göring
Göring kocht alle 1113 geïnventariseerde schilderijen en kunstvoorwerpen tegen hoogstens een zesde van de werkelijke waarde; een transactie die op naasting lijkt. Bij de verkoop aan Göring behoorden overigens ook drie plafondstukken van Gerard de Lairesse, aanwezig in de zoldering van een van de vertrekken van het pand Herengracht 458 waar Goudstikkers kunsthandel was gevestigd. Nadat de panelen van de plafonds waren losgemaakt werden ze naar Berlijn getransporteerd, evenals de ruim 780 schilderijen die onmiddellijk door Göring zelf werden meegenomen.
Voortzetting kunsthandel Miedl had echter nog altijd zijn zinnen gezet op de kunsthandel, want die wilde hij zelf voortzetten. Hij kocht dus van Ten Broek voor ƒ 500.000 (waarde 2005: € 3.400.000): alle aandelen in schilderijen, die deels aan anderen toebehoorden de bibliotheek de cartotheek de wapenverzameling op Nijenrode de inventaris van Nijenrode de inventaris van Herengracht 458 alle onroerende goederen (kasteel Nijenrode, buitenplaats Oostermeer en de kunsthandel aan de Herengracht 458, te Amsterdam) het recht op de handelsnaam "Kunsthandel J. Goudstikker NV"
Om zijn dank te uiten, verkocht Göring op uiterst vriendelijke handelscondities een deel van de collectie onmiddellijk door aan Miedl, die daarmee zeer lucratief de kunsthandel J. Goudstikker NV voortzette tijdens de oorlogsjaren. Er zou ook toegezegd zijn dat de achtergebleven 70-jarige moeder van J. Goudstikker op bescherming van Göring kon rekenen en dat haar vermogen niet zou worden vervreemd.Zij werd in de loop van de oorlog ondergebracht bij notaris Arnold van den Bergh. De weduwe Goudstikker weigerde de haar door Ten Broek gevraagde toestemming voor de verkoop te verlenen. Ten Broek en partner Dik, de Duitse kopers goed gezinde medewerkers, kregen elk voor hun diensten 180.000 NLG, de rest van het personeel 40.000 NLG. Dit was een riante vergoeding aangezien hun maandloon destijds 600 NLG bedroeg.Archief Amsterdam, toegang 1341 Inv 95, blz.38 ev. Verhandeling door A.E.D, Saher over de lotgevallen van de Kunsthandel J. Goudstikker. De beloning voor bewezen diensten Notaris Arnold van den Bergh redigeerde de aktes.Archief Amsterdam, toegang 1341 Inv 95, blz.49 ev. Verhandeling door A.E.D, Saher over de lotgevallen van de Kunsthandel J. Goudstikker. Totaal notaris kosten periode 1 juli 1940 -31 december 1945, Fl.15.238,86.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou Miedl met zijn kunsthandel meer dan 3200 schilderijen, waarde ruim 18 miljoen, in nazi-Duitsland verkopen. Aldus werd de naam Goudstikker bezoedeld. Miedl vluchtte in 1944 naar Spanje en werd weer bankier. Hij overleed in 1970. De 25 schilderijen die hij had meegenomen naar Spanje, van onder anderen Gerard Dou, Frans Hals en Antoni van Dijck, zijn nooit meer teruggevonden.
Naoorlogse periode 1945-2006
De teruggekeerde kunstwerken werden na de oorlog door de Nederlandse overheid als "vijandelijk vermogen" in beslag genomen, terwijl het eigenlijk ging om roofkunst. De gerecupereerde kunstwerken werden opgeslagen in het centraal depot van het Instituut Collectie Nederland (ICN) te Rijswijk, van waaruit zij deels in langdurige bruikleen werden gegeven aan de landelijke musea. Na de oorlog ontstond een decennia durende betwisting over de eigendomsrechten op de schilderijen tussen enerzijds de weduwe Goudstikker (overleden in 1996), schoondochter Marei von Saher (1945) die met Edouard Goustikker was gehuwd, en de Nederlandse staat.Een heer in de kunsthandel, Vrij Nederland, 10 november 1990 Het New Yorkse advocatenbureau Herrick Feinstein LLP gespecialiseerd in Art Law verdedigde in dezen de belangen van de erven Goudstikker.
