thumb|right|Little River Band zonder originele leden in het Seminole Hard Rock Hotel & Casino Hollywood (oktober 2006) Little River Band is een Australische popgroep die in 1975 in Melbourne werd opgericht. De naam van de band is ontleend aan een verkeersbord richting de gemeente Little River, dicht bij de stad Geelong. Het was de eerste Australische band met aanhoudend commercieel succes in de Verenigde Staten. Tijdens zijn bestaan heeft de band meer dan 25 miljoen albums verkocht en maakte hij 13 Amerikaanse top 40-hits. Tussen 1978 en 1981 behaalde de Little River Band zes opeenvolgende top 10-noteringen in de Verenigde Staten met de hits "Reminiscing", "Lady", "Lonesome Loser", "Cool Change", "The Night Owls" en "Take It Easy On Me". "Forever Blue" was in 1995 de laatste hit in Nederland.
De klassieke bezetting zoals die in 1976 is ontstaan - Glenn Shorrock, Graeham Goble, Beeb Birtles (artiestennaam van Gerard Bertelkamp, die in 1948 in Amsterdam werd geboren en in 1957 met zijn ouders naar Australië emigreerde), George McArdle, David Briggs en Derek Pellicci - werd in 2004 ingehuldigd in de ARIA Hall of Fame (vergelijkbaar met de Rock & Roll Hall of Fame). De band bestaat nog steeds en heeft vanaf het begin vele wisselingen ondergaan in de bezetting, waarbij bovengenoemde leden allemaal zijn vertrokken. Zo was John Farnham van 1982 tot 1986 de leadzanger nadat Shorrock zijn eerste periode had beëindigd. Bassist Wayne Nelson, gitarist Stephen Housden, toetsenist David Hirschfelder en drummer Steve Prestwich traden datzelfde decennium toe.
De drie oorspronkelijke zangers, die gezamenlijk alle echte Little River Band-hits hebben geschreven, traden van 2001 tot 2007 op als Birtles Shorrock Goble. Doordat ze uit de band waren gestapt hadden zij de rechten op de oorspronkelijke groepsnaam en beeldmerk niet meer in bezit; deze kwamen volledig in handen van Housden met wie ze destijds in een juridische strijd waren verwikkeld.Little River Band Scam. Gearchiveerd op 28 november 2023. Housden leidt de band sinds 2006 vanachter de schermen. Van de muzikanten die tegenwoordig als Little River Band optreden - Chris Marion, Ryan Ricks, Colin Whinnery, Bruce Wallace en oudgediende Nelson - is niemand Australiër of bandlid geweest in de jaren zeventig.
Achtergrond 1970-1975; voorgeschiedenis Little River Band ontstond in maart 1975 in Melbourne als een meerstemmige softrockband; de oorspronkelijke leden waren leadzanger Glenn Shorrock, Graeham Goble en Beeb Birtles , die beiden gitaar speelden en zongen, en gitarist Ric Formosa, bassist Roger McLachlan en drummer Derek Pellicci. Feitelijk waren ze een Australische supergroep aangezien Birtles, Goble, Pellici en Shorrock afkomstig waren uit lokale bands. Birtles was van 1967 tot 1971 bassist/zanger van de pop/rockband Zoot die ook de carriere van zanger/gitarist Rick Springfield lanceerde.
Goble woonde nog in Adelaide toen hij in 1970 Allison Gros oprichtte; na de verhuizing naar Melbourne werd de naam gewijzigd tot Mississippi en de koers verlegd van folkrock naar meerstemmige countryrock. Aan het eind van het jaar trad Birtles toe als gitarist/zanger, en Pelicci als drummer. Ze scoorden hits in eigen land en bouwden een live-reputatie op in het concert- en festivalcircuit. Tijdens deze periode (1971-72) deden ze ook sessiewerk onder het pseudoniem Drummond en stonden ze acbt weken op nummer 1 met hun coverversie van de doowopklassieker Daddy Cool.
Shorrock zong van 1964 tot 1969 bij popgroep The Twillights en van 1969 tot 1971 bij countryrockband Axiom naast Brian Cadd. Zowel Axiom als Mississippi verhuisden naar Engeland in de vergeefse hoop er door te breken. Nadat Axiom ter plekke uit elkaar viel kwam Shorrock in 1973 bij de progressieve rockband Esperanto terecht en werd hij achtergrondzanger van Cliff Richard.
