Valkenswaard (; (Brabants: Vallekeswirt) is een dorpANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 133 161-374 . gelegen in de streek de Kempen, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Het is de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. Per had deze kern inwoners.
Etymologie De naam Valkenswaard
Carnavalsnaam In Carnavalstijd wordt Valkenswaard aangeduid als Striepersgat. Deze naam vloeit voort uit het woord striepen, dat het verwijderen van de hoofdnerf van een tabaksblad betekent, een onderdeel van de productie van sigaren en herinnert aan de uitgebreide sigarenindustrie die Valkenswaard heeft gekend.
Geschiedenis Prehistorie In het gebied waar tegenwoordig Valkenswaard ligt zijn diverse archeologische vondsten gedaan. Vooral langs de Dommel en de Tongelreep betrof dit voorwerpen uit het mesolithicum, die dateerden van 6000 v.Chr. tot 5000 v.Chr. Het betrof vooral vuurstenen werktuigen. Uit periodes na deze tijd zijn in dit gebied weinig vondsten bekend.
Bronstijd en IJzertijd De urnenveldencultuur, die ontstond na 900 v.Chr., waarin de boeren reeds ploegden en hun land bemestten, is wel van grote invloed geweest. Zowel resten van nederzettingen als van urnenvelden werden gevonden. Een urnenveld op Sportpark Den Dries, de voormalige Geenhovense Heide, is tot Rijksmonument verklaard. Het is deels nog niet opgegraven.
Romeinse tijd Het gebied waar Valkenswaard nu ligt maakte van de 1e eeuw v.Chr. tot de 5e eeuw na Chr. deel uit van het Romeinse Rijk. Slechts twee Romeinse muntvondsten, een te Borkel en Schaft van een aureus van keizer Nero en een andere in een urn die van het Gegraaf afkomstig zou zijn, gaf de Valkenswaardse bodem tot heden toe prijs. Van een Romeins kruikje dat eens aan de Leenderweg gevonden werd ontbreekt ieder spoor sinds het in particuliere handen kwam.
Vroege Middeleeuwen Nadat de Franken het onderhavige gebied van de Romeinen hebben overgenomen is de eerste bron het Liber aureus uit 1191 van de Abdij van Echternach. Hierin staat dat in 704 door Aengibaldus, vermoedelijk een Frankisch edelman, bezittingen werden overgedragen aan Willibrord, die missionaris in de omgeving van Waalre was. Aangezien het Liber Aureus geacht werd te bestaan uit overgeschreven en honderden jaren oudere documenten en ten doel had om gebiedsaanspraken van de Abdij te onderbouwen, is het niet onwaarschijnlijk dat het vervalsingen betrof.
Middeleeuwen De huidige woonkern van Valkenswaard is ontstaan uit diverse kleine ontginningen uit de 12e eeuw bestaande uit de Cromstraet, Geenhoven, Zeelberg en Venbergen. Door de diverse watermolens die dit gebied rijk was, zoals de Venbergse Watermolen, konden de ontginningen snel uitgroeien tot gehuchten. In de 13e en 14e eeuw breidden deze gehuchten zich uit met andere randontginningen zoals de Delishurk, De Brand, De Hagen, Zandberg en Nuland.
De eerste belangrijke grootgrondbezitters waren de heren van Herlaar, die vermoedelijk vanaf het begin van de 13e eeuw goederen in Valkenswaard verkregen. Zij speelden een belangrijke rol tussen de oprukkende Hertog van Brabant en de Graaf van Gelre, die beiden aanspraak maakten op gebieden in het huidige Noord-Brabant. In deze periode moesten de toen nog machtige lokale heren hun macht gedeeltelijk afstaan aan de hertog of graaf. Daarentegen gaven de hertog en graaf veel goederen als geschenk aan abdijen en kloosters die zij vaak zelf hadden gesticht. Valkenswaard behoorde toen tot de Heerlijkheid Waalre, Valkenswaard en Aalst.
Na de dood van de laatste heer uit het geslacht van Herlaar kwamen de rechten van de heerlijkheid in handen van Gerard van Loon. In 1314 verkocht deze de Heerlijkheid Herlaar en daarmee de kloosterrechten van Echternach in Waalre en Valkenswaard aan Gerard I van Horne. In 1321 kwamen grote delen van Valkenswaard in handen van de abdij van Echternach doordat Gerard I van Horne aan de hand van “de vervalsing van Echternach” moest erkennen dat hij gebieden in Waderle Wedert ende Aalst in leen hield van de abdij. In 1326 gaf de abdij de eerste vage grensbepaling uit van de gebieden die deze in Valkenswaard had opgeëist. Echter daarnaast bleven vele goederen en grond eigendom van lokale heren, kloosters en van de Hertog van Brabant. De Venbergse Watermolen bleef tot de 14e eeuw deels in bezit van de Hertog.