In februari 2006 kreeg de zaak uiteindelijk zijn beslag, nadat de erfgenamen, getipt en aangespoord door journalist Pieter den Hollander, sinds 1997 langs juridische weg de Nederlandse staat tot teruggave dwongen. Vroegere pogingen van de weduwe Goudstikker om haar bezit terug te krijgen waren in 1952 geëindigd in een voor haar zeer nadelige schikking met de Nederlandse Staat. De Restitutiecommissie oordeelde dat de weduwe Goudstikker destijds akkoord was gegaan met een schikking, maar nooit afstand had gedaan van haar rechten op de kunstwerken. Het betrof een aanzienlijke collectie, 1113 in totaal, waarvan er 267 na de bevrijding naar Nederland waren teruggekeerd. Een aantal was sterk beschadigd door de opslag tijdens de oorlog in zoutmijnen op bevel van Hermann Göring. De vorige eigenaars van sommige schilderijen achterhalen, was gezien de onduidelijke herkomst en het grote tijdsverloop een onmogelijke klus. De verzameling bestond ook voor een deel uit door de Sovjet-Unie geconfisqueerd en verhandeld goed; Goudstikker had voor de oorlog op veilingen onteigende kunst van de Sovjet-Unie gekocht.
De Nederlandse regering verklaarde zich op 6 februari 2006 akkoord om 202 van de 267 schilderijen terug te geven aan Marei von Saher, de schoondochter en eerste erfgename van Goudstikker.Staat geeft 202 schilderijen terug aan erven Goudstikker, NU.nl, 6 februari 2006 (ANP-bericht). Gearchiveerd op 31 januari 2022. 40 andere kunstwerken werden niet teruggegeven, omdat deze in mei 1940 niet toebehoorden aan Goudstikker; 21 andere werken ook niet, omdat de weduwe Goudstikker in 1952 bij akte afstand van deze werken had gedaan. 4 terug te geven werken stonden als vermist genoteerd: vernietigd, ontvreemd of gewoon onvindbaar. De Nederlandse staat had in de jaren vijftig 63 kunstwerken zelf verkocht: deze zijn niet te recupereren. De opbrengst daarvan vloeide in de staatskas. Bleef een saldo van 202 terug te geven schilderijen.
Staatssecretaris Medy van der Laan (D66) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen volgde daarmee het advies van 19 december 2005 van de Restitutiecommissie. Deze commissie, die eind 2001 was ingesteld door het Ministerie van OCW, kwam tot het besluit dat het bezitsverlies van Goudstikkers weduwe, Desi, als onvrijwillig aangemerkt diende te worden omdat bij weigering tot medewerking aan de verkoop inbeslagname had gedreigd. Minister Donner van Justitie (CDA) benadrukte in een verklaring dat de teruggave was gebaseerd op moreel-ethische en niet op juridische gronden. (De ethische bezwaren werden overigens in de media aangevochten vanwege de twijfelachtige opstelling van Edward von Saher, de tweede echtgenoot van de weduwe Goudstikker, t.a.v. het nazi-regime.Erfgenaam met een geurtje, leugens.nl, ) Tegelijkertijd was de onderbouwing daarvan weer juridisch. Het Haagse Gerechtshof had de claim van Von Saher in een arrest van 1998 immers afgewezen.Claim erven Goudstikker ongegrond Minister Donner zou de "moreel-ethische" gronden erbij hebben gehaald omdat hij bang was voor nieuwe claims. Maar met deze restitutie schiep hij hoe dan ook een precedent. Het Norton Simon Museum USA, kan april 2007, die niet-juridische argumentatie van de Nederlandse Staat aanwenden om af te zien van een tweede teruggave van het tweeluik Adam en Eva van Lucas Cranach de Oude, waar het odium roofkunst op rust (geschatte waarde US$ 20 miljoen).Strijd om een Cranach, NRC Handelsblad, 13 april 2007. Gearchiveerd op 5 september 2023. In 1998 werd op de Washington Conference on Holocaust-Era Assets over in oorlogen gestolen kunst, door 44 landen, waaronder Nederland, afgesproken dat morele argumenten zwaarder wegen dan strikt juridische. Rond dit belangrijke symbooldossier groeide langzamerhand een consensus: geen roofkunst in Nederlandse musea.
Schilderijen uit de Collectie Goudstikker sierden de muren van het Kabinet van de Koningin en van enkele ministeries en waren verspreid over ambtswoningen, ambassades en musea, waaronder het Rijksmuseum, het Mauritshuis, Museum Boijmans Van Beuningen en het Bonnefantenmuseum. Voor een aantal musea betekende de teruggave een zware aderlating. Het ging om topwerken van de respectievelijke musea, die al meer dan 50 jaar op zaal hingen en waar zowel het publiek als de museumstaf een affectieve band mee hadden. Voor het Dordrechts Museum betrof het "Gezicht op de Oude Maas bij Dordrecht" van Jan van Goyen, voor het Rijksmuseum twee landschappen van Salomon van Ruysdael, voor het Museum Boijmans Van Beuningen een Claude Lorrain en voor het Bonnefantenmuseum een op eigen kosten gerestaureerd paneel van Filippo Lippi (zie hieronder).