Nassau-Saarbrücken was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend graafschap binnen het Heilige Roomse Rijk. De kern bestond uit het graafschap Saarbrücken dat in 1381 in bezit was gekomen van de graven van Nassau uit de Walramse Linie van het Huis Nassau. De omvang van Nassau-Saarbrücken wisselde in de loop der tijd door (ver)koop, ruil, erfenis en verdeling van bezittingen. In 1791 vielen Franse revolutionaire troepen Nassau-Saarbrücken binnen. In 1793 vluchtte de laatste heerser en ging in ballingschap. Bij de Vrede van Lunéville (1801) werd Nassau-Saarbrücken door het Heilige Roomse Rijk aan Frankrijk afgestaan en hield het op te bestaan.

Ontstaan In 1353 huwde Johanna van Saarbrücken, het enige kind van graaf Johan II van Saarbrücken, met graaf Johan I van Nassau-Weilburg. De uit dit huwelijk geboren zoon, Filips I van Nassau-Weilburg, erfde in oktober 1381 het graafschap Saarbrücken met Commercy en Morley, en verenigde dat met het graafschap Nassau-Weilburg, dat hij reeds sinds 1371 bezat. Filips wist gedurende zijn regering zijn bezittingen verder uit te breiden, zo erfde hij in 1393 de heerlijkheden Kirchheim, Bolanden, Stauf (Eisenberg), Dannenfels, Frankenstein, de helft van negen dorpen bij Worms en een deel van de ambten Jugenheim in Rheinhessen en Wöllstein. Later volgden de verwerving van ¼ van Löhnberg in 1404, Neuweilnau in 1405, Altelkerhausen in pand in 1421, de heerlijkheid Bingenheim met Reichelsheim in 1423, ¼ van Kasteel Hasselbach in 1427, en verder delen van Homburg, Cleeberg, en Mensfelden.

Filips tweede echtgenote, Isabella van Lotharingen, werd na zijn overlijden regentes voor hun nog minderjarige zoons. Isabella slaagde erin, om in deels turbulente tijden, de graafschappen Nassau-Weilburg en Saarbrücken samen te houden en om geschillen met de omliggende gebieden te voorkomen. Onder haar regentschap ontwikkelde de stad Saarbrücken zich tot de residentie met het grafelijke kasteel op de steil naar de Saar aflopende rots als het centrale punt. Tot die tijd bestond er nog geen plaatsgebonden centraal bestuur, de landsheren bereisden integendeel onophoudelijk hun vaak verspreid liggende bezittingen om de aanspraak op de heerschappij door hun aanwezigheid te onderbouwen (reisheerschappij).

Isabella's zoons, Filips II en Johan II, werden in 1438 respectievelijk 1442 meerderjarig verklaard. In dat laatste jaar gingen beide broers over tot een verdeling van hun bezittingen, Filips verkreeg de goederen rechts van de Rijn (Nassau-Weilburg), en Johan verkreeg het graafschap Saarbrücken met Commercy, Frankenstein, de dorpen bij Worms, Jugenheim in Rheinhessen, Wöllstein en Homburg.

Graafschap Nassau-Saarbrücken 1442-1574

Johan II bouwde goede relaties op met de buurlanden het hertogdom Lotharingen, het bisdom Metz en de Rijksstad Metz. Een groot probleem in die tijd was de onzekerheid van de wegen door struikrovers. Johan vernieuwde met de bisschop van Straatsburg en de graven van Bitsch en Veldenz oudere geleideverdragen.

Johan II had zich in 1450 verloofd met zijn eerste vrouw, Johanna van Loon-Heinsberg, die toen nog in de kinderleeftijd was, en een nicht van de vrouw van zijn broer was. Het huwelijk vond plaats in 1456, toen Johanna meerderjarig geworden was. Zijn vrouw was de erfdochter van Johan IV van Loon-Heinsberg en Johanna van Diest. Door het huwelijk had hij het vooruitzicht om de heerlijkheid Heinsberg en het bezit van de heren van Diest aan de Maas en de Beneden-Rijn in zijn bezit te brengen. Voordat het huwelijk plaatsvond, werd hem in 1455 de heerschappij over de bezittingen van zijn toekomstige vrouw overgedragen. Johan noemde zichzelf nu ook heer van Heinsberg, Diest en Zichem en burggraaf van Antwerpen. In 1460 verwierf Johan ook lenen in het bisdom Luik. Deze bezittingen werden bij het overlijden van Johan geërfd door zijn oudste dochter, Elisabeth, en gingen weer voor het Huis Nassau verloren. In Nassau-Saarbrücken werd hij opgevolgd door zijn postuum geboren zoon, Johan Lodewijk.

