De maritieme geschiedenis van de Nederlanden beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van de scheepvaart in de Lage Landen, vanaf de vroegste tijd tot 1585.Deze arbitraire grens volgt Maritieme geschiedenis der Nederlanden, deel 1, dat de val van Antwerpen aangeeft als omslagpunt van de economische en maritieme verschuiving naar het Noorden, terwijl de scheiding duidelijk onomkeerbaar wordt. Het wordt echter niet als scherpe scheiding gezien. Dit artikel wil daarvan een overzicht bieden. De hierop volgende periode wordt beschreven in: Maritieme geschiedenis van België Maritieme geschiedenis van Nederland

Prehistorie + Prehistorische vondstenNaamJaarKano van PesseKano van Hardinxveld-Giessendam~5000 v.Chr.Kano van Bergschenhoek~4200 v.Chr.Kano van Hazendonk3400–2900 v.Chr.Kano van De Vergulde Hand~800 v.Chr.Kano van Nigtevecht800–500 v.Chr.Kano van Nijeveen800–500 v.Chr.Kano van Terbregge800–500 v.Chr.Kano van Nekkerspoel~500 v.Chr. De sterke verbondenheid van de Nederlanden met de zee heeft een lange voorgeschiedenis. De oudste boten in de Nederlanden zijn waarschijnlijk huidboten geweest; hiervan zijn echter geen overblijfselen gevonden. Pas na het Weichsel-glaciaal begonnen er hier bomen te groeien. Tijdens het Preboreaal en het Boreaal (9500–7200 v.Chr.) werden er boomstamkano's gemaakt van grenenhout, zoals de in 1955 bij Pesse in Drenthe gevonden kano van Pesse. Deze uitgeholde grove den is gedateerd tussen 8200 en 7600 v.Chr. en voor zover bekend de oudst bewaard gebleven boot ter wereld. In 1904 werd bij Nekkerspoel de kano van Nekkerspoel gevonden, die gedateerd is op ~500 v.Chr. In technisch opzicht is deze van een veel hoger peil.

Ook de volkeren die de Nederlanden in de late steentijd (5300–2000 v.Chr.) bevolkten gingen al ter zee, hetzij voor de visserij, hetzij voor de handel, hetzij voor het maken van de oversteek naar landen overzee. Dat de visserij beoefend werd, blijkt uit archeologische opgravingen. Van de Vlaardingencultuur (3500–2500 v.Chr.) zijn visnetten gevonden die precies lijken op de visnetten zoals die daar nog kortgeleden door de vissers zelf gemaakt werden.

Met de komst van de zogenaamde Klokbekervolkeren (2700–2100 v.Chr.) begon een periode van intensieve contacten met andere kustgebieden. Het intensieve handelsverkeer verklaart ook de vele overeenkomsten tussen de prehistorische culturen van de Nederlanden en Engeland. De opvatting dat de Klokbekervolkeren oorspronkelijk uit de Lage Landen kwamen wordt niet algemeen gedeeld.J.P. Mallory - Encyclopedia of Indo-European Culture, 1997, p. 53 De Klokbekervolkeren onderhielden ook uitgebreide maritieme contacten met de rest van Europa en voeren zelfs op Noord-Afrika. De meest indrukwekkende bouwfase van Stonehenge is onder hun leiding tot stand gekomen.

In de vroege bronstijd leefden in de Lage Landen de volkeren van de Wikkeldraadcultuur (2000 v.Chr.). Zij stammen naar alle waarschijnlijkheid af van de Klokbekervolkeren. De contacten van hun voorgangers met Engeland werden voortgezet; hetzelfde geldt voor hun opvolgers, de Hilversumcultuur (1800–1200 v.Chr.). Uit deze tijd zijn boten opgegraven die geschikt waren voor de vaart op Engeland.Vondsten in Dover en Ferriby worden aangemerkt als geloofwaardige getuigen van zeetransport over het Kanaal in de bronstijd (Bennett 1992; Parfitt 1993; Wright 1990); (1999): Midden-bronstijdsamenlevingen in het zuiden van de Lage Landen. Een evaluatie van het begrip 'Hilversum-cultuur' , Leiden. In de ijzertijd (800–12 v.Chr.) domineerden de Kelten tijdelijk het zeeverkeer; zo staat het vast dat in ieder geval Belgische stammen de oversteek naar Engeland gemaakt hebben.

Twee eiken boomstamkano’s die in 1910 bij uitbreidingswerken van de Antwerpse haven in Oosterweel werden opgegraven, werden aanvankelijk in de ijzertijd gedateerd, maar met behulp van C14-datering is vastgesteld dat deze uit de middeleeuwen stammen.