Eind 1974 hadden Birtles, Goble en Pelicci in Londen een gesprek met Glenn Wheatley, de voormalige bassist van The Masters Apprentices die talentmanager was geworden vanwege de oplichterspraktijken in de muziekscene van de jaren zestig. Ze hielden audities voor een leadzanger, en verkozen Shorrock boven ex-New Seeker Peter Doyle. Begin 1975 keerden Birtles, Shorrock, Goble en Pelicci terug naar Melbourne; Wheatley ging mee en nam het management op zich. Vanwege het teleurstellende onthaal in Engeland besloten ze met hun nieuwe band het vizier op Amerika te richten. De kennis en expertise van Wheatley maakten het mogelijk een doorbraak in de VS aldaar te bewerkstelligen.
De naam Mississippi was nog in gebruik toen de bandleden in februari 1975 begonnen te repeteren, bijgestaan door gitarist Graham Davidge en bassist Dave Orams. Ook namen ze een cover op van The Everly Brothers' When Will I Be Loved in de Armstrong Studio's; deze zou uiteindelijk veertien jaar op de plank blijven liggen omdat Linda Ronstadt een maand later haar versie op single uitbracht.
De naamswijziging gebeurde omdat de Australische fans het maar niks vonden dat een band uit eigen land zich naar een Amerikaanse rivier had vernoemd. In zijn autobiografie Every Day Of My Life vertelde Birtles hoe hij en Shorrock onderweg naar een optreden in Geelong Little River zagen staan op een verkeersbord. Allemaal werden ze het erover eens dat dit de groepsnaam moest worden.
1975-1976; beginjaren In mei 1975 tekenden ze een contract bij EMI en doken ze een maand later de Armstrong Studio in om hun titelloze debuutalbum op te nemen. Het album was medegeproduceerd door Birtles, Shorrock, Goble en Wheatley en verscheen in november. Little River Band haalde een top 20-notering in de Australische albumlijst (nr.17), net als de voorafgegane single Curiosity (Killed the Cat) (nr.15), en werd begin 1976 met goud bekroond. De overige twee singles van het album waren Emma en It's a Long Way There.
In december 1975 reisde Wheatley naar Los Angeles om een Amerikaanse platendeal te regelen; op kerstavond werd de band getekend door Rupert Perry van Capitol. In april 1976 verscheen het tweede album van Little River Band; After Hours was door de band zelf geproduceerd en haalde in Australië de vijfde plaats. De single Everyday of My Life werd in mei 1976 een top 30-hit.
1976-1982; succes en bezettingswijzigingen In augustus 1976 verlieten Formosa en MacLachlan de band om zich op sessiewerk te richten; daarnaast sloot MacLachlan zich aan bij de countryrockband Stars. Formosa zag het niet zitten om buiten Australië te toeren, maar bleef samenwerken met LRB; hij schreef en arrangeerde de strijkerspartijen die op hun komende albums te horen waren. Met de komst van David Briggs, (ex-Cycle, The Avengers en Ram Band) als gitarist en George McArdle (eveneens ex-Ram Band) als bassist ontstond de klassieke bandbezetting.
Aangemoedigd door hun succes in Australië begonnen de heren in september 1976 aan hun eerste internationale tournee. Eerst stonden ze in het voorprogramma van Queen in het Londense Hyde Park, daarna trokken ze met de Hollies door het Europese vasteland. Birtles adviseerde andere Australische bands om eerst in eigen land door te breken en dan pas Engeland te veroveren. Hun eerste Amerikaanse concert was in oktober als voorprogramma van Average White Band in James Maddison University (toen nog Maddison College geheten), Harrisonburg, Virginia. It's a Long Way There werd als internationale debuutsingle uitgebracht en veelvuldig gedraaid op de radiozenders met als resultaat een 28e plaats in de Billboard Hot 100.
Met de tournees liepen ook de spanningen op; voor het volgende album namen Birtles, Shorrock en Goble hun partijen zoveel mogelijk apart op. Diamantina Cocktail verscheen in april 1977 en was de eerste in een triolgie albums die medegeproduceerd werd door John Doylan. In Australië werd het met een tweede plaats hun hoogst genoteerde album terwijl Help Is on Its Way bovenaan de top 40 stond. Diamantina Cocktail werd in Amerika als het tweede album uitgebracht met enkele vervangende tracks van After Hours dat daar pas in 1980 zou verschijnen. Het haalde er de top 50 van de Billboard 200 en in januari 1978 nam LRB als eerste Australische band een gouden plaat in ontvangst voor de verkoop van meer dan vijfhonderdduizend verkochte exemplaren. Help Is on Its Way en de vierde single Happy Anniversary werden top 20-hits in de Billboard Hot 100.
