De islam in China is een van de drie in het land aanwezige wereldgodsdiensten die van buiten China geïntroduceerd werd. Het arriveerde na het boeddhisme en in ongeveer dezelfde periode van de Tang-dynastie als het christendom. Een verschil met het christendom is, dat de islam na de eerste introductie in China – in de zevende eeuw– hier onafgebroken aanwezig is geweest. Een tweede verschil is, dat de islam in China in tegenstelling tot het christendom en het boeddhisme maar in zeer geringe mate geïnteresseerd was in het bedrijven van missiearbeid. De islam groeide in China door vestiging van Arabische en Perzische handelaren en vooral migratie van islamitische groepen uit Centraal-Azië. Daarnaast werden vanaf de achttiende eeuw islamitische gebieden door verovering aan het keizerrijk toegevoegd.
Op basis van gegevens uit 2010 zijn er ongeveer 24.000.000 moslims in China. Dit komt overeen met 1,8% van de totale Chinese populatie. In tegenstelling tot het christendom in China waarvan de omvang – in absolute aantallen – sinds 1980 door bekeringen sterk is toegenomen, groeit de islam in China alleen op basis van natuurlijke aanwas door geboortecijfers. Sinds begin eenentwintigste eeuw is het christendom de islam in omvang van het aantal gelovigen dan ook gepasseerd.
Moslims in China behoren tot een van tien etnische groepen van de in totaal zesenvijftig officiële etnische groepen van de Volksrepubliek China. Van het totaal van 24.000.000 moslims behoort 90% tot de Hui of Oeigoeren.
De herkomst van de islam in China In de traditie zou de islam voor het eerst in China geïntroduceerd zijn in 651 door Sa`d ibn Abi Waqqas, een van de sahaba of metgezellen van Mohammed. Een direct gevolg van dat bezoek zou de stichting van de Huaishengmoskee in Quanzhou geweest zijn. Hedendaagse historici concluderen dat er geen enkel historisch bewijs voor de traditie is, maar het staat vast dat er in de zesde eeuw en al voor het bestaan van de islam diplomaten en handelaren uit West- en Centraal-Azië via de zijderoute in China arriveerden. In de periode van de Tang-dynastie (618-907) werden de eerste handelsnederzettingen in de grotere steden gesticht. Ook lang niet allen waren op het moment van vestiging al moslim. Latere instroom tijdens de dynastie van Arabische en Perzische handelaren waren wel moslims en zouden met eerder aangekomen streekgenoten de kern gaan vormen van de eerste Chinese moslimbevolking. Verder werden tijdens de expansie van de dynastie tot aan het midden van de achtste eeuw groepen Turken als gevangenen en slaven naar het rijk gebracht.
De zeeroute bracht kooplieden die zich vestigden in steden als Quanzhou en Kanton. Die handelaren worden meestal aangeduid als Arabieren, maar zij hadden een gemengd etnische en religieuze achtergrond. Daarbij waren Joden, nestoriaanse christenen, moslims en hun gemeenschappelijke taal was eerder Perzisch dan Arabisch. Deze tijdelijke handelsnederzettingen ontwikkelden zich tot permanente vestigingen en vormden de eerste islamitische gemeenschappen in het zuidoostelijk deel van China.
Anders dan de missie van de nestorianen tijdens de dynastie en het boeddhisme hadden moslims geen enkele behoefte tot het bedrijven van enige missie. In 845 nam de keizer Wuzong (r. 840-846) het besluit om alle buitenlandse godsdiensten in China te verbieden. Het besluit was in de eerste plaats gericht tegen het georganiseerd boeddhisme en was ingegeven door financiële motieven. De boeddhistische kloosters hadden enorme rijkdommen verzameld en waren vaak vrijgesteld van betaling van belasting. Het besluit had echter ook consequenties voor het christendom, het manicheïsme en het zoroastrisme. De islam werd in dit decreet geheel niet benoemd.
In de periode van de Song-dynastie ( 960-1279) is een grotere economische en culturele invloed van moslims in China waarneembaar. Een belangrijk deel van de buitenlandse handel werd door moslims gedomineerd. De belangrijkste functies binnen de havenautoriteit van Quanzhou, in de tijd de belangrijkste en grootste Chinese haven, werden door moslims uitgeoefend. De Chinese materia medica werd in 1065 herschreven en uitgebreid met een aantal hoofdstukken uit een Chinese vertaling van de Canon van de geneeskunde van Avicenna. Verhalen over China beginnen ook een rol te spelen in de Arabische literatuur, zoals het verhaal van Aladin en de wonderlamp in Duizend-en-een-nacht.