Romeinse tijd + Nederland124px|Rond 5500 v.Chr.124px|Rond 2750 v.Chr.Rond 5500 v.Chr.Rond 2750 v.Chr.124px|Rond 500 v.Chr.124px|Rond 50 n.Chr.Rond 500 v.Chr.Rond 50 n.Chr. De eerste ooggetuigenverslagen die zijn opgetekend zijn het gevolg van de komst van de Romeinen. In de Commentarii Rerum in Gallia Gestarum beschrijft Julius Caesar zijn gevechten tegen de Belgae in de zuidelijke Nederlanden in 57 v.Chr. Deze Gallische oorlog maakte daarmee een eind aan de prehistorie van de Nederlanden. Fectio, bij het tegenwoordige Vechten in Utrecht, was in deze tijd een uitvoerhaven. De classis Britannica was gestationeerd in Boulogne-sur-Mer, dat toen Portus Itius genoemd werd. Vanuit dit gebied van de Morini en de Menapiërs begon Julius Caesar in 55 v.Chr. aan zijn invasie van Britannia. Deze invasie verliep weinig succesvol, waarop hij tijdens de winter schepen liet bouwen. Het jaar erop voer hij met een vloot van meer dan 800 schepen opnieuw naar Groot-Brittannië. Deze keer had hij meer succes, maar moest terugkeren vanwege onrust in Gallië.

De kustlijn zag er rond het begin van de jaartelling geheel anders uit. Een relatief langzame zeespiegelstijging, in combinatie met het waarschijnlijk vaker voorkomen van stormen, kan de oorzaak zijn geweest van de kusterosie in West-Nederland, die begonnen was tussen de 5e en de 1e eeuw v.Chr. Terwijl in de periode daarvoor de kustlijn zich gesloten had – afgezien van de riviermondingen van de Schelde (via de Oosterschelde), de Maas (bij Rotterdam), de Rijn (bij Leiden) en het Oer-IJ (bij Castricum) – werden deze mondingen hierna weer steeds wijder. In deze periode begon men plaatselijk de hoogveengebieden te ontginnen, waarbij afwateringssloten werden gegraven. Dit maakte het gebied echter kwetsbaar: bij hoge vloed en storm werd het vaker overspoeld. Het zoute water verhinderde nieuwe veenvorming; inklinken van de bodem was hiervan het gevolg. In Zeeland kwam het veen zelfs zo laag te liggen dat het rond het begin van de jaartelling grotendeels overspoeld werd door de zee en de veenvorming er stopte. Hoewel het veen tot in de derde eeuw werd bewoond, drong de zee aan het einde van deze eeuw tot diep in Zeeland door. In combinatie met selnering, zoutwinning uit zouthoudend veen waarbij het veen wordt afgestoken en verbrand, veroorzaakte dit grootschalige erosie van het veen. Aan het einde van de Late Middeleeuwen was de kustbarrière van Zeeland hierdoor bijna geheel verdwenen.

In de Romeinse tijd vonden steeds meer avulsies – stroomgordelverleggingen – plaats.Vanaf 5400 v.Chr. hebben zich in de Rijn-Maasdelta 94 avulsies voorgedaan. Berendsen 2004, p. 278. Door verzanding van de monding van het Oer-IJ werd vanaf 47 n.Chr. de Oude Rijn voor enkele eeuwen de noordgrens van het Romeinse Rijk. Rond 600 v.Chr. ontstond de Utrechtse Vecht, die via het Oer-IJ afwaterde. Tevens ontstonden in deze tijd de Lek, Waal, de benedenloop van de Hollandse IJssel, en de Gelderse IJssel, terwijl de Linge net voor de komst van de Romeinen was ontstaan. De Oude Rijn verzandde doordat de Rijn steeds meer via de Maas ging afwateren. In het gebied woonden verschillende stammen, elk met zijn eigen leefgewoonten. De Chauken waren een volk dat leefde van de visvangst. Ze woonden in het gebied tussen de Eems en de Wezer. Uit deze periode zijn meerdere schepen gevonden, zoals eind 1970-1979|jaren 70 in Zwammerdam en in 2003 in Woerden en Leidsche Rijn.ArcheoNet, Het Romeinse schip in Leidsche RijnRomeinse schepen in NederlandCastellum Hoge Woerd, Het schip de Meern 1. Gearchiveerd op 21 januari 2015.

