thumb|250px|Het oud-gebouw (1904) van station Bellegarde in Frankrijk, niet ver van de Zwitserse grens, is nu een cultureel centrum. thumb|250px|Station Treignes in België. Type 1895: dit model stationsgebouw is overal in België te vinden Een spoorwegstation, treinstation of kortweg station is een plaats waar treinen stoppen en vertrekken en de reizigers kunnen in-, uit- of overstappen en/of goederen kunnen worden verladen. De vakterm voor dit stoppen is 'stationnement', ter onderscheiding van het stoppen voor een sein of op een rangeerterrein. In de spoorwegwereld wordt onderscheid gemaakt tussen stations en haltes. Stations hebben bediende seinen en wissels; haltes hebben dat niet. Vrijwel alle stationsgebouwen in Nederland zijn in eigendom en beheer bij de NS; perrons en tunnels etc. vallen onder ProRail. Een uitzondering hierop vormt station Rijswijk, dat eigendom is en onder beheer valt van de gemeente Rijswijk. Ook stationsgebouwen aan spoorlijnen waar geen treinen van NS Reizigers komen, worden door NS Stations beheerd. In België is het beheer van de stations en stopplaatsen volledig de verantwoordelijkheid van de NMBS. Het deel van het perron dat in de gevarenzone komt (meestal de 50 cm die het dichtste bij de sporen ligt) is eigendom van Infrabel.

Geschiedenis van het station thumb|250px|Station Valkenburg in Nederland Nadat George Stephenson als eerste een bruikbare locomotief had gebouwd, kwamen er al snel spoorlijnen. Het vervoer over spoorstaven was al ouder: in de 17e en 18e eeuw kende men aanvankelijk houten en later ijzeren spoorstaven, toegepast bij verscheidene mijnen en waarover wagens reden met paarden als trekkracht. Met het verschijnen van stoomlocomotieven werd personenvervoer mogelijk. Al snel werden net zoals bij diligences en postkoetsen reeds gebruikelijk was ook stations gebouwd, waar men kon op- en afstappen. Door het toegenomen goederenvervoer per spoor kwamen er ook laad- en losplaatsen bij en nam de industrie een hoge vlucht.

Het oudste station ter wereld dateert van 1830. Het is het Crown Street railway station in Liverpool, maar dat is sinds 1836 niet meer als station in gebruik, maar als pakhuis.

Het eerste station op het Europese vasteland was dat van Brussel-Groendreef waar de eerste trein naar Mechelen vertrok. Aanvankelijk waren de stations niet veel meer dan tijdelijke houten constructies. Pas later werden ze stelselmatig vervangen door meer prestigieuze gebouwen in duurzame materialen. Het oudste nog bestaande en in gebruik zijnde stationsgebouw van het Europese vasteland is het station van Tienen in België, gebouwd in 1840. Het station van Ronse is een ontwerp uit 1841. Het werd eerst in Brugge in 1844 geopend en pas later naar Ronse verplaatst. De reden waarom België goed is vertegenwoordigd in de rangtelling ligt bij koning Leopold I. De koning had in Engeland George Stephenson ontmoet en was erg onder de indruk van de industriële revolutie en de eerste stoomtreinen. Zo werd in 1834 de wet tot het oprichten van een nationaal spoorwegnet uitgevaardigd en werd op 5 mei 1835 de eerste spoorlijn op het Europese vasteland, tussen Brussel en Mechelen, ingehuldigd. De eerste stations van Nederland zijn gebouwd in 1839 in Amsterdam en Haarlem. Het oudste nog bestaande stationsgebouw in Nederland staat in Valkenburg en is gebouwd in 1853.

Namen van stations thumb|250px|De naam van het station wordt in Nederland aangegeven op een blauw bord met witte letters, en een wit vierkantje linksboven. De naam van een station wordt bepaald door de plaats(en) die de spoorwegmaatschappij met dat station wil ontsluiten. Hierdoor komt het voor dat een station een andere naam heeft dan de (kleine) plaats waar het ligt (station Venray te Oostrum of station De Panne te Adinkerke), dat een station de naam draagt van twee verschillende plaatsen (station Gilze-Rijen te Rijen of station Viane-Moerbeke in de gemeente Geraardsbergen), of dat een station op de grens van twee plaatsen slechts de naam van een van beide krijgt, zoals station Etterbeek, dat op het grondgebied ligt van de (grotere) Brusselse gemeente Elsene.

De langste stationsnaam ter wereld is Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch, een station in Wales in de plaatselijke taal Welsh. In België is Brussels Airport-Zaventem de langste stationsnaam. De naam Den Haag Laan van Nieuw Oost-Indië zou nog langer zijn, maar deze naam wordt op de bebording afgekort tot Den Haag Laan van NOI en in de NS-reisplanners verder tot Den Haag Laan v NOI. Leeuwarden Camminghaburen is daarmee de langste naam (wat betreft het aantal tekens).

Tot 2007 had Station Golf Halt in Wales de langste stationsnaam ter wereld, maar in 2007 werd die ingekort. De stationsnaam was nooit officieel erkend, maar was Gorsafawddacha'idraigodanheddogleddollônpenrhynareurdraethceredigion, 67 letters. Station Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch (58 letters) werd echter wel officieel erkend en droeg daarbij ook vóór de inkorting de titel van langste stationsnaam.

In de Benelux is het Belgische station Sy de kortste stationsnaam, in Nederland is het Oss.

De stationsnaam Schiphol Airport werd tot 13 december 2015 weergegeven als Schiphol, vaak gevolgd door het vliegtuigpictogram 15px.

