Édouard Louis Joseph Empain (Belœil, 20 september 1852 – Sint-Pieters-Woluwe, 22 juli 1929) was een Belgische ingenieur, ondernemer, bankier en mecenas. Hij richtte talrijke ondernemingen op, meer bepaald in de elektriciteitssector op het vlak van productie, distributie, vervoermiddelen en constructies. Hij is internationaal bekend als degene die de metro van Parijs aanlegde en als de bouwer van de stadswijk Heliopolis in Caïro. Empain was de stichter van de industriële dynastie Empain, die tot diep in de 20e eeuw actief was.
Jeugd en vroege volwassenheid De ouders van Édouard, François-Julien Empain en Catherine Lolivier kregen zeven kinderen: vijf dochters en twee zoons. Vader was zoon en kleinzoon van kleermakers. Hij was koster en organist van de parochiekerk in Beloeil. Behalve orgel speelde hij viool en schreef hij een aantal composities. Toen hij negenentwintig jaar was werd F.-J. Empain onderwijzer in Blicquy.
Aangemoedigd door de burgemeester van Blicquy, Alexis du Roy de Blicquy (1798-1875), volgde zoon Édouard de hogere humaniora aan het bisschoppelijk college Sint-Augustinus in Edingen. In 1873 werd hij technisch tekenaar in de Société métallurgique et charbonnière, die geleid werd door Arthur du Roy de Blicquy (1835-1907), een zoon van burgemeester Alexis. Deze onderneming, met hoofdzetel in Brussel, produceerde rollend materieel, bruggen en metalen bouwonderdelen. Empain maakte er snel carrière: klerk, chef van het studiebureau, ingenieur en ten slotte bestuurder (1881-1887).
Carrière als industrieel ondernemer Eerste ondernemingen thumb|Het Justitiepaleis van Brussel In 1878 nam hij de leiding als 'maître de carrière' van een Société anonyme des marbres, opgericht door leden van de Gentse familie Terlinden. Empain was minderheidsaandeelhouder en zijn inbreng bestond uit concessies op steengroeven in de streek rond Philippeville. Er werd vooral geleverd voor het in aanbouw zijnde Justitiepaleis in Brussel, dat in oktober 1883 in gebruik werd genomen.
Toen in 1883 de vennootschap werd geliquideerd, was Empain inmiddels meerderheidsaandeelhouder en stond hij vermeld als 'bankier'. Een steile opgang van zijn carrière was ingezet.
Trams en andere vervoermiddelen thumb|Een stadstram van de RELSE in Luik
In België Vanaf 1880 (hij was toen achtentwintig jaar) werd Empain zich bewust van het gebrek aan vervoer en bereikbaarheid tussen de steden en hun randgebieden en besloot om de activiteiten in steen- en marmergroeven te verlaten en elektrische tramverbindingen te gaan aanleggen. Hij richtte zijn eerste tramonderneming Railways Economiques de Liège-Seraing et Extensions (RELSE) op om een tramlijn van Luik naar Jemeppe-sur-Meuse aan te leggen en te exploiteren. Samen met zijn mentor Arthur du Roy de Blicquy zetelde hij in de raad van bestuur. De tramlijn werd in 1882 geopend en werd een groot succes. Empain richtte naar aanleiding van dit succes ook in Gent eenzelfde soort onderneming op.
Om zijn werkzaamheden uit te kunnen breiden, stichtte hij in 1881 de Compagnie générale des railways à voie étroite, waarin verscheidene kleine vennootschappen werden ondergebracht, evenals die voor het aanleggen van tramlijnen in Luik, BrusselChemin de fer à voie étroite de Bruxelles à Ixelles-Boendael, een metersporig tramnet in het zuidoosten van de Brusselse agglomeratie (Elsene en Etterbeek) van 1884 tot 1899.website MIVB, Gent, Charleroi en andere plaatsen.
