Junker (afkorting: Jkr.) is een Duits adellijk predicaat (en geen adellijke titel). Het vrouwelijk equivalent Junkfrau (Jkfr.) werd minder vaak gebruikt. Soms en vooral in oudere Duitse teksten wordt het meervoud Junkers gebruikt. In modern Duits is het meervoud echter Junker.
Predicaat De Duitse ongetitelde adel van lagere rang wordt aangesproken met Herr of Frau/Fräulein en aangeschreven met hochwohlgeboren (hoogwelgeboren). Voor de ongetitelde adel uit de oostelijke provincies van het koninkrijk Pruisen werd het predicaat Junker/Junkfrau gebruikt. Het gebruik hiervan is na de beide wereldoorlogen echter in populariteit afgenomen. Het predicaat junker is geen officieel predicaat (net zoals veel andere Duitse titels en predicaten), maar wordt gebruikt om een lagere sociale klasse van de adel te benoemen op basis van hun oorsprong, de oostelijke delen van het oorspronkelijke Duitsland: grofweg de gebieden ten oosten van de Elbe (Oost-Elbië, Duits: Ostelbien). Meer dan de helft van deze gebieden is sinds 1945 Pools of Russisch, zie Voormalige gebieden van het Duitse Rijk in het oosten. Het adelspredicaat wordt veelal vóór de naam geplaatst (afgekort tot Jkr. of Jkfr.), maar omdat er geen vaste regels zijn kan het ook tussen de voornaam en geslachtsnaam geplaatst worden. Het in enkelvoud zowel als meervoud gebruikte Junker is afgeleid van het Duitse junger Herr (Nederlands: schalk wat in het Middelnederlands jonge heer betekende en later overging in jonkheer) en werd oorspronkelijk gebruikt om de zoon van een edelman mee aan te duiden. Later werd dit predicaat ook voor en door de oudere edelen gebruikt. De (lagere) adel die dit predicaat voerde, stond onder de zogenaamde Hochadel die in heerschapsgebieden een zekere mate van soevereiniteit bezat maar dan wel binnen de verhouding van een leenman onder een koning of keizer. Deze hoge adel bestond uit hertogen en graven die het predicaat Fürst (vorst, in Engeland en Frankrijk aangeduid als 'prins') konden voeren en gefürstet konden worden door een koning of keizer. Willem Frederik van Oranje-Nassau was prins van Oranje in Frankrijk, en vorst van Fulda en Corvey (Duits: Nassau-Oranien-Fulda) in het Duitse Rijk. Een bijzondere titel was die van Kurfürst (keurvorst) omdat deze gereserveerd was voor hoge adel die het recht had om zitting te nemen in een benoemingscollege voor een (Duitse) koning of keizer.
Rond de 16e eeuw was het predicaat junker algeheel ingeburgerd. Het werd niet alleen gebruikt voor de ongetitelde adel, ook baronnen en graven werden hiermee aangesproken. Toen Maarten Luther op 26 mei 1521 in de rijksban werd gedaan dook hij onder in het kasteel Wartburg nabij Eisenach met behulp van de keurvorst Frederik en leefde hij daar bijna een jaar lang onder de schuilnaam Junker Jörg. In de Wartburg vertaalde Luther de Bijbel uit het Latijn en Grieks naar het Hoogduits.
De meeste junkers hebben in hun familienaam een tussenvoegsel staan. Meestal is dit von (bv Wernher von Braun), ook soms zu of zur. Vergelijkbaar met de Nederlandse voorzetsels van, te, de, tot. Maar anders dan in die Nederlandse naamgeving is het voorzetsel in Duitsland vrijwel altijd voorbehouden aan een adellijke naam (alleen in de westelijke grensgebieden met Nederland komt een burgerlijke topografische naamgeving ook voor, een geografische plaats voorafgegaan door 'van', 'von', of 'von der', evenwel zonder bezitsbetekenis, zoals in Nederland en Vlaanderen gebruikelijk is. In het onderlinge spraakgebruik van adellijken werd de aanduiding 'von' in adellijke kringen weggelaten. De voornaam gaat in de aanschrijfvorm vooraf aan de titel: bijvoorbeeld Heinrich, Ritter von/zu Wendelburg.