In het begin van de 14e eeuw was er al sprake van de parochie van Wedert. De parochie Wedert wordt vermeld in een uitgiftebrief van de abdij van Echternach uit 1326. Echter doordat het dorp Waalre in deze tijd een snellere groei van de welvaart doormaakte kon het zich een stenen kerkgebouw permitteren. Hierdoor verschoof de macht naar Waalre en wordt ten onrechte aangenomen dat Valkenswaard uit Waalre is ontstaan mede door het feit dat alle geschreven documenten en protocollen die bewaard zijn gebleven uit de periode stammen waarin Waalre deze snellere groei realiseerde.
In 1321 wordt voor het eerst van een kerk gesproken. Deze kerk stond naar alle waarschijnlijkheid op de plek aan de Cromstraet waar tot in de 19e eeuw de pastorie van Valkenswaard heeft gestaan. Valkenswaard moest echter wachten tot 1500 voordat haar eerste stenen kerkgebouw een feit was. Dit gebouw stond bij de Rosheuvel, aan de Kerkwech, die naar Geenhoven voerde. Deze kerk is pas in 1860 afgebroken. Vandaag de dag is het silhouet zichtbaar op het oude kerkhof.
Ook was er sprake van een gezamenlijke schepenbank die vermoedelijk begin 14e eeuw opgericht is. De tot nu oudste vermelding dateert van 1343 wanneer Jhan de Moleneer van Venberghen voor de schepenen van Waalre en Valkenswaard al zijn bezittingen van de Venbergse Watermolen overdraagt aan de Abdij van Postel.
Nieuwe bestaansmiddelen Den Dorpe van Wedert was echter een buurtschap die omstreeks 1500 een driehoekige Plaetse omvatte en de buurtschap Cromstraet. Door een gunstige ligging op een knooppunt van wegen kon het zich wat sneller ontwikkelen dan de naburige buurtschappen. In de eerste helft van de 15e eeuw uitte zich dat in contact met kooplieden uit Lommel, Neerpelt en Achel, waardoor zich te Wedert een levendige markt ontwikkelde.
Overigens begon omstreeks deze tijd een vrijwel aaneengesloten reeks van oorlogen. In 1481 had Wedert ernstig te lijden van de ongedisciplineerde huurtroepen van Maximiliaan van Oostenrijk, waartegen de streekbewoners in opstand kwamen, wat tot 250 slachtoffers onder hen zou leiden. In het begin van de 16e eeuw hebben de Gelderse troepen in Kempenland huisgehouden en daarvan heeft ook Wedert zijn deel gehad. Ook tegen deze troepen kwam de plaatselijke bevolking actief in opstand. In deze tijden kwam ook de jaarmarkt tot stilstand. Op de arme zandgronden rond Valkenswaard was voor de meeste pachtboeren maar een karig bestaan weggelegd. Deze situatie werd verergerd wanneer buitenlandse of Staatse troepen het dorp tijdens een van de vele veldtochten die Brabant in en na de Tachtigjarige Oorlog teisterden, tot ravitailleringsplaats maakten, inkwartiering eisten en er op grote schaal geplunderd werd.
Er kwamen echter nieuwe activiteiten. In 1536 werd voor het eerst melding gemaakt van Ketelbueters, ketellappers dus ofwel koperteuten.
In 1556 is bovendien voor het eerst in documenten sprake van valcken vangen. Het is denkbaar dat deze activiteiten werden gestimuleerd door de immigratie van mensen uit Turnhout en Arendonk, waar de valkerij al sinds de 10e eeuw bestond. Pas na 1600 werd het beroep Valconier nadrukkelijk in documenten genoemd. Het bestond uit het africhten van valken. De grotere roofvogels werden gevangen in Denemarken, IJsland en Noorwegen. Slechtvalken konden worden gevangen op de Leenderheide, die op de trekroute van deze vogels lag. De valkeniers waren welvarende en invloedrijke lieden die aan de vorstenhoven verkeerden, maar ze brachten ongetwijfeld ook welvaart in het dorp, voor zoverre er vrede was althans. De valkerij heeft haar hoogtepunt gekend van 1650-1750, maar ook daarna heeft ze nog lang voortbestaan. De laatste valkenier was Karel Mollen, die stierf in 1935.
