De Basiliek Sainte-Marie-Madeleine is een oude abdijkerk in Vézelay in de Franse regio Bourgondië. De basiliek, die sinds 1979 op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat, was oorspronkelijk de kerk van de gelijknamige benedictijnerabdij, die behoorde tot de observantiebeweging van Cluny.

Geschiedenis van de abdij Zoals vaker gebeurde werd de abdij van Vézelay gesticht op de plaats van een late Romeinse villa De primaire bron voor de geschiedenis van Vézelay is een codex uit de twaalfde eeuw met, onder andere, de annalen van de abdij, een cartularium en een geschiedenis van de vroege graven van Nevers in de Bibliothèque municipale, Auxerre, MS 227; uitgegeven door R. B. C. Huygens, in zijn maatgevende Monumenta Vizeliacensia: Textes relatifs à l'histoire de l'abbaye de Vézelay (Corpus Christianorum) Turnhout, Belgium, 1976. die behoorde aan een zekere Vercellus, wiens naam later verbasterde tot Vézelay. De villa kwam in handen van de Karolingische graaf Girard II van Roussillon, die er twee vrouwenkloosters stichtte. In de 8e eeuw werden die verwoest door Moorse en Normandische plunderaars. In 858 werd het hersticht als benedictijner abdij onder leiding van de cluniacenzer monnik Badilo, waarmee het tegelijk onder de invloed van Cluny kwam. Rond 1050 begonnen de monniken van Vézelay te beweren dat ze de relieken van Maria Magdalena zouden bezitten. Deze zouden uit het Heilige Land zijn meegebracht door Badilo, de stichter van de abdij, of door zijn gezanten. Niet veel later verklaarde een monnik van Vézelay dat hij op een sarcofaag in St-Maximin in de Provence een voorstelling had ontdekt. Daarop was te zien hoe Maria Magdalena in Bethanië het hoofd van Jezus zalfde. De monniken van Vézelay beweerden dat het gebeente van Maria Magdalena vanuit die sarcofaag naar hun abdij zou zijn overgebracht. De bedevaart die dat veroorzaakte, maakte de bouw van de prachtige romaanse abdijkerk mogelijk. De consecratie vond plaats op 21 april 1104. Vézelay bleef een belangrijk bedevaartsoord, zelfs nadat de belangrijkste relieken in de 16e eeuw door de hugenoten waren verbrand. De basiliek is een van de startpunten van de Pelgrimsroute naar Santiago de Compostella.

De buitenkant van de basiliek Dit meesterwerk van de romaanse architectuur van de 12e eeuw staat al vanaf 1840 op de lijst van historische monumenten. Het koor is vroeg-gotisch. Tussen 1840 en 1861 werden delen van de basiliek gerenoveerd door Eugène Viollet-le-Duc

De westelijke gevel Deze gevel kreeg in de 19e eeuw na een grondige verbouwing zijn huidige gedaante. In de 13e eeuw was het oorspronkelijke gebouw al gewijzigd door de toevoeging van een fronton met puntdak en smalle vensteropeningen. Er zijn drie portalen, waarvan alleen de middelste een timpaan heeft.

Het fronton heeft een zeer merkwaardige functie. Want niet alleen dient het ter maskering van de onregelmatigheden in de gevel - wat alle frontons doen - maar het dient ook als timpaan voor de gewelven van de narthex en de vensteropeningen in het laagste gedeelte van het fronton laten licht toe aan de narthex. Ook loopt een fronton zelden uit op een spitsboog, zoals hier. De beelden in het bovenste deel stellen in de top een tronende Christus voor in zegenende houding met het Evangelie in de hand; twee engelen houden een grote kroon boven zijn hoofd, rechts van hem staat Maria, links Maria Magdalena. Op de flanken staan twee engelen.

Tussen de slanke vensteropeningen van het laagste gedeelte van het fronton staan vijf heiligenbeelden: Johannes de Evangelist, Andreas, Johannes de Doper, Petrus, Paulus et Benedictus.

De basiliek zou twee torens krijgen, maar de linkertoren is nooit gebouwd. De gotische rechtertoren uit de 14e eeuw, de Saint-Micheltoren, heeft een plat dak dat toegankelijk is vanuit de narthex.