Omstreeks 1070 nodigde de keizer Shenzong ruim 5000 huishoudens uit Khwarazm uit zich in China te vestigen. De mannen werden ingezet in de campagnes tegen de Liao-dynastie, een niet-Chinese dynastie van de Kitan die het noordoostelijk deel van China beheerste. Later werden zij gevestigd in het gebied tussen Kaifeng en het huidige Peking en vormden op die wijze een buffer tussen Chinezen en Kitan. De annalen van de Song-dynastie melden ook een vestiging van ruim 10.000 moslims eind elfde eeuw.
De belangrijkste factor voor het ontstaan van een permanente aanzienlijke aanwezigheid in het land zijn de Mongoolse veroveringen geweest. Tijdens de campagnes veroverden en plunderden de Mongolen belangrijke islamitische centra als Samarkand, Bukhara en Bagdad. Delen van de bevolking werden naar China gevoerd. In de periode van de Yuan-dynastie (1279-1368) werden moslims uit het westen van Azië ingezet als grenswachten, belastingontvangers en waren belast met administratieve taken, omdat de dynastie die betrouwbaarder achtte dan Han-Chinezen. De Yuan deelden de bevolking van het rijk in volgens een aantal categorieën. De eerste waren de Mongolen zelf. De tweede categorie werd de Semuren genoemd. Dat heeft een betekenis als Gemengde categorieën. Daarbij behoorden islamitische groepen en ook christenen. Pas daarna volgden in de rangorde Chinezen. Er zijn geen echt betrouwbare cijfers over het aantal moslims, dat zich in deze periode in China vestigde, maar het moeten er honderdduizenden en een veelvoud zijn geweest vergeleken met de periodes hiervoor.
De belangrijkste religies in het rijk waren het boeddhisme, taoïsme, islam en christendom. Zolang de leidinggevenden uit deze godsdiensten in hun gebeden en opstelling hun loyaliteit aan de Yuan toonden, konden ze rekenen op privileges, zoals vrijstelling van belasting voor religieus eigendom. De Yuan namen wel maatregelen tegen tegen religieuze praktijken op het moment dat leiders naar hun opvatting op dat moment niet loyaal genoeg waren. Tijdens delen van de periode waren strenge maatregelen tegen de joods-islamitische wijze van slachten van kracht en op het uitvoeren van circumcisie stond de doodstraf. thumb|300px|Grote Moskee van Xi'an Tijdens de Ming-dynastie ( 1368-1644) vond al een zekere sinificatie van moslims plaats. Vanaf ongeveer 1440 is er onder de dynastie sprake van een toenemend isolationisme. Het gevolg is een afname van de internationale handel via de zee route en dat heeft ook een afname van het aantal moslims in de havensteden tot gevolg. Ook de migratie van moslims uit islamitische landen naar China nam sterk af. De moslimgemeenschap in China had ook steeds minder contacten met de rest van de islamitische wereld.
Moslims begonnen Chinese achternamen aan te nemen of gebruikten het karakter dat het meest leek op dat van hun eigen naam. Ha voor Hassan, Hu voor Hoessein, Mo voor Mohammed, etc. Ook het xiao'erjing, een transscriptiemethode om Chinees in het Arabisch alfabet te schrijven werd verder vervolmaakt. Een toenemend aantal moslims begon echter het lokale Chinese dialect te spreken en ook geschreven Chinees te beheersen. Het ontwerp van moskeeën begon Chinese tradities te volgen. Een voorbeeld is de Grote Moskee van Xi'an, waarvan de nog bestaande gebouwen voor het grootste deel uit deze periode dateren. Net al bij veel andere moskeeën worden de minaretten vormgegeven als pagodes.