+ Romeinse vondstenNaamJaarSchepen van De MeernSchip van VechtenSchip van Brugge180 ± 80Schip van Kapel-Avezaatheind 2e eeuwSchip van Druten2e of 3e eeuwKano's van Zwammerdam275–325Schepen van ZwammerdamSchepen van Pommeroeul275–325Schepen van Woerden De Bataven vestigden zich in het begin van de Romeinse tijd in de Rijndelta, oostelijk van de Cananefaten. In tegenstelling tot de Chauken hielden de Friezen zich voornamelijk bezig met veeteelt. Desondanks hadden de Friezen onder Romeinse vlag – lang vóór de Angelsaksen – vaste voet op Engelse bodem gekregen. De contacten tussen Romeinen en Friezen verliepen overigens niet altijd vreedzaam; de Friezen werden veelal als geduchte piraten gevreesd. Aan de monding van de Rijn bleef het onrustig. Toen een deel van de Friezen zich aansloot bij de naburige Saksen namen de Saksen hun ongunstige reputatie van zeerovers over.

Gedurende de derde en vierde eeuw werd het Friese land regelmatig overstroomd. Hierdoor gingen de Friezen zich meer dan voorheen toeleggen op de visserij en de overzeese handel, waardoor ze een zekere rijkdom verwierven. De Friese economie beleefde een hoogtepunt in de vijfde eeuw, toen zij erin slaagden de Noordzeehandel naar zich toe te trekken. Deze bloeiperiode zou tot aan de komst van de Vikingen voortduren. Als gevolg van de rooftochten van de Vikingen raakten de Nederlandse zeevaart tijdelijk in verval.

Een ander belangrijk volk dat zich wellicht op Nederlandse bodem tot piraten ontwikkeld heeft, waren de Saliërs. Zij zullen tot de eerste Franken in de Lage Landen hebben behoord; ook zij worden beschreven als zeerovers. Dat veranderde nadat zij door de Saksen van hun oorspronkelijke woongebieden dicht bij het Flevomeer werden verdreven en zich van de Romeinen tussen de Bataven mochten vestigen in Toxandrië. Het is onduidelijk of zij daarna net als de Bataven in de Romeinse legers moesten dienen of dat zij tegen hun wil een woongebied aan de Zwarte Zee kregen toegewezen. Feit is dat er een spectaculair verhaal is overgeleverd uit de tijd van keizer Probus (276-282). (1814): New History, London, Green and Chaplin. Book 1. Gearchiveerd op 8 mei 2023. (1975): The Germanic Invasions: The Making of Europe, Ad 400-600, Engelse vertaling, , p. 68 Volgens Zosimus had een grote groep Franken na hun verbanning besloten om op eigen houtje vanuit Oost-Europa terug te keren naar hun woonplaatsen aan de monding van de Rijn. Zij kaapten een aantal schepen en wisten via Griekenland, Sicilië en Carthago vrijwel ongeschonden de reis te voltooien, daarbij een spoor van vernieling achter latend. Toen de Salische Franken later – wellicht samen met de Bataven – meer landinwaarts gingen wonen, lieten zij de zee voorlopig over aan de Friezen. De Nederlandse kust diende als springplank voor de Angelen en Saksen, die waarschijnlijk samen met Friezen naar Engeland zijn overgestoken. Zij vestigden zich blijvend op het eiland en brachten het grotendeels onder hun heerschappij.

Ten gevolge van kusterosie kwam de zee tot aan het castellum van Oudenburg, waarschijnlijk Portus Epiatici. Ook Brittenburg, de meest westelijk gelegen Romeinse fortificatie aan de Oude Rijn, kwam onder water te staan. De Romeinen konden de strijd tegen het water niet winnen en verlieten het gebied. De ineenstorting van het West-Romeinse Rijk had een sterke economische neergang tot gevolg.

thumb|Domburgs Nehalennia-altaar volgens plaat 7 No. 15a van L.J.F. Janssen, De Romeinsche Beelden en Gedenksteenen van Zeeland, Leiden, 1845

Handelsvaart Omdat de opbrengsten van de lokale landbouw niet toereikend waren voor de Romeinse bezettingstroepen, moesten levensmiddelen als graan, wijn en olie per schip worden aangevoerd. Ten tijde van de Bataafse Opstand was er al sprake van korenschepen. Julianus Apostata liet halverwege de vierde eeuw graan uit Britannia aanvoeren. Uit Spanje werd wijn en olie aangevoerd. Deels kwam dit via de rivieren, maar deels ook over zee.

Altaren ter ere van Nehalennia, de beschermgodin van vissers en zeelui, die zijn gevonden in Zeeland, illustreren het belang van het handelsverkeer in deze periode. De namen van schenkers van deze altaren laten ook handelaren uit Italië, Keulen, Trier en Brittannië zien die handelden in zout, vissaus en kleding. Andere handelswaar was keramiek van het Rijngebied naar Brittannië, terracottabeeldjes uit Keulen en Trier en wijn uit Zuid-Frankrijk en het Moezel- en Rijngebied.