Na jaren van discussie stichtte de Belgische staat op 6 juli 1885 de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen.Belgisch Staatsblad 23 juli 1885 Onder de negen oprichters bevond zich Arthur du Roy de Blicquy, die ook bestuurslid was in verschillende van de vennootschappen die Empain voor tramlijnen had opgericht. Vanaf dat moment werden de mogelijkheden voor privévennootschappen om buurtspoorwegen en/of tramlijnen aan te leggen geringer. (Een probleem was dat particuliere maatschappijen alleen rendabele lijnen aanlegden en niets zagen in lijnen op het platteland.) Het verminderde nochtans de activiteiten van de privéondernemingen niet, omdat ze voortaan op de nieuwe lijnen de rol van concessiehouder kregen toegespeeld door intercommunales die zelf van exploitatie weinig of geen verstand hadden. Geïnteresseerden kregen dan ook een langjarige concessie toegewezen.
Empain stichtte diverse vennootschappen die concessiehouder werden. Een voorbeeld hiervan was de in 1905 opgerichte NV voor de Exploitatie van de elektrische spoorweg Oostende-Blankenberge en Uitbreidingen, waarbij hijzelf en zijn broer als bestuursleden optraden.Belgisch Staatsblad 5 juli 1905 In de volgende jaren werd de concessie uitgebreid tot wat de volledige kusttramlijn werd, van De Panne tot Knokke.
Na de Eerste Wereldoorlog werden in verband met de oorlogsschade en de verliesgevende exploitatie de meeste concessies teruggegeven aan de NMVB. De laatste concessie voor de kusttram aan de "Société pour l'Exploitation des Lignes Vicinales d'Ostende et des Plages belges" (SELVOP) liep van 22 april 1927 tot 31 december 1955.W.J.K. Davies: The Vicinal Story: Light Railways in Belgium 1885 – 1991. Uitg. Light Rail Transit Association, London, 2006. , bladzijde 57-62
In Frankrijk Empain richtte zich vanaf het begin van zijn carrière ook op Frankrijk, waar hij verscheidene maatschappijen oprichtte voor het aanleggen en exploiteren van stedelijke tramlijnen en buurtspoorwegen, waaronder de Chemins de fer économiques du Nord (CEN). Empain legde stoomtrams en elektrische tramlijnen aan in onder meer Rijsel (Compagnie des Tramways Électriques de Lille et sa Banlieue, vanaf 1901), Valenciennes (CEN) en Boulogne-sur-Mer (CEN).
Vervolgens werden regionale tramlijnen aangelegd in Périgord, de Midi, Calvados, Haute-Savoie, Isère en Basses-Pyrénées.
In die periode tot de Eerste Wereldoorlog werden in bijna alle steden van enige betekenis in de westerse wereld nieuwe elektrische tramnetten aangelegd of werden bestaande paardentramlijnnetten gemoderniseerd en geëlektrificeerd. De vennootschappen van Empain hadden de expertise en kennis om elektrische tramlijnen aan te leggen.
Elders in de wereld België en Frankrijk volstonden niet om zijn expansiehonger te bevredigen. Hij bouwde vanaf 1890 stedelijke tramlijnen met elektrische tractie in Rusland (trams in Moldavië, Tasjkent, Oezbekistan, Astrakhan, de havens aan de Kaspische zee, de monding van de Wolga), Egypte, Belgisch-Congo, China en in heel wat landen van Europa).
De aanleg van tramlijnen was voor hem vaak een aanleiding om zich ook voor andere activiteiten te interesseren.
Producent van elektriciteit en afgeleiden thumb|Detail voorgevel van een ACEC-vestiging in Marcinelle, met de letters E & H van Electricité & Hydraulique in de steen verwerkt Empain wilde onafhankelijk zijn van de elektriciteitsproducenten en bouwde daarom eigen elektriciteitscentrales, zoals de Electricité de Seraing et Extensions, de Bruxelloise d'Electricité, de Gaz et Electricité Hainaut-Liège en de Electricité du Littoral. Voor het transport van de stroom produceerde hij de kabels en voor zijn transportmaatschappijen de elektromechanische uitrusting.
Hij deed hetzelfde in Frankrijk met de Société parisienne pour l'industrie des chemins de fer et des tramways électriques (SPIE, een bedrijf dat in de 21e eeuw nog steeds bestaat),Over de geschiedenis van SPIEInteractief boek over de geschiedenis van SPIE die Empain liet voorzitten door André Berthelot. De vennootschap zorgde voor de elektrische installatie en uitrusting van vrijwel alle nieuwe buurtspoorlijnen en trams die in het begin van de eeuw in Frankrijk werden aangelegd of geëlektrificeerd. SPIE werd een nieuwe holding binnen de Groep Empain en richtte verscheidene elektriciteitsmaatschappijen op: de Société d'électricité de Paris, de Société d'électricité et de gaz du Nord, de Electricité de la région Valenciennes-Anzin, de Constructions électriques du Nord et de l'Est, de Société électrique industrielle pour la Russie en andere.
