Intelligentie is een mentale eigenschap met veel verschillende functies, zoals het vermogen om overeenkomsten en verschillen waar te nemen, het vermogen zich in de ruimte te oriënteren, het kunnen redeneren, het kunnen plannen en het vermogen problemen te doorgronden en op te lossen. Verder valt ook het vermogen om in abstracties te kunnen denken, ideeën en taal te begrijpen en te produceren, informatie op te slaan in het geheugen en daar weer uit op te halen, en het kunnen leren uit ervaringen, onder het begrip 'intelligentie'. Bij hogere diersoorten als chimpansees zijn vermoedelijk bepaalde, met menselijke intelligentie vergelijkbare functies werkzaam, bijvoorbeeld het taalbegrip.
Aangeboren intelligentie wordt ook wel aangeduid als begaafdheid of talent. Intelligentie is een kenmerk van de persoonlijkheid van het individu. Verschillende soorten, of bepaalde facetten van intelligentie zijn bij verschillende individuen verschillend ontwikkeld. Zo leert de een makkelijker een nieuwe taal, terwijl de ander zich sneller kan oriënteren in de ruimte. Hierbij spelen sociale achtergrond, opleiding en cultuur een belangrijke rol.
Definities David Wechsler, een Amerikaanse psycholoog die de Wechsler intelligentietests ontwierp, definieerde intelligentie als het vermogen doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan.
Twee Nederlandse intelligentieonderzoekers, Wilma Resing en Pieter Drenth, omschreven het begrip intelligentie, in een uitgave voor een breed publiek uit 2001, als 'een conglomeraat van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden', zoals:
abstract, logisch en consistent kunnen redeneren, verbanden kunnen leggen, problemen kunnen oplossen, regelmatigheden - patronen - kunnen ontdekken in schijnbaar ongeordend materiaal, met bestaande, eerder verworven kennis nieuwe taken aankunnen, zich kunnen aanpassen aan nieuwe situaties, zelfstandig kunnen leren, zonder directe en volledige instructie nodig te hebben.Resing W. en Drenth P. Meten en weten, Amsterdam 2001, 192 pagina’s, . Recensie in Pedagogische Studiën (2002), jaargang 79, nummer 3
Deze omschrijving heeft veel gemeen met de verschillende soorten van intelligentie die de Amerikaanse psycholoog Robert Sternberg onderscheidt.
Algemene intelligentie De Britse psycholoog Charles Spearman beschouwde intelligentie als een vorm van mentale energie, of "algemene factor", ook wel factor G (general). Daarnaast onderscheidde hij nog een specifieke factor (S, specific). Een veelgebruikte test voor algemene intelligentie (factor G) is de Raven-test. Het idee dat intelligentie in één algemene factor of index te vatten is, werkt nog steeds door in sommige moderne intelligentietests.
Vormen van intelligentie Amerikaanse psychologen uit het begin van de 20e eeuw, zoals Thurstone, Cattell en GuilfordGuilford, J. P. (1956). "The structure of intellect". Psychological Bulletin 53: 267–293. doi:10.1037/h0040755., ontwikkelden modellen waarin intelligentie is samengesteld uit meerdere, naast elkaar bestaande dimensies of factoren. Dit ging in tegen het idee van één enkele, algemene vorm van intelligentie, vastgelegd in het IQ.
Een belangrijk onderscheid van Cattell was dat tussen vloeibare intelligentie en gekristalliseerde intelligentieCattell, R. B. (1943). "The measurement of adult intelligence". Psychological Bulletin 40: 153–193. doi:10.1037/h0059973.. Dit is min of meer synoniem met de twee soorten inzicht, die respectievelijk zijn gebaseerd op het abstract denken en op de ervaring. Mensen die hoog scoren op vloeibare intelligentie vertonen een sterkere activatie van de prefrontale cortex, in taken die een beroep doen op het werkgeheugen.Gray, J.R., Chabris, CF & Braver, T.S. Nature Neuroscience, 6, 316-322, 2003
Amerikaanse psychologen als Robert Sternberg, Howard Gardner en Daniel Goleman hebben later vanuit een andere invalshoek het begrip intelligentie willen verbreden en nuanceren, door aandacht te vragen voor vormen van intelligentie die met de gewone intelligentietests niet goed zijn vast te stellen.
