De dagpauwoog (Aglais io) is een middelgrote vlinder uit de onderfamilie Nymphalinae van de familie Nymphalidae.
De dagpauwoog is een van de bontst gekleurde vlinders in Europa. De soort komt binnen Europa algemeen voor in de gematigde zones en ontbreekt in het uiterste noorden en zuiden. Ook in de gematigde gebieden van Azië komt de soort voor tot in Japan. Het grote verspreidingsgebied is onder meer te verklaren doordat de belangrijkste waardplant, de brandnetel, zoveel voorkomt. In België en Nederland is de dagpauwoog een algemene soort en is een van de bekendste dagvlinders.
De dagpauwoog is hier niet te verwarren met andere vlinders vanwege de grootte, de oranjerode vleugels en de karakteristieke oogvlek op de bovenzijde van iedere vleugel. De onderzijde is juist goed gecamoufleerd door donkerbruine kleuren en donkere strepen. Ook de rupsen zijn duidelijk te herkennen aan hun gitzwarte lichaam met lange, brede stekels. Zij zijn soms massaal te vinden op brandnetels, die geheel kaalgevreten kunnen worden.
De dagpauwoog is voornamelijk te zien in de zomer, het is een van de soorten die als volwassen vlinder overwintert en 's winters kan worden aangetroffen in huizen. In de lente ontwaken de dieren weer om te paren en de eieren af te zetten.
Naamgeving en taxonomie thumb|Tekening van de vlinder en rups door F. Nemos uit Europas bekannteste Schmetterlinge, circa 1895
De dagpauwoog werd door Carl Linnaeus als Papilio io in Systema naturae van 1758 vermeld. Butterflies of Norway - Inachis io - Website De soort is later in andere geslachten geplaatst, zoals in Nymphalis als Nymphalis io en werd naderhand in het monotypische geslacht Inachis geplaatst, een naam die nog veel in de literatuur te vinden is. De geslachtsnaam Inachis is een verwijzing naar de riviergod Inachos uit de Griekse mythologie. Op basis van nieuwe inzichten werd de soort later in het geslacht Aglais geplaatst. De soortaanduiding io verwijst naar de dochter van Inachos, Io.
De dag(-)pauwoog dankt zijn Nederlandstalige naam aan de dagactieve levenswijze en de vlekken op de vleugels. Deze oogvlekken hebben iriserende blauwe en paarse kleuren en doen denken aan de oogvlek op een staartveer van een mannelijke pauw (Pavo cristatus). Oogvlekken op de vleugels komen overigens bij veel meer soorten vlinders voor, ook bij soorten uit andere families.
Een verouderde Nederlandse naam is pauwoogvlinder. Ook in andere talen verwijst de naam van de vlinder naar de op de pauwenogen lijkende vlekken. Voorbeelden zijn het Engelse peacock butterfly, het Duitse Tagpfauenauge, het Franse paon du jour en het Noorse dagpåfugløye.
Ondersoorten Er worden drie ondersoorten onderscheiden die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied:
Naam Auteur Verspreidingsgebied Aglais io caucasica Jachontov, 1912 Azerbeidzjan Aglais io geisha Stichel, 1908 Japan Aglais io io Linnaeus, 1758 Het grootste deel van het verspreidingsgebied.
Verspreiding en habitat thumb|Dagpauwoog op vlinderstruik
De dagpauwoog is een palearctische soort die voorkomt in grote delen van Europa en oostwaarts in Azië voorkomt tot in Japan. In zuidelijk en zuidoostelijk Azië ontbreekt de soort.
Binnen Europa heeft de soort zijn noordgrens in het zuiden van Scandinavië omdat het ten noorden hiervan te koud is. In het zuiden van Europa ontbreekt de soort rond het Middellandse Zeegebied. In Groot-Brittannië is de dagpauwoog met name in het zuidelijke deel te vinden en wordt deze naarmate men noordelijker komt, zeldzamer. In Ierland komt de soort wel algemeen voor.
Habitat De vlinder heeft geen echte voorkeur voor een bepaald leefgebied, als het maar zonnig is en er bloemen zijn om nectar uit te zuigen. Daarom is de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, maar ook tuinen worden veel bezocht, en vooral als er planten als de vlinderstruik in staan. Veel vlinders worden in hun verspreiding in sterke mate beperkt door de verspreiding van de waardplanten waarop de rupsen leven. De larven van de dagpauwoog beschikken echter over een ruim aanbod aan voedsel omdat de brandnetels waarop ze leven zeer algemeen voorkomen. De vlinder kan zich hierdoor ontwikkelen in slecht onderhouden tuinen, slootkanten, industrieterreinen, braakliggende stukken grond, bosranden, vuilstortplaatsen, parken, wegbermen, spoordijken en vele andere door de mens geschapen biotopen.