Koppelteken in de naam Wat betreft de streepjes in de namen verschilt het gebruik per land. miniatuur|250px|Koppelteken in de naam van station Antwerpen-Luchtbal, die de gelijknamige wijk bedient in Antwerpen In België wordt een toevoeging bij een naam met een koppelteken geschreven, zoals station Brussel-Zuid, station Luik-Guillemins of station Antwerpen-Luchtbal.

In Nederland wordt een dergelijke toevoeging zonder koppelteken geschreven zoals in station Amsterdam Zuid. Een koppelteken in de naam duidt er namelijk op dat het station twee verschillende plaatsen dient, zoals in Ede-Wageningen. Dit wordt zo consequent toegepast dat een stationsnaam soms niet overeenkomt met de plaatsnaam: dat is het geval bij station Nieuw Vennep terwijl de plaats als Nieuw-Vennep wordt geschreven, of station Boven Hardinxveld terwijl de plaats als Boven-Hardinxveld wordt geschreven.

In Duitsland wordt een toevoeging bij een naam die een stadsdeel of een wijk kenmerkt met een koppelteken geschreven, dus: Münster-Albachten, Köln-Ehrenfeld en Halle-Neustadt (stadsdeel Neustadt), maar Berlin Hbf, Osnabrück Altstadt (geen stadsdeel) en Köln West. Een koppelteken wordt ook geschreven als het station verschillende plaatsen dient, bijvoorbeeld Bockum-Hövel.

In Frankrijk wordt het koppelteken gebruikt voor alle toevoegingen, zoals Paris-Nord. In een groot aantal Franse plaatsnamen zit één of meerdere koppeltekens, die in de stationsnaam gehandhaafd blijven, zoals Saint-André-le-Gaz. Wanneer een station twee plaatsen dient, zet men een spatie voor en na het koppelteken, bijvoorbeeld Durtol - Nohanent. Dit geeft duidelijkheid wanneer een station van twee plaatsen een plaatsnaam bevat waar al koppeltekens in staan, zoals Romans - Bourg-de-Péage.

Centraal thumb|250px|Station Amsterdam Centraal In Nederland hebben acht steden een station met de aanduiding Centraal Station: Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Leiden, Rotterdam en Utrecht. Daarnaast zijn er zeven stations met de aanduiding Centrum: Almere, Barneveld, Ede, Kerkrade, Lelystad, Schiedam en Veenendaal. Voor mei 2000 werd een Centraal Station aangeduid met CS (bijvoorbeeld Amsterdam CS). Als een stad meer dan 100.000 inwoners heeft en het station meer dan 40.000 reizigers per dag trekt en er zijn twee of meer andere stations in de gemeente kan een station de toevoeging Centraal krijgen.

In België kent men de stations Antwerpen-Centraal, Brussel-Centraal, Charleroi-Centraal en Verviers-Centraal (gespeld met een koppelteken ertussen).

Stationscode De verschillende landen hebben verschillende coderingssystemen om de stations eenduidig en bondig in hun informatiesystemen aan te duiden.

In België bestaat traditioneel de telegrafische code van Belgische spoorwegstations.

In Europa gebruikt het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ERA) de Primary Location Code, onder andere in de TSI TAF/TAP.

Stationsgebouw In spreektaal bedoelt men met het woord "station" vaak alleen het stationsgebouw en dus niet de overige infrastructuur (sporen, seinen, seingeversposten, wissels, goederenloodsen enz.). Een stationsgebouw is een gebouw dat speciaal bedoeld is voor het bedienen van treinreizigers. In het stationsgebouw bevinden zich vaak loketten en kaartautomaten van de spoorwegmaatschappij, een wachtruimte, horecavoorzieningen en winkels.

Stationsarchitectuur thumb|250px|Station Antwerpen-Centraal thumb|250px|Station Aalst met frietkraam thumb|250px|De monumentale stationskap te Haarlem thumb|250px|Station Halle

De architectuur van de stations heeft altijd grote aandacht gekregen en sommige stations zijn dan ook ware paleizen. Ook tegenwoordig wordt veel aandacht aan de vormgeving van stations besteed. Het nieuwe station Luik-Guillemins heeft een spectaculaire spooroverkapping naar het ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava. Een voorbeeld in Nederland is het moderne station te Leiden. Het meest monumentale oude station in België is zeker het station Antwerpen-Centraal. Het opende in 1905 en is bekend omwille van de grootse eclectische architectuur. Zeer grote stations worden vaak "spoorwegkathedralen" genoemd. Opgemerkt wordt dat grote stations met kathedralen, tot de komst van de moderne hoogbouw, ook meestal de grootste bouwwerken in steden waren.

Geschiedenis De eerste stationsgebouwen waren eenvoudige gebouwtjes: de vervoersstromen waren aanvankelijk bescheiden. Met de toename van de populariteit van het railvervoer namen stations niet alleen in omvang toe, maar werd de architectuur ervan ook een zelfstandig onderwerp. Voor de vormgeving werd aansluiting gezocht bij stromingen die voor publieke gebouwen in de betreffende periode gebruikelijk waren, zoals het neoclassicisme. In veel gevallen werd hier vrijelijk op gevarieerd.

Met name in Europese hoofdsteden, waar diverse spoorwegmaatschappijen hun belangrijkste stations hadden, werden stations gebouwd waarmee de betreffende maatschappij door omvang, vormgeving en detaillering een solide aanzien trachtte te verwerven: het station fungeerde als 'visitekaartje' van de spoorwegmaatschappij. Voor het stationsgebouw zelf werden meestal traditionele bouwmethoden gebruikt, doch de overkappingen (de train hall) waren soms staaltjes van bouwkundige techniek. (Het was gebruikelijk dat het gebouw het "domein" van een architect was, terwijl de overkapping aan een ingenieur werd overgelaten.)

Spoorwegkathedralen: grote stations uit de 19e eeuw