Zo ontwikkelde Gardner het concept meervoudige intelligentie en onderscheidt Sternberg drie vormen van intelligentie: analytische, synthetische (of creatieve) en praktische intelligentie.Sternberg, R. J. (2003). Giftedness According to the Theory of Successful Intelligence. In N. Colangelo & G. Davis (Eds.), Handbook of Gifted Education (88-99). Boston MA: Allyn and Bacon. Gardner wil alleen spreken over intelligenties, in meervoud, omdat mensen goed kunnen zijn in de ene vorm van intelligentie en minder in de andere. Gardner onderscheidt zeven vaardigheden waarin iemand meer of minder intelligent kan zijn: taal, wiskunde, muziek, intermenselijke relaties, ruimtelijke oriëntatie, lichaamsbeheersing en zelfkennis.
Maar in grote lijnen onderscheiden zowel leken als onderzoekers drie hoofdcomponenten van intelligentie: respectievelijk analytische, praktische, en sociaal-emotionele intelligentie.
Analytische intelligentie Analytische intelligentie verwijst naar het abstract kunnen redeneren, en de vaardigheid om met nieuwe omstandigheden om te gaan, zoals het analyseren van nieuwe informatie. Resing en Drenth (2001) omschrijven analytische intelligentie als alle verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden waardoor de mens abstract, logisch en samenhangend kan nadenken, problemen kan oplossen en relaties of verbanden kan leggen. Het is deze vorm van intelligentie die nodig is om op school goed te kunnen presteren. Intelligentietests, zoals de IQ-test, zijn ontwikkeld om analytische intelligentie te meten, met als doel de prestaties op school of in het later beroep te voorspellen.
Praktische intelligentie Praktische intelligentie verwijst naar hoe competent iemand is in alledaagse situaties, bijvoorbeeld in welke mate iemand oplossingen vindt voor alledaagse problemen op het werk of thuis. Het begrip verwijst naar de mate waarin iemand een 'expert' geworden is in de dagelijkse, bekende, praktische taken.
Sociale intelligentie Sternberg onderscheidt aan de intelligentie een contextuele kant, een ervaringskant en een componentenkant. De contextuele kant is de mate waarin iemand snel kan inspelen op de eisen van de omgeving, en ook snel kan zien of hij of zij tegen die taak is opgewassen, hulp kan gaan zoeken, of de taak zo kan wijzigen dat hij of zij die toch aankan. Dit is de praktische intelligentie uit het dagelijks leven. Belangrijk hierin is de sociale intelligentie of sociale cognitie. De ervaringskant is het gemak waarin iemand al denkende en doende op ideeën komt en inventief kan zijn in het leggen van verbanden tussen al bekende en nieuwe problemen. Dit is de creatieve gerichtheid van het brein. De componentenkant betreft het analytisch proces dat in het brein plaatsvindt als een probleem moet worden opgelost. Welke denkstrategieën worden daarbij gebruikt en welke denkstappen gezet? En in welke volgorde? Deze kant van de intelligentie sluit het meest aan bij wat er in het onderwijs van leerlingen wordt gevraagd.
Emotionele intelligentie Goleman heeft naast de rationele aspecten aandacht gevraagd voor de emotionele intelligentie. Hierin zijn zelfkennis, verplaatsing in de gedachten en gevoelens van anderen en het vermogen tot samenwerken met, en aansturing van, anderen belangrijke componenten. Het begrip komt sterk overeen met dat van de sociale intelligentie. Goleman heeft voor deze vorm van intelligentie ook een test ontwikkeld, de EQ-test genoemd, analoog aan de IQ-tests. Hierbij moet worden opgemerkt dat de term 'emotionele intelligentie' strikt gezien een verkeerde is, aangezien het woord intelligentie per definitie verwijst naar de intellectuele vermogens en niet naar de emotionele.