Rangkroon De rangkroon die een Junker mag voeren is afhankelijk van de rang binnen de adel (ongetiteld, Freiherr/Baron of Graf). Aan de ongetitelde adel (waartoe het merendeel van de Junker behoorde) werd veelal als rangkroon de helmkroon (laubkrone) verleend. Later werd het gebruikelijk om verdienstelijke mensen uit de hogere burgerklasse een adellijke titel toe te kennen waarbij “von” als tussenvoegsel voor hun familienaam mocht worden geplaatst. Zo'n "veradellijkte" naam verschafte dan de toegang tot hofkringen. Dit Von (in bijvoorbeeld von Goethe, von Schiller, von Müller) verwijst overigens niet naar de geografische naam van een landbezit en deze nieuwe adel werd ook niet beschouwd als behorend tot de eigenlijke Junkerklasse. Datzelfde gold in de 19de eeuw voor talrijke burgerlijke ambtenaren die vanwege hun verdiensten tot zogenaamde dienstadel werden verheven, waarbij als regel zo'n titel niet erfelijk kon worden doorgegeven. Vanwege hun niet op werkelijke macht en bezit gestoelde pretenties werd voor sommige Junker de spotnaam Krautjunker ('boerenkooljonker') gebruikt, vergelijkbaar met het Nederlandse 'kale jonker'.
Feodale stand en levenswijze Junker waren de landadel van de oostelijke gebieden van het Heilige Roomse Rijk dat nu grofweg het gebied van het huidige oostelijke Duitsland en van het voormalige Duitse oosten dat sinds 1945 het westen en noorden van Polen beslaat (zie Voormalige gebieden van het Duitse Rijk in het oosten). Veel Junkerfamilies konden hun stamboom tot in de middeleeuwen terugvoeren, maar in de loop der tijden voegden zich ook 'jongere' families onder hen, bijvoorbeeld rijke burgers die zich 'inkochten' door landgoederen van verarmde Junker te verwerven, of door erfdochters van Junker te trouwen. Hun rijen werden ook soms aangevuld door adellijke vluchtelingen afkomstig van elders in Europa. Onder de hugenoten die na 1685 naar Pruisen vluchtten, bevonden zich ook een aantal adellijke families die door het 'Junkertum' als gelijken werden opgenomen. Met hun Franse namen vormen zij tot op vandaag nog steeds een aparte verschijning onder de Duitse adel, en met name vroeger in de hogere ambtelijke en militaire rangen.
De Junker bestuurden op middeleeuws feodale wijze de boeren, de dorpen en kleine, zogenaamde landstadjes, gelegen op hun landgoederen (Duits: Gut). Deze goederen waren tussen meestal 100 en 200 hectaren groot, maar er waren ook grotere landgoederen die vooral in Oost-Pruisen tot enkele duizenden hectaren besloegen, en als regel in handen van graven en hertogen berusten. Doorsnee Junker leefden van de landbouwopbrengsten die hun pachters moesten afstaan in natura (een deel van de oogsten), in persoonlijke dienstbaarheid (onbetaalde arbeidsuren) te leveren door alle familieleden, kinderen inbegrepen, en als afdracht van belastingen. Veel (jongere) Junkerzonen die bij het geldende erfrecht geen erfdeel kregen waarvan ze konden leven, traden als officier in dienst van het Pruisische leger, waar ze als groep tijdens het koningschap en het keizerschap een dominante positie verwierven.