Standvlinder De dagpauwoog is een standvlinder maar kan nieuwe gebieden snel koloniseren. De soort kan tot tientallen kilometers zwerven, waarbij de dieren vooral met de wind mee worden gevoerd en niet gericht trekken, zoals de atalanta. Soms komen grote aantallen door de wind meegevoerde exemplaren voor, zoals in het jaar 1995 het geval was in Nederland. Ook de algemene verspreiding van de voedselplanten draagt ertoe bij dat de soort in een gunstig jaar enorm in aantal kan toenemen; dan zijn er drie generaties mogelijk en leggen de vrouwtjes tot 1000 eitjes.
België en Nederland In België en Nederland is de soort van de vroege lente tot in de herfst vrijwel overal te vinden, ook in hoger gelegen delen van de Ardennen en op alle Waddeneilanden. In de jaarlijkse tuinvlindertelling van De Vlinderstichting werd de dagpauwoog tussen 2 en 4 augustus 2013 38.883 maal waargenomen en was daarmee de meest getelde soort.
Veldkenmerken thumb|Lichaamskenmerken van de dagpauwoog: thumb|Een macro-opname van de vleugel waarbij de gekleurde schubben zijn te zien thumb|De voorpoten zijn in rust moeilijk te zien.
De dagpauwoog is een vrij grote vlinder die een vleugelspanwijdte of vlucht van ongeveer 50 tot 60 millimeter bereikt. Net als bij andere vlinders bestaat het lichaam uit drie delen en beschikt het dier over twee paar vleugels en drie paar poten. De soort is gemakkelijk te herkennen aan een combinatie van bepaalde lichaamskenmerken zoals de aanhangsels van de kop, de kleur van de vleugels en de vorm van de poten.
Kop De kop is relatief klein maar is duidelijk te onderscheiden van de achterzijde door de verschillende aanhangsels. De meest geprononceerde uitsteeksels zijn de antennes, die relatief lang en zwart van kleur zijn. De antennes zijn dun en sprieterig en hebben een opvallend, tonvormig uiteinde dat aan de bovenzijde wit van kleur is. De antennes zijn belangrijke zintuigen en bevatten chemoreceptoren om voedsel en een partner op te sporen.
De voorzijde van de kop bevat verschillende gepaarde organen, waarvan de zogenaamde labiale palpen vaak duidelijk te zien zijn als behaarde uitsteekseltjes aan de voorzijde. In het midden van de labiale palpen is de proboscis of roltong gelegen. Deze oprolbare tong is in rust niet te zien maar kan bij het opnemen van voedsel enkele millimeters worden uitgestoken. De tong bestaat uit twee duidelijk verlengde kopdelen, de zogenaamde galea. Bij andere insecten zijn dit twee kleine lobjes aan de kop maar bij veel vlinders zijn de galea uitgegroeid tot een samengestelde buis.
Borststuk Het borststuk van de vlinder is bol van vorm, dicht behaard en is het breedste deel van het lichaam. Het borststuk herbergt de sterk vergrote vleugelspieren van de vlinder. Het bestaat uit drie segmenten, aan de bovenzijde zijn aan de eerste twee segmenten twee paar vleugels aangehecht en aan de onderzijde draagt ieder segment een paar poten.
Vleugels De vleugels bestaan uit twee voorvleugels aan de voorzijde en twee achtervleugels aan de achterzijde. De bovenzijde van de vleugels heeft bonte kleuren terwijl de onderzijde donkerbruin tot zwart van kleur is.