Creativiteit en wijsheid Meestal worden onder het begrip intelligentie niet eigenschappen als creativiteit en wijsheid begrepen. Guilford sprak echter van divergente productie, een vorm van intelligentie die veel gemeen heeft met creativiteit. Ook Sternbergs synthetische intelligentie heeft hiermee te maken. De psycholoog Raymond B. Cattell maakte verder een onderscheid tussen twee vormen van intelligentie die hij aanduidde als fluïde intelligentie en gekristalliseerde intelligentie. De eerste vorm had vooral te maken met het vermogen om snel en abstract te kunnen denken, de tweede vorm met kennis en ervaring. Wijsheid kan men beschouwen als een variant op deze tweede vorm.
Visies op intelligentie Naast de verschillende, onderscheiden vormen van intelligentie, bestaan er verschillende visies op intelligentie. Twee van deze visies weerspiegelen samen het nature - nurture debat, de vraag of intelligentie aangeboren, dan wel aangeleerd is, dankzij een al dan niet gunstige sociale omgeving. Een derde visie legt de nadruk op de (school)prestaties. Alle drie visies omvatten de analytische, praktische, sociale en de emotionele intelligentie. Als mensen spreken over 'intelligentie', bedoelen ze vaak een bepaalde vorm van intelligentie, en vanuit een bepaalde, ideologisch gekleurde visie. In een gesprek over intelligentie moet duidelijk zijn over welke vorm van intelligentie het gaat, en vanuit welke visie men spreekt, om zo misverstanden te vermijden. Zeker in een praktisch belangrijk gesprek - zoals op een oudercontact - is dit belangrijk.
Nature Volgens de eerste visie is intelligentie iets dat wordt meegekregen bij de geboorte, een aangeboren potentieel tot intelligent gedrag, dat al of niet tot zijn recht komt. Men kan zakken voor een examen of vroegtijdig van school gaan, en toch intelligent zijn.
Nurture Volgens de visie die de nadruk op nurture legt, wordt iedereen geboren met hetzelfde potentieel of dezelfde mogelijkheden tot intelligent gedrag. De verschillen in intelligentie tussen mensen wordt verklaard vanuit verschillen in de leeromgeving, bijvoorbeeld in welke mate iemand thuis of op school gemotiveerd werd om bij te leren, of de mogelijkheden van kinderen om al dan niet naar school te gaan. Binnen deze visie is iemand intelligent als dit ook effectief tot uiting komt.
Bovenstaande geldt niet voor diegenen die met een cerebrale handicap worden geboren, of post partum (na de bevalling) een verstandelijke handicap hebben opgelopen. Ook bij NAH geldt dat soms niet, of blijft de intelligentie op dezelfde hoogte, maar komt deze minder tot zijn recht, door het hersenletsel.
Prestatiegerichte visie Deze visie impliceert dat iemand intelligent is als hij hoge scores haalt op een test. Die prestatiegerichte visie is duidelijk terug te vinden op school. Iemand is intelligent genoeg wanneer hij op alle toetsen, opdrachten en examens op voldoende wijze slaagt. Iemand is heel intelligent als hij heel hoge scores behaalt. Dit is de vaak gehanteerde visie van intelligentie. Rapportcijfers of IQ-score bepalen de mate waarin iemand intelligent is.
Intelligentie en maatschappelijke positie Mensen met een hoge intelligentie blijken gemiddeld een betere maatschappelijke positie en hoger inkomen te hebben dan mensen met een lage intelligentie. Volgens bepaalde studies (zie bijvoorbeeld The Bell Curve) is het zelfs zo dat milieu of afkomst daarbij minder gewicht in de schaal leggen dan iemands (aangeboren) intelligentie.
Intelligentie en etniciteit