Een Junkerfamilie bewoonde een centraal gelegen landgoed, aangeduid als Herrenhaus of Gutshaus, met daaraan verbonden een grote herenboerderij. Algemeen voor zulke agrarische ondernemers was de aanduiding Gutsherr. In de 19de eeuw werden niet-adellijke burgers door aankoop van landgoederen ook vaak Gutsherr. Los van het bezit van landgoederen konden burgers tegen betaling ook nieuwe adeldom verwerven, die dan door de Pruisische koning werd vergund aan verdienstelijke burgers en ook aan belangrijke wetenschappers en kunstenaars. Dat was voor de betrokkenen van belang omdat voor de toegang tot het hof tot 1850 een adellijke titel als absolute voorwaarde gesteld werd en daarna een belangrijke aanbeveling bij het verkrijgen van staatsfuncties was. Deze nieuwe adel is te herkennen aan de toevoeging 'von' aan hun overigens burgerlijke naam, bijvoorbeeld von Schmidt of von Müller. De boeren op het grondbezit van de al dan niet adellijke 'Gutsherr' hadden beperkte persoonlijke rechten en waren tot onbetaalde herendiensten verplicht. Deze konden door grotere boeren afgekocht worden, maar de kleine boeren bleven tot 1850 in velerlei vormen van dienstbaarheid aan heer en grond gebonden en konden zonder zijn toestemming geen huwelijksverbintenis aangaan of de grond verlaten. Pas na 1803 kwamen stapsgewijs hervormingen op gang en kregen de boeren de volle eigendomsrechten over hun grond, maar tegelijk de belastingheffingen te dragen. Tienduizenden waren zonder kapitaalbuffer en hypotheek niet in staat deze te financieren en werden zo gedwongen hun land te verkopen aan de Junker, die gezamenlijk de koopprijzen drukten. Ook de gemene gronden van de dorpsgemeenschappen vielen op deze wijze tegen lage prijzen in handen van de Junker. De rationalisatie van de landbouw, voor en tijdens de industriële revolutie, maakte het de Junker op deze wijze mogelijk om met eigen kapitaal of geleend geld de geheel vrij in hun handen gekomen gronden rendabeler te maken door grootschalige ontginning en toepassing van nieuwe agrarische technieken. Daarmee werd hun inkomensverlies door het wegvallen van onbetaalde arbeidskracht meer dan gecompenseerd. Daartegenover stond dat ook vele Junker gedwongen waren hun land te verkopen toen zij in de economische crisis in de eerste helft van de 19de eeuw hypothecaire lasten niet meer konden opbrengen. Rijke burgers kochten dan zulke goederen en probeerden een bijbehorende titel te verwerven. Na 1880 zou opnieuw een landbouwcrisis, veroorzaakt door onder andere de import van goedkoop graan uit Amerika, het velen van hen toch weer moeilijk maken om aan hun leenverplichtingen te voldoen en werden landgoederen op grote schaal verkocht, vooral ook aan rijke burgers, met name ondernemers, die ondanks deze landgoederen overigens niet direct toegelaten werden tot de kringen van het 'Junkertum'.
In 1880 werden volgens verschillende criteria 20 tot 30 duizend Pruisische Junker-familieleden geteld. Voor hun landbezit zijn de grootgrondbezitters met meer dan 100 ha. landbouwgrond een indicatie: in het oosten van het toenmalige Duitse Rijk was tot de helft van het agrarisch oppervlak grootgrondbezit, tegenover in Midden-Duitsland (met name Saksen) een kwart en een tiende in het westen.
Theodor Fontane (1819-1898) gaf in zijn toentertijd zeer bekende en veel gelezen Wanderungen durch die Mark Brandenburg een empathische maar tegelijk ook kritische typering van de Junkerfamilies in de Mark Brandenburg rondom Berlijn. Het verwijt dat hij het Junkertum verheerlijkte spreekt hij tegen in zijn bekentenis "Die Kerle sind unausstehlich und reizend zugleich".
Geschiedenis 17de en 18de eeuw thumb|Rittergut Maldeuten ten zuiden van Koningsbergen, een typisch landhuis van een Junkerfamilie in Oost-Pruisen. Schilderij uit ongeveer 1860. Gutshaus in de 17de eeuw opgericht door de familie von Houwaldt. In 1945 werd het huis verwoest en daarna afgebroken. Na de Poolse annexatie is de naam omgevormd tot Maldyty.