Het timpaan van het Laatste Oordeel thumb|Het timpaan van het hoofdportaal met de voorstelling van het "Laatste Oordeel". Het timpaan boven het centrale portaal van de gevel stelt het Laatste Oordeel voor. Het werd in 1856 vervaardigd door de beeldhouwer Pascal, onder toezicht van de architect Viollet-le-Duc. Het in neo-romaanse stijl uitgevoerde werk ondervond aanvankelijk sterke kritiek maar werd later wel als geslaagd beschouwd. Het oorspronkelijke timpaan, dat tijdens de Franse Revolutie kapotgeslagen werd, heeft een plaats gekregen tegen de buitenmuur van het achtste travee van het schip, aan de zuidzijde.

De compositie is klassiek en geïnspireerd op voorstellingen van het Laatste Oordeel uit andere Romaanse kerken, met name die van het timpaan in de kathedraal Saint-Lazare in Autun. In het midden beheerst Christus in mandorla het beeld, met wijd gespreide armen. Aan zijn linkerhand weegt aartsengel Michael de zielen, een afschuwelijke duivel aan zijn zijde. De veroordeelden, veelal naakt, gaan naar de hel en verdwijnen in de muil van een monstrueuze Léviathan. Aan de rechterhand van Christus staan Maria en Petrus met sleutel en gaan de uitverkorenen naar het Hemelse Jeruzalem. Rond Christus zijn de evangelisten in de gedaante van hun symbooldieren afgebeeld: bovenaan Lucas en Matheus, onderaan Marcus en Johannes. De latei, onder het timpaan, toont episodes uit het leven van Christus.

Het interieur van de basiliek De narthex De narthex heeft zijn eigen symboliek; hij is in principe voor de gelovigen een plek van bezinning en boetedoening alvorens de kerk binnen te gaan. Nog niet gedoopten en degene die het licht nog niet ontvangen hebben (de pinkstergedachte) mogen de kerk niet betreden. In de narthex van Vezelay wordt dit gegeven op bijzondere wijze geïllustreerd in het timpaan in deze ruimte. Hierin worden de apostelen bevangen door de heilige geest de wereld in gestuurd om de volkeren te bekeren. Na de bekering mogen de gelovigen binnentreden en opgaan naar het licht.

De tussen 1145 en 1150 gebouwde narthex is romaans; hij werd in navolging van Cluny gebouwd om de opstelling van processies te vergemakkelijken. Hij heeft een diepte van drie traveeën en is, net als de kerk, ingedeeld in drie schepen. Vanuit de narthex verschaffen drie portalen, elk met een gebeeldhouwd timpaan erboven, toegang tot de kerk. De brede tribunes of galerijen van de narthex zijn een bijzonderheid want ze bestaan niet in de kerk zelf. Ze beslaan de twee zijbeuken en het derde travee van het middenschip. Deze laatste galerij (boven de grote toegangsdeur naar de kerk zelf) kijkt uit op het middenschip van de kerk. De balustrade van de centrale galerij is versierd met een fries met mijterbogen. Een zeer belangrijk detail: het graatgewelf boven deze galerij is gotisch en heeft spitsbogen. Het is een van de eerste voorbeelden in Frankrijk van zijn soort; de andere gewelven zijn romaans met sterk verhoogde ribben. De galerijen boven de zijbeuken kijken uit op de centrale galerij via kleine rondbogen op zuiltjes.

Eugène Viollet-le-Duc, die narthexen "porches fermés" (gesloten voorportalen) noemde, beschouwde die van Vézelay als een van de meest opmerkelijke van de Middeleeuwen en maakte er een aantal zeer fraaie schetsen van.Eugène Viollet-le-Duc - Dictionnaire raisonné de l'architecture française du XIe au VIe siècle (rubrique Porche).

Het hang- en sluitwerk van de deuren in de narthex en de buitendeur van de noordelijke zijbeuk werd vervaardigd door Pierre François Marie BoulangerAnnales archéologiques, Adolphe N. Didron, Édouard Didron, Volume 15, Librairie Archéologique de Didron, 1855 Lire en ligne.