Gedurende 1977 waren ze veelvuldig op tournee, met name door de VS; in kleinere zalen als hoofdact en in stadions met andere bands zoals The Doobie Brothers, Supertramp en America van wie zij het voorprogramma waren. In augustus sloten zij de tweede dag van het Reading Festival af naast Thin Lizzy. In november 1977 speelden ze met Fleetwood Mac en Santana tijdens de Rockarena-concerten in Sydney en Melbourne. Begin 1978 trad Little River Band gratis op voor de deur van de Sydney Opera House voor een 80,000-koppig publiek; hiermee braken zij hun eigen record (57,000) en dat van Fleetwood Mac.
In mei 1978 verscheen hun vierde album Sleeper Catcher; het werd top 5 in Australië en top 20 in Amerika waar het precies een jaar later als eerste Australische album de platinastatus haalde voor de verkoop van meer dan 1 miljoen stuks. Van de drie singles die het voortbracht scoorde Shut Down Turn Off het hoogst in Australië (nr.16). Reminiscing kwam in Amerika tot nr.3 en werd er hun grootste hit, begin 1979 gevolgd door Lady dat net de top 10 haalde.
Dezelfde maand waarin Sleeper Catcher uitkwam werd Pelicci in het ziekenhuis opgenomen met brandwonden die hij tijdens een barbecue had opgelopen door een fles spiritus. In plaats van de volgende Amerikaanse tournee af te blazen besloot de band deze door te laten gaan met Geoff Cox (ex-Brian Cadd, Bootleg Family Band en Avalanche) als invaldrummer. Ze deden voorprogramma's voor Boz Scaggs, Jimmy Buffett en de Eagles met wie ze in het C.N.E. Stadium. Pelicci was tegen die tijd (augustus 1978) teruggekeerd, maar Cox bleef hem bijstaan totdat hij weer hersteld was.
Tijdens enkele Australische concerten werden de toetsenpartijen waargenomen door Ian Mason, die ook meespeelde op de eerste drie LRB-albums. Bij de Amerikaanse tournee die in december op het programma stond was dat Mal Logan (ex-Dingoes, Renée Geyer Band) met wie de band tot eind 1981 zou samenwerken.
Ondertussen maakten de bandleden tijd vrij voor zijprojecten waardoor de aanhoudende spanningen wat draaglijker werden. Birtles & Goble brachten als duo nummers uit die ze bij LRB niet kwijt konden; dit resulteerde in drie singles - Lonely Lives (maart 1978), I'm Coming Home (maart 1979) en How I Feel Tonight (juni 1980) - die allemaal op het album The Last Romance (mei 1980) terug te vinden waren. I'm Coming Home was het succesvolst met een top 10-notering in Australië, evenals Shorrock' solocover van Bobby Darin's Dream Lover die in april 1979 werd uitgebracht.
Nieuw werk van Little River Band kwam er in juli 1979; First Under The Wire haalde de tweede plaats in de Australische albumlijst en de tiende in de Billboard 200; hun hoogste notering in Amerika en wederom goed voor platina. Ook de singles Lonesome Loser en Cool Change (geschreven door respectievelijk Briggs en Shorrock) werden er top 10-noteringen.
First Under The Wire was ook het eerste studioalbum dat tot stand kwam zonder bassist George McArdle; eind januari 1979 had hij de band verlaten om dominee te worden. Barry Sullivan (ex-Chain, Renée Geyer Band) verving hem vanaf de release totdat hij in april 1980 op zijn beurt plaats maakte voor de Amerikaan Wayne Nelson (ex-Jim Messina Band).
McArdle was nog wel te horen op het live-album Backstage Pass dat in november 1978 in het Adelaide Festival Theatre werd opgenomen en in oktober 1979 uitkwam. Het haalde de 18e plaats in Australië. In maart 1980 werd het in Amerika als dubbelalbum uitgebracht met de opvolger Live In America.