Hoewel Eindhoven bekend is van de sigarenindustrie, Philips en DAF, heeft ook de textielindustrie in Eindhoven een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de stad.

Voorgeschiedenis Sinds 1419 bestonden er gilden in Eindhoven, waaronder een gilde dat de linnenweverij vertegenwoordigde en een gilde dat de lakennijverheid omvatte. De gilden werden in 1798 opgeheven.

Huisnijverheid ten behoeve van fabrikeurs was de regel. Allereerst werd het spinnen in fabrieken samengebracht, waarbij veel efficiënter gewerkt kon worden. Na de Franse tijd ondervond de laken- en linnenindustrie veel concurrentie van katoen. Dit ging men toen ook in Eindhoven produceren.

Textielindustrie die geconcentreerd was in fabrieken ontstond zeer geleidelijk. De beschikking van een centrale krachtbron voor de aandrijving van machines speelde daarbij een rol, maar wellicht ook de aanwezigheid van centrale voorzieningen zoals een bleekveld. Een eerste voorbeeld van een centrale krachtbron was een watermolen, terwijl in de loop van de 19e eeuw, te beginnen in 1820, ook de stoommachine zijn intrede deed. Na 1900 werd de gasmotor van belang, terwijl na 1911, toen de Peelcentrale in bedrijf kwam, ook de elektrische aandrijving kon worden toegepast.

Natuurlijk speelde bij dit alles ook mechanisatie een rol, want textielmachines werden uitgevonden en voortdurend verbeterd. Reeds omstreeks 1800 beschikte men over spinmachines, terwijl weefmachines vanaf 1870 steeds meer in gebruik kwamen, waardoor het thuisweven geleidelijk verdween: Het aantal thuiswevers nam af van 2.153 in 1861 naar 49 in 1910. Van belang was vooral de fabricage van trijp, waarmee meubelen bekleed werden. Zo leverde de Eindhovense textielindustrie stoffen aan de grote passagiersschepen en aan het hof. Ook tijk, de bekleding van matrassen, werd vervaardigd. De fabrieken waren vooral geconcentreerd in de omgeving van de Dommelstraat en in de buurt van de Paradijslaan. Andere fabrieken lagen verspreid over het gebied.

De belangrijkste textielfabrieken Hoewel de textielfabrieken zich niet alle in het oude Eindhoven bevonden, maar ook in de dorpen eromheen die pas in 1920 geannexeerd zijn, was het gebied voor het annexatiejaar al een eenheid, zodat de meeste van deze fabrieken hier beschreven worden:

Smits Johannes Theodorus Smits was een molenaarszoon uit Dommelen en geparenteerd aan de Eindhovense fabrikantenfamilie Keunen. Hij vestigde zich in 1779 in Eindhoven en begon in 1786, samen met zijn zwager A. Janssen, een spinnerij voor katoenen garens. Deze firma werd in 1810 ontbonden. Dat jaar werd een doorstart met de Fa. J. Th. Smits & Zn. waarin vijftien katoenspinmachines waren samengebracht die door spierkracht werden aangedreven. Het jaar 1810 betekende daardoor het begin van de fabrieksmatige textielproductie in Eindhoven. Vervolgens kocht Smits in 1812 de Stratumse Watermolen waarbij het fabriekscomplex Den Bouw verrees. Hierin werden in 1817 acht spinmachines geplaatst die door waterkracht werden aangedreven. In 1820 werd een stoommachine aangeschaft, maar deze investering vond geen navolging en in 1832 werd de stoommachine niet meer gebruikt en ging men weer geheel over op waterkracht. De firma heeft tot 1848 bestaan. De familie Smits kwam door de ondernemersactiviteiten tot grote welstand en werd in de adelstand verheven. In 1851 werd de wolspinnerij op Den Bouw hervat door jhr. Th.G.H. Smits van Eckart en jhr. E.J.C.M. de Kuyper. In 1896 kwam aan dit bedrijf een einde als gevolg van een grote brand. In 1928 werden de laatste resten van de fabriek gesloopt.

Naast Smits kende Eindhoven in die tijd nog 14 kleinere textielfabrieken. Niet lang daarna echter werden een enkele grote textielbedrijven gesticht door deels autochtone fabrikantenfamilies die geparenteerd waren aan de families Smits en Keunen.