In de periode van de Qing-dynastie (1644-1911) werd het grondgebied van China sterk uitgebreid. Het gebied van Amdo ging politiek en administratief deel uitmaken van de toenmalige provincie Gansu. Het gevolg was dat islamitische groepen als de Salar en de Dongxiang deel gingen uitmaken van het rijk. Een aanzienlijke uitbreiding van het aantal moslims binnen het rijk was het gevolg van de verovering van het huidige Sinkiang met het daarbij behorende Tarimbekken. Dat bracht de Oeigoeren en kleinere groepen, zoals Kazachen, Kirgiezen en Tadzjieken binnen de nieuwe grenzen van het rijk.
In de negentiende eeuw vonden een aantal opstanden van moslims plaats tegen het keizerlijk gezag in Peking. Religieuze spanningen waren vrijwel nooit de oorzaak voor het ontstaan van die opstanden. De oorzaak voor die opstanden had vooral te maken met verslechterende economische omstandigheden, wanbestuur en corruptie. Religieuze motieven gingen gingen pas in de loop van de strijd een rol spelen, omdat in het nauw gedreven leiders daar een beroep op gingen doen.
Moslimgroepen in China thumb|350px|Percentage moslims als deel van de totale populatie in Chinese regio 's. Gegevens 2010. Binnen de Chinese overheidsadministratie worden tien verschillende moslimgroepen erkend als officiële etnische groepen van de Volksrepubliek China vanwege hun traditie, cultuur dan wel religieuze overtuigingen. In de Chinese administratie wordt de term moslim dan gebruikt voor ieder individu dat tot een van die tien groeperingen behoort. Er zijn meerdere criteria om vast te stellen tot welke van die tien groepen dan een moslim behoort. De belangrijkste is de taal die zij spreken. Er is kritiek in China op de wijze van indeling. Het wordt vaak als te grof en mechanisch ervaren worden en houdt onvoldoende rekening met gewijzigde maatschappelijke en culturele veranderingen. Het suggereert een nauwkeurigheid die feitelijk in die mate niet aanwezig is. Het zou onvoldoende recht doen aan individuen en gemeenschappen met een etnisch gemengde afkomst.
De mate waarin Chinese moslims vrome gelovigen zijn kan sterk variëren. Er zijn imams en volgelingen die hun geloof op vergelijkbare wijze belijden als orthodoxe moslims in de rest van de islamitische wereld. Er zijn groepen min of meer geheime Soefi -broederschappen. Er zijn echter ook kaderleden van de communistische partij en afkomstig uit deze tien groepen die overtuigd atheïst zijn.
De Hui De term Hui, ook wel Huihui, werd in verschillende periodes zowel voor een etnische groep als voor een religieuze overtuiging gebruikt en de bronnen zijn niet altijd duidelijk welke betekenis bedoeld wordt. De term wordt in bronnen uit de periode van de Song-dynastie voor het eerst gebruikt. Lang werd de term Huihui voor zowel moslims, het jodendom in China en vaak ook nog christenen gehanteerd. Pas in de periode van de Yuan-dynastie in de dertiende eeuw wordt de terminologie iets duidelijker. Er wordt dan een onderscheid gemaakt tussen Hui die geen varkensvlees eten en ter onderscheiding van andere Hui die ook geen varkensvlees eten Hui die de pees verwijderen. Het laatste verwijst naar de joodse spijswet die het eten van de Nervus ischiadicus verbiedt.
In het huidige China wordt de term gebruikt voor die moslims, die niet gerekend kunnen worden tot etnoniemen als Oeigoeren, Kazachen, etc. Verschillend van andere moslimgroeperingen zijn Hui in geheel China en in vrijwel iedere stad en regio aanwezig. Er zijn echter twee gebieden waar duidelijke concentraties aanwezig zijn; de Autonome Hui Prefectuur Linxia ten zuiden van Lanzhou en de Autonome Hui Regio Ningxia met Yinchuan als hoofdstad.
Hui zijn in etnische zin geassimileerd en het vaak enige onderscheid met andere Han-Chinezen is hun religieuze overtuiging. Hui hebben Chinees als voertaal, hoewel zij het Arabische schrift voor decoratieve en religieuze doeleinden blijven gebruiken. Er kunnen aanzienlijke verschillen zijn tussen Hui in het noordwesten van het land waar de islam meer verbonden is met het dagelijks leven en Hui in het zuidoosten waar het islamitisch karakter aanzienlijk minder zichtbaar is. Op basis van gegevens uit 2010 is hun aantal 10.580.000.