Johan Lodewijk was altijd loyaal aan de keizer en diende ook keizer Karel V als raadgever. Hij nam in 1521 deel aan de Rijksdag van Worms. Hij verwierp de leer van de reformatie. De onlusten aan het begin van de 16e eeuw, zoals de Duitse Boerenoorlog, hadden ook effect op Nassau-Saarbrücken.

Door zijn tweede vrouw, Catharina van Meurs-Saarwerden, kwam eerst één helft van het graafschap Saarwerden aan Johan Lodewijk. Na de dood van de erfgenaam van het tweede deel viel in 1527 ook de rest van het graafschap aan Nassau-Saarbrücken, plus de helft van de heerlijkheid Lahr-Mahlberg en een deel van Kehl. Daar voerde de bisschop van Metz bezwaar tegen aan en de daaruit voortvloeiende rechtsstrijd duurde tot 1629. Aan het feitelijke bezit van het graafschap in handen van Johan Lodewijk veranderde het geschil voorlopig niets.

Johan Lodewijk was beschermheer van de abdijen Fraulautern, Wadgassen en Longeville. Hij erfde in 1544 de proosdij Herbitzheim. In hetzelfde jaar verdeelde hij zijn bezittingen onder zijn zoons Filips II, Johan III en Adolf, maar behield een kwart van de inkomsten.

Filips II was in de jaren 1543 tot 1545 mederegent van zijn vader. Bij de verdeling van de bezittingen in 1544 verkreeg Filips het graafschap Saarbrücken. Zijn broers Johan III en Adolf verdeelden de rest. Johan verkreeg de heerlijkheden Ottweiler en Homburg. De daadwerkelijke heerschappij in de heerlijkheid Ottweiler aanvaardde Johan III pas in 1547. In 1550 verkreeg hij van Karel V stadsrechten voor Ottweiler. Adolf verkreeg onder andere de Saarbrückense delen van de heerlijkheid Kirchheim. Het graafschap Saarwerden bleef gemeenschappelijk bezit. Na de dood van de vader werd de verdeling van de erfenis met zijn broers bevestigd. Filips resideerde vanaf toen in Saarbrücken. Keizer Karel V bevestigde bij zijn doorreis in Saarbrücken het bezit van de rijkslenen en de erfvereniging van de broers.

Filips II wijdde zich voornamelijk aan het binnenlands bestuur. In de jaren 1547/48 liet hij ter vervanging van de veerdienst in Saarbrücken de Oude Brug in steen bouwen. Om de kosten van 20.000 gulden op te brengen, stond de keizer hem een verhoging van de toltarieven toe. In 1550 werd een instelling voor de voeding van de armen opgericht. Hiervoor richtte hij samen met zijn vrouw een stichting op met een kapitaal van 2000 gulden. Hij heeft ook de watervoorziening in Saarbrücken verbeterd.

Daarnaast streefde hij naar een afronding van zijn grondgebied. Net als reeds zijn vader, trachtte hij de door zijn voorouders in leen gegeven bezittingen terug te kopen of te ruilen. In 1549 dwong hij de Abdij van Sankt Arnual tot een verdrag. Daarin gaf de abdij zijn eerdere autoriteitsrechten op. De poging van de abdij om zich bij de keizer te beklagen, bleef zonder succes. In 1550 zette hij de beschermvoogdij over de Abdij Sint-Nabor in Saint-Avold door. De Abdij St. Martinus ad Glandres in Lubeln koos hem ook als beschermvoogd. De bisschop van Metz verpandde of verkocht hem een reeks bezittingen. Verder pandbezit kwam van de aartsbisschop van Trier. Behalve de heerlijkheid Blieskastel werden deze weer ingelost. Over het bezit van Blieskastel kwam het tot een proces voor het Rijkskamergerecht.

In kerkelijke opzicht bleef Filips katholiek. De graaf sloot zich in 1548 aan bij het door Karel V uitgevaardigde Interim van Augsburg. Daarbij kwam het tot het afsluiten van een bijzonder verdrag met de keizer. Bij de doortocht van het keizerlijke leger bij de opmars en terugmars voor de aanval op Metz, leed de bevolking onder de keizerlijke troepen en de oprukkende Fransen.

In 1554 kwam het tot een reformatiepoging in de Abdij van Sankt Arnual. Enige tijd later droeg Filips om gezondheidsredenen de regering aan zijn broers over.

Na de dood van Filips II in 1554 erfden Johan III en Adolf het graafschap Saarbrücken. Ook verkregen ze de van het bisdom Metz afhankelijke lenen van het huis Nassau-Saarbrücken. Johan en Adolf deelden deze bezittingen in 1556. Johan verkreeg het graafschap Saarbrücken en Adolf onder andere het graafschap Saarwerden. Adolf voerde in zijn graafschap de reformatie in.