Spoor/Van den Briel & Verster miniatuur|De overgebleven voorgevel van N.V. Linnenfabriek Briel en VersterOmstreeks 1795 kocht Spoor een huis aan de Dommel en begon een fabriekje voor katoenen stoffen. In 1810 waren er twee fabrieken: een voor katoen en een voor wol. Er waren 44 arbeiders en 87 thuiswerkers in dienst. In 1816 was er een topjaar; er werkten toen 360 mensen voor Spoor. Daarna ging het achteruit. In 1821 overleed Spoor. De fabriek werd overgenomen door zijn zoons. Er kwam een compagnon en omstreeks 1833 heette het bedrijf W. Spoor & Cie. In 1843 werd de fabriek opgeheven en kwam het gebouw leeg te staan.

Van den Briel en Verster ofwel de Koninklijke Eindhovensche Damast-Linnen- & Pellen-Fabriek is opgericht in 1847 als Linnenfabriek C. Van den Briel. Dit bedrijf betrok de leegstaande fabriek van Spoor. In 1858 kreeg de onderneming haar uiteindelijke benaming, toen Corstiaan van den Briel met Lodewijk Willem Verster een vennootschap sloot. Het bedrijf lag aan de Dommelstraat en was voorzien van een prachtige natuur-bleekerij in de vorm van een grasveld aan de Wolvendijk. In 1963 ging het bedrijf samen met Van Dissel. In 1971 sloot de linnenfabriek Van Dissel, Van den Briel en Verster, de 95 personeelsleden werden ontslagen. Het leeggekomen fabrieksgebouw diende daarna nog een tijd als mensa van de Technische Hogeschool Eindhoven. Vervolgens werd het in 1971 gekraakt door jongeren die er Open Jongerencentrum Para+ in vestigden, de voorloper van jongerencentrum later Poppodium De Effenaar. Ook kreeg Kultuurwerkplaats 2B er een onderkomen. In 2005 werd een nieuw gebouw geopend. Daartoe werd de bestaande fabrieksbouw in 2002 vrijwel geheel op de voorgevel na gesloopt. Achter deze gevel bevindt zich een openluchtpodium.

Schellens Zie: Schellens (bedrijf)

Kodijko Van Dijk & Comp. werd opgericht in 1852 door Carolus Boromeus van Dijk als een kleine handweverij aan de Tongelresestraat. Hij kwam uit een familie die al sinds de 17e eeuw in de linnenweverij werkzaam was. In 1855 werd het: Van Dijk en Co., waarbij Ignatius de Haes mede-firmant werd, een samenwerking die in 1869 eindigde. In 1885 werd een stoommachine geplaatst die vijf getouwen kon aandrijven. In 1903 werd de naam veranderd in: NV Eindhovensche stoom- en handweverij v/h Van Dijk & Co. Het bedrijf leverde damast aan het hof en in 1918 kreeg het het predicaat Koninklijk. De handelsnaam was toen: Kodijko. In 1959 werd Kerssemakers uit Gestel overgenomen. In 1964 fuseerde Van Dijk met Van Oerle's Band & Damastweverij te Boxtel. De productie werd toen naar Boxtel overgeplaatst en het pand in Eindhoven kwam leeg te staan. Hier trok toen in 1965 het textielbedrijf Van Dissel in, dat reeds was gefuseerd met Van den Briel & Verster. Van Dissel stopte in 1971. Hierop werd de naam Kodijko overgenomen door Linnenweverijen v/h van Dijk & Zn te Waalre, die toevallig ook dezelfde naam had.=== Tot Kodijko hoorde ook wasserij en ververij De Iris, waar de gegoede burgers hun tafellinnen konden verzorgen. Op deze plaats ligt de huidige Irisbuurt.

Holleman/Elias In 1856 werd te Strijp een linnenfabriek opgericht door Joseph Elias. Dit was een uit Hannover afkomstige ondernemer die in 1831 als huursoldaat tegen de Belgen heeft gevochten. Daarna werd hij handelaar en fabrikeur, had een textielfabriekje in Stratum. De Strijpse fabriek werd gestart in een oud fabriekshuis van de fabrikeur in wollen en katoenen stoffen Wouter Holleman. Deze kwam in 1802 naar Stratum en wilde een textielfabriek beginnen. In 1820 stond hij ingeschreven als textielfabrikant en had 6 à 9 werklieden in dienst, maar in 1855 overleed hij. Het bedrijf lag gunstig ten opzichte van de Gender, die gebruikt kon worden om wol in te wassen. In 1869 schafte Elias een stoommachine van 20 pk aan, waarop 90 weefgetouwen konden worden aangesloten. Enige jaren later werd een damastmachine aangeschaft. Elias zorgde voor vele innovaties. Sinds 1874 heette het bedrijf: Stoom Linnen Fabriek Willem III Koning der Nederlanden. In 1875 waren er 135 werknemers in dienst. Joseph Elias was een der eerste leden van de Sociëteit Amicitia, die er vooruitstrevende denkbeelden opna hield. In 1875 hielp hij mee het Eindhovense Departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen op te richten, die ten doel had om niet-confessioneel onderwijs te bevorderen.