Oorlogen Er volgde een reeks van oorlogen, te beginnen bij de Gelderse oorlogen, in het kader waarvan Maarten van Rossum in 1543 vele dorpen in de Meierij plunderde, en waarbij ook Valkenswaard niet aan een brandschatting ontkwam. In 1551 werd Huibrecht van der Clusen heer van Waalre, Valkenswaard en Aalst, en de komst van deze familie bracht een periode van relatief goede relaties met de heer met zich mee.
De Tachtigjarige Oorlog was echter begonnen, hetgeen bezoek van Spaanse en later ook Staatse troepen en hun bondgenoten bracht, die allen verzorgd wensten te worden en zich soms misdroegen. De ellende begon in 1573 met Spaanse ruiters uit Eindhoven en hield daarna voorlopig niet meer op.
Berucht was ook een troep die in Hamont was gelegerd en langs de hoofdweg richting Valkenswaard trok. Vanaf 1599 had men hier last van en men bouwde zelfs een schans aan de Kromstraat waar de bevolking zich in veiligheid kon brengen. Het Twaalfjarig Bestand bracht enig soelaas, maar toen dat was verstreken begonnen de moeilijkheden weer. Er werd een schans ten zuiden van de Venbergse Watermolen gebouwd om de bevolking tegen de Staatse troepen te beschermen. De val van 's-Hertogenbosch bij het beleg in 1629 luidde een tijd van godsdienstonvrijheid in, waartoe de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden strenge plakkaten, zoals het retorsie-plakkaat werden uitgebracht. In 1653 kwam er een predikant, Johannes Alstorphius. In 1656 werd de grenskerk op het grondgebied van Achel ingewijd, Het Weerderhuys geheten. Ook werden er onrechtvaardig hoge belastingen geheven, want sinds 1648 behoorde de Meierij tot de Generaliteitslanden. Toch lag de economie niet stil. De varkensmarkten vonden doorgang en er waren bemiddelde lieden, waaronder natuurlijk de valkeniers, maar ook herbergiers en kooplieden. Deze onderhielden internationale betrekkingen met hoven in heel Europa. Zij waren vaak schepenen en andere beambten, en waren ook in staat geld uit te lenen. Arme mensen moesten hun toevlucht soms tot thuisweverij zoeken. De sociale verschillen waren heel groot. De rijke valkeniers hadden knechts in dienst van hun compagnie die naar IJsland en Scandinavië gingen om valken te vangen die dan in Valkenswaard werden afgericht. De valkeniers hadden contacten met de hoven in geheel Europa. De bloeitijd van de Valkenswaardse valkerij lag tussen 1650 en 1750. Het handelsverkeer was en bleef echter voornamelijk op het gebied ten zuiden van Valkenswaard georiënteerd: Hamont, Neerpelt en verder. In 1765 werd er melding gemaakt van een belangrijke bijenmarkt, en de imkerij zou nog tot in de 20e eeuw van groot belang blijven.
Ondertussen kwamen er nieuwe oorlogsdreigingen. De Franse troepen rukten eind 1672 op en vormden ook lang daarna een voortdurende bedreiging. Vaak eisten ze geld, voedsel en onderdak, en dat deden ook de Staatse troepen die de bevolking tegen de Fransen moesten 'beschermen'. Vervolgens kwam in 1701 de Spaanse Successieoorlog met opnieuw tal van troepen. Valkenswaard lag bovendien aan een aantal strategische wegen. In 1740 barstte de Oostenrijkse Successieoorlog los, en in 1747 was er weer gevaar voor allerlei troepen, die bovendien de buiktyfus verspreidden. De geld en voedsel eisende troepen brachten Valkenswaard tot het bankroet en diverse gezinnen emigreerden in 1750 naar Duitsland of Noord-Holland. Iets dergelijks herhaalde zich in 1766, toen nieuwe Staatsgezinde troepen inkwartiering eisten. De tijd bracht ook onveiligheid, spanningen tussen Katholieken en Protestanten, en tussen Protestanten onderling. Bovendien dreigde er een Franse inval, en vreesde de regering de activiteiten der Patriotten, waarop weer nieuwe troepen arriveerden.
In 1754 kwam er een einde aan de gewoonte gemeentevergaderingen in herbergen te houden. Er werd een raedt of gemeijntehuijs gebouwd.