De bovenzijde van de voorvleugel is grotendeels helder oranjerood van kleur met een brede zoom die bruin gekleurd is. Langs de vleugelrand loopt een smalle donkerkleurige zoom. Aan de voorrand van de vleugel is een opvallende gele strook aanwezig die de vleugelrand volgt, en duidelijk zwart gestreept is zodat een zebramotief ontstaat. Deze band beslaat ongeveer de helft van de vleugelrand aan de voorzijde van de vleugelwortel tot het midden van de vleugel. In de buitenhoek van de voorvleugel is een grote oogvlek gelegen die bestaat uit een oranjerood centrum waarvan de bovenzijde overgaat naar zwart, omgeven door een brede witgele rand. De buitenrand van de vlek, naar de vleugelpunt toe, heeft iriserende paarse en blauwe kleuren. De blauw-paarse kleur hier komt doordat de vleugel, door zijn minimale dikte, werkt als een zogenoemde thin film, hetzelfde optische fenomeen als bijvoorbeeld olie op water en een zeepbel.Thin film and multilayer optics cause structural colors of many insects and birds D.G. Stavenga (2014) Materials Today: Proceedings 1S:109-121
Aan de binnenzijde van de vlek, aan de vleugelwortel-zijde, is een zwarte vlek gelegen die verder naar het centrum overgaat in een witte vlek en ten slotte in een driehoekige, zwarte vlek die duidelijk uitsteekt naar de achterzijde. Deze driehoekige vlek is gelegen onder de zebra-achtige lichte rand aan de vleugelrand. Onder de oogvlek zijn twee kleine lichtere tot witte vlekken gelegen die vaak iriserende paarse kleuren hebben. Aan de binnenzijde van de voorvleugel, bij het lichaam van de vlinder, is de kleur donkerder en bedekt met kleine gele stipjes. Deze doen enigszins denken aan goudstof.
De bovenzijde van de achtervleugel is alleen op het midden voorzien van de oranjerode kleur. De vleugel is aan de lichaamszijde grotendeels donkerder gekleurd en heeft ook kleine gele vlekjes als op de voorvleugel. Ook op de achtervleugel is een grote oogvlek aanwezig op de vleugelpunt. Deze vlek heeft een minder geprononceerde witte zoom dan de oogvlek op de voorvleugel. Het centrum is zwart en voorzien van twee vlekken die een paarse kleur hebben. Ook de achtervleugel is voorzien van een bruine zoom aan de rand.
De onderzijde van zowel de voor- als de achtervleugels is zeer donkerbruin van kleur en de oogvlekken zijn afwezig. Het vleugeloppervlak heeft enkele donkere, golvende lijnen op het midden, aan de vleugelrand is een rij donkere vlekjes aanwezig. Het geheel doet denken aan een verdord blad, zodat de dagpauwoog bij gesloten vleugels goed gecamoufleerd is.
Poten De poten van de vlinder zijn relatief lang en zwart van kleur. Het uiteinde van de poot, ook wel tars of voet, heeft bij een vrouwtje vijf geledingen. Mannetjes hebben een enkel lid dat sterk verlengd is. Net als bij veel andere vlinders bevatten de poten ook chemosensorische zintuigcellen. Hierdoor 'proeft' de vlinder de ondergrond zodra hij hierop landt. Vooral de vrouwtjes kunnen zo goed waarnemen op welke plant de vlinder zich bevindt, wat belangrijk is bij het afzetten van de eitjes.Het voorste potenpaar is bij de soorten uit de familie Nymphalidae, waartoe de dagpauwoog behoort, duidelijk gespecialiseerd. Dit potenpaar is omgebouwd tot poetsorganen en wordt gebruikt om de antennes schoon te houden. Het voorste potenpaar is aanzienlijk kleiner en is in rust niet te zien, waardoor het lijkt alsof de vlinder slechts twee paar poten heeft.
Achterlijf Het achterlijf van de vlinder is het langste lichaamsdeel en is verdeeld in verschillende segmenten. Omdat het achterlijf dicht behaard is zijn de verschillende delen moeilijk te onderscheiden. De haartjes zijn glanzend en roodbruin tot bruin van kleur. Het achterlijf van de vlinder bevat de organen zoals de ademhalingsorganen, de spijsverteringsorganen en de geslachtsorganen.
Onderscheid met andere soorten De dagpauwoog is dankzij de paarsblauwe oogvlekken op een oranjerode achtergrond moeilijk te verwarren met enige andere vlindersoort. Er zijn wel andere soorten met oogvlekjes, zoals het bont zandoogje maar de vlekken zijn veel kleiner en hebben gele en bruine kleuren. Vlinders met vergelijkbare oogvlekken zoals de nachtpauwoog hebben vaak een sterk afwijkende lichaamsvorm zodat ze makkelijk zijn te onderscheiden. De verwante soorten uit het geslacht Aglais hebben wel overeenkomende oranjerode vleugelkleuren en vlekken maar nooit duidelijke oogvlekken zoals de dagpauwoog.
Rups