In 1961 ging Elias op in de BEHTI. De weverij van Elias werd overgeplaatst naar de grote centrale weverij te Mierlo. De fabriek aan de Strijpsestraat is sedert 1970 nog in gebruik geweest als supermarkt, waarop nog tweemaal een gewapende roofoverval is uitgevoerd, en daarna als snuffelzolder. Rond 1974 was een kleine dependance van de HTS een paar jaar ondergebracht in het kantoorgebouw. Omstreeks 1982 werd de opvallende watertoren van de fabriek opgeblazen. In 1987 werd de fabriek gesloopt om plaats te maken voor woningbouw.

Von der Nahmer In 1830 begon Heinrich von der Nahmer een mechanische wolspinnerij te Geldrop. In 1850 verhuisde zijn zoon, Julius von der Nahmer naar Stratum en begon een eigen fabriek. In 1855 werd dit een fabriek van bukskin. In 1862 brandde de fabriek af en in 1902 sloot de fabriek vanwege economische tegenslagen.

Robert von der Nahmer was een wollenstoffenfabriek aan de Geldropseweg. De fabriek is opgericht in 1866 door Robert von der Nahmer (Medenbach, 1837-1908). In 1903 werd het bedrijf gepresenteerd als een fabriek van Buxkins, Laken, Chaiak, Abas en Cheviots en in 1919 als Eerste Nederl. Electr. Wollenstoffenfabriek. In 1909 werd de fabriek nog deels verwoest door brand, maar ze werd weer opgebouwd. In 1925 kwam het in handen van A.G.W. de Rooij uit Tilburg. Bij deze gelegenheid werd het omgedoopt in Eindhovense Wollenstoffenfabriek (EWOFA). Het bedrijf werd opgeheven in 1964. De beeldhouwer Theo van der Nahmer (1917-1989) stamt uit deze familie.

BARA (NV Baekers & Raijmakers' Textielfabrieken) Tot 1868 vormden Willibrordus Johannes Baekers (1840-1907) en Antonius van Moll (1804-1887) de grossierderij in Belgisch goed annex handweverij Baekers & Cie. Na het terugtreden van A. van Moll op 25 juni 1868 werd het bedrijf voortgezet door zijn stiefzoon Leonardus Cornelius Adrianus Raijmakers (1842-1917) en W.J. Baekers onder de naam firma Baekers & Raijmakers en legden daarmee de basis voor de NV Baekers & Raijmakers' Textielfabrieken (vanaf 1952 NV Baekers' Textielfabrieken). Het eenvoudige handweefbedrijf aan de Spoorstraat, (is na de annexatie van Woensel in 1920, Mathildelaan Eindhoven,) werd in 1907 omgezet in een machinale weverij, onder leiding van Hendrikus Judocus Alphonsus Baekers. Men maakte onder meer tijk en markiezendoek. Vanaf 1911 was de stoomweverij H. Baekers gevestigd aan de Christinelaan in Woensel na de annexatie Steenstraat 1 Eindhoven. Na de verkoop in 1916 van het inmiddels te kleine pand aan de Spoorstraat aan de NV Philips, werd de gehele onderneming verplaatst naar de Christinelaan aan de noordzijde van het spoor, tegenover het huidige PSV-stadion. In 1919 werd de onderneming omgezet in een nv en werd er een uitgebreide nieuwbouw gerealiseerd. Tevens werd midden 1920 de voormalige textielfabriek Holland te Mierlo-Hout overgenomen en als filiaalbedrijf voortgezet, tot circa 1926. Rond 1930 telde het bedrijf te Eindhoven op het zeer grote fabrieksterrein van 80.000 m² een bedrijfsbebouwing van circa 15.000 m². In 1961 ging BARA op in de BEHTI, dat later De Haes Holland ging heten, evenals de fabriek van BARA. Uiteindelijk is de productie stopgezet en heeft de fabriek nog een tijdlang leeggestaan, om uiteindelijk gesloopt te worden. Tegenwoordig leeft de naam voort in BV De Haes Holland te Eibergen, een bedrijf dat nog steeds woningtextiel vervaardigt. NV Baekers' Textielfabrieken, Steenstraat 1, Eindhoven is opgeheven op 19 augustus 1966.

BEHTI (NV Baekers-Elias-de Haes Textiel Industrie)