Het middenportaal van de narthex en zijn timpaan thumb|Het middenportaal met zijn timpaan. Open deuren bij het uitgaan van de mis. Het timpaan van het middenportaal in de narthex is een van de grootste meesterwerken van de romaanse beeldhouwkunst in Frankrijk. Het stelt de wording van de Kerk voor, met Christus die de apostelen zegent en hen opdraagt de volkeren te bekeren. Deze thematiek is uniek in de romaanse kunst. De scène is geheel en al georganiseerd rond een in glorie tronende Christus. Hij domineert de andere personages door zijn omvang. Het onbewogen gezicht van Christus contrasteert met zijn houding, die iets weg heeft van een bliksemschicht, en de werveling in zijn kleding. Sommigen zien in zijn houding een kruis. Van zijn handen gaan stralen uit in de richting van de apostelen. Zij symboliseren de missie die hij hen opdraagt: "Ga dan heen, onderwijs al de volken". De twaalf apostelen houden het Boek in hun hand en zijn bereid naar alle hoeken van de wereld te vertrekken. En die wereld wordt in al zijn diversiteit getoond: in acht cassettes in een halve cirkel rond de scène worden diverse volkeren getoond. Oorspronkelijk stonden er verklarende teksten bij, maar die zijn verdwenen. Een gangbare, maar hypothetische identificatie ziet (van links naar rechts): twee schrijvende apostelen, de Joden, de Cappadociërs, de Arabieren, de Cynocefalen (hondskoppigen) die geacht worden in Indië te leven, de Phrygiërs, de Byzantijnen en de Armeniërs.

In de buitenste boog van de archivolt worden de tekens van de Dierenriem getoond alternerend met de agrarische werkzaamheden van de verschillende maanden.

In de horizontale band (latei) onder het timpaan worden twee stoeten afgebeeld van - opnieuw - bekende en onbekende volkeren. Beide zich naar het midden, waar twee grotere personages hen tot Christus zullen voeren; het zijn respectievelijk Petrus, herkenbaar aan zijn sleutel en Paulus, de twee steunpilaren van de kerk.

De trumeau tussen de deuren wordt gesierd door het beeld van Johannes de Doper, de Voorloper van Christus. Hij houdt in zijn rechterhand een plateau met het zegevierende Lam Gods (niet meer zichtbaar).

Het rechter portaal en het linker portaal Het timpaan van het rechterportaal (aan de zuidkant) is gewijd aan Maria en de Geboorte. Men ziet de Verkondiging, de Annunciatie, de Visitatie, de geboorte van Christus en de Adoratie van de Drie Koningen.

Het timpaan links (aan de noordkant) toont twee scènes gebonden aan het leven van Christus na de Opstanding. Het bovenste deel stelt of de Hemelvaart voor of een verschijning van de opgestane Christus aan de apostelen. Het onderste deel beschrijft de ontmoeting in Emmaüs, waar de discipelen Christus herkennen door het breken van het brood.

Het schip Met zijn lengte van 62 m is de kerk langer dan andere Franse kathedralen, zoals de Notre-Dame van Parijs (60m) of de Notre-Dame van Amiens (54 m). Lichter dan de narthex lijkt het een lange straat naar het koor.

Het romaanse schip was in 1140 klaar. Net als in de narthex, bevinden zich boven de grote rondboogarcades die toegang geven naar de zijbeuken, de hoge vensters van de bovenste zijmuren. Er zijn tien traveeën waarvan er negen een kruisgewelf hebben gescheiden door ronde gordelbogen, met afwisselend lichte en donkere secties, die steunen op pijlers in drie verdiepingen. De twee zijbeuken zijn ook voorzien van kruisgewelven die rusten op zuilen met versierde kapitelen.

Het laatste travee van het schip, dat grenst aan de dwarsbeuk, heeft spitsbogen om de overgang tot stand te brengen naar viering, dwarsbeuk en koor, die allemaal gotisch zijn. Het is ook hoger dan de overige traveeën van het schip.

Het schip is opvallend licht, vergeleken met andere romaanse heiligdommen. Dat is te danken aan verschillende factoren: de ligging van het gebouw op de top van een heuvel waardoor zonlicht overvloedig invalt, de lichtbeuk met hoge vensters (en zo breed als de romaanse bouwkunde maar toeliet) die direct het middenschip belichten, de afwezigheid van gebrandschilderde ramen en ten slotte de aanwezigheid van brede vensteropeningen in de zijbeuken.