Na de dood zijn broer Adolf in 1559 vielen diens bezittingen aan Johan. Hij resideerde vanaf 1560 in Saarbrücken. Hij liet de Burcht Hohenburg bij Homburg versterken. Omdat hij geen erfgenaam had, wees hij in 1563 de linie Nassau-Weilburg aan tot zijn erfgenaam. Sinds de tijd van graaf Filips I van Nassau-Weilburg bestonden er grensconflicten met het hertogdom Palts-Zweibrücken. Ook in de tijd van Johan kwam het meermaals tot conflicten, die in 1564 door een schikking bijgelegd konden worden. Een oud geschil over bezit met het hertogdom Lotharingen voor het Rijkskamergerecht veroorzaakte hoge kosten. De pogingen van verscheidene plaatsen, om zich van zijn graafschap los te maken en zich te onderwerpen aan het bisdom Metz, bestreed hij met succes.

De Abdij van Sankt Arnual probeerde zich tussen 1566 en 1568 eveneens van zijn graafschap los te maken en verwees naar een vermeende rijksonmiddellijkheid. De protagonisten liet Johan gevangennemen. Ze werden pas vrijgelaten toen ze deze plannen opgaven. Indirect had dit de opheffing van het klooster in 1569 tot gevolg. Persoonlijk bleef Johan de katholieke doctrine trouw. De reformatie won door predikanten van buiten echter steeds meer aanhangers. Johan bestreed de reformatie niet.

In 1570 liet Johan het renaissanceslot Neunkirchen bouwen. In 1571 kwam het opnieuw tot vergeefse pogingen van plaatsen om zich te onderwerpen aan het bisdom Metz. Met het overlijden van Johan III in 1574 kwam er een eind aan de eerste periode van het graafschap Nassau-Saarbrücken.

Graafschap Nassau-Saarbrücken 1574-1602

miniatuur|160px|Jachtslot Philippsborn In 1570 benoemde Johan III van Nassau-Saarbrücken in zijn testament de halfbroers Albrecht van Nassau-Weilburg en Filips van Nassau-Neuweilnau tot zijn erfgenamen. Johan was zonder mannelijke nakomelingen en wilde zekerstellen dat Saarbrücken, Saarwerden en Ottweiler voor de Walramse Linie van het Huis Nassau behouden bleven. Reeds in 1571 nam Filips III het regentschap over delen van Johans bezit over. Hij verlegde zijn residentie van Neuweilnau naar Saarbrücken. In 1572 liet Filips het uit de 12e eeuw daterende Kasteel Wanborn nabij Saarbrücken afbreken, en een in renaissancestijl opgetrokken gebouw met vier vleugels bouwen, het jachtslot Philippsborn.

Ook in 1572 lukte het Filips de secularisatie van Klooster Rosenthal door te voeren. Het klooster had een hechte band met de familie, het diende tijdelijk als begraafplaats van Filips's voorvader Adolf van Nassau, de enige Rooms-koning uit zijn familie.

Met het overlijden van Johan III vielen in 1574 de katholieke graafschappen Saarbrücken, Saarwerden en Ottweiler definitief aan Albrecht en Filips. Ze werden op 7 december 1574 tussen de broers verdeeld. Filips ontving Saarbrücken en Saarwerden en de heerlijkheid Stauf. Albrecht ontving Ottweiler, de ambten Homburg, Kirchheim en de heerlijkheden Lahr en Mahlberg in het Zwarte Woud, dat het graafschap Nassau-Ottweiler werd.

De Saarbrückense erfenis werd van verscheidene zijden aangevochten. Hertog Karel III van Lotharingen eiste het graafschap Saarwerden als vervallen leen terug. Albrecht slaagde er, als oudste van de Walramse Linie van het Huis Nassau, echter in om het recht van Nassau bij het Rijkskamergerecht te laten zegevieren. Het geschil liep jaren en dreigde een tijdlang militair te escaleren. Dit was de belangrijkste reden dat Filips zijn hoofdresidentie naar Saarbrücken verlegde. Als domicilie diende het nieuw gebouwde zomerhuis in Saarbrücken, dat de basis vormde van het huidige Slot Saarbrücken.

Keurvorst Frederik III van de Palts maakte eveneens aanspraken op delen van de erfenis. Ook hier slaagde het Huis Nassau erin om op de belangrijkste punten succes te behalen. Meerdere omvangrijke verdragen waarin de exacte rechten en grenzen werden vastgelegd, werden gesloten.