In Charleroi nam hij in 1904 op verzoek van koning Leopold II de door Julien Dulait (Gent, 28 mei 1855 – Montignies-le-Tilleul, 5 juni 1926) in 1886 opgerichte firma Electricité et Hydraulique over en veranderde de naam in Ateliers de Constructions Électriques de Charleroi (ACEC), die uitgroeide tot de belangrijkste Belgische firma van elektromotoren en huishoudtoestellen. Ook de Franse afdeling, de Forges et ateliers de constructions électriques de Jeumont, nam een grote vlucht.
Bankier thumb|Het Hôtel de Knuyt de Vosmaer in Brussel, met de appartementen van Édouard Empain en de zetel van de Banque Empain
Om niet afhankelijk te zijn van banken, richtte Empain in 1881 een investeringsbank op, de Banque E.L.J. Empain. Het gaf hem de mogelijkheid kapitaal te verzamelen van zowel gefortuneerde families als kleine spaarders. In een tijd waarin de reglementering van de banken nog in de kinderschoenen stond, kon het gedeponeerde spaargeld dienen om investeringen te financieren, op zijn minst om werkingsmiddelen en kaskredieten te verlenen. De bank diende anderzijds voor het plaatsen van de aandelen van zijn talrijke vennootschappen. De risico's waren groot en de investeringen konden ongunstig uitdraaien, maar bij Empain was dit over het algemeen niet het geval. Deze aanbreng maakte dat hij met een derde aan eigen inbreng meestal voldoende had om een vennootschap te controleren, zonder risico van overname te vrezen, gelet op de verspreiding van de aandelen onder het publiek.
In 1881 kocht hij in de Congresstraat het Hôtel de Knuyt de Vosmaer, een majestueus gebouw dat nog maar pas was neergezet door de Brugse architect Joseph Naert (1838-1910) voor ridder Hector de Knuyt de Vosmaer, die er praktisch nooit woonde en die verstrikt in een ingewikkelde echtscheidingsprocedure, gedwongen werd het eigendom te verkopen. Op de begane grond kwamen de kantoren van de bank en erboven luxueuze appartementen voor hem en zijn broer François. Het gebouw werd uitgebreid door de koop van aanpalende huizen in de Drukpersstraat en de Onderrichtstraat. thumb|Kasteel van Bouffémont
Vanaf het begin van de 20e eeuw verbleef Empain steeds vaker in Parijs, waar hij een groot hotel kocht aan rue de Lisbonne 50.Het indrukwekkende hotel is de zetel geworden van de Ambassade van Algerije. Ernaast kocht hij een kleinere woning voor zijn maîtresse Jeanne Becker en hun twee zoons. Op 30 km ten noorden van Parijs betrok hij in Bouffémont een kasteel in Louis XIII-stijl. Zijn laatste levensjaren bracht hij hoofdzakelijk door op zijn landgoed in Sint-Pieters-Woluwe, waar hij overleed.
De 'Metropolitain' van Parijs Vanaf 1856 waren er in Parijs ideeën en voorstellen voor de aanleg van een metro. Tegenstanders voerden aan dat er instortingsgevaar dreigde en bij het omwoelen van de ondergrond ongezonde virussen en microben zouden naar boven komen. De Wereldtentoonstelling van 1889 met ruim dertig miljoen bezoekers, had het Parijse verkeer lamgelegd en bracht de plannen voor een metro opnieuw in de actualiteit. De voorstanders werden in hun argumentatie geholpen doordat al in minstens een tiental grote steden ondergrondse verkeerslijnen waren aangelegd. In 1896 werd de knoop ten gunste van de aanleg doorgehakt. De voornaamste pleitbezorger in de Parijse gemeenteraad was André Berthelot.
Édouard Empain was in de aanleg geïnteresseerd. Als Belg maakte hij weinig kans, maar hij associeerde zich met de goed geïntroduceerde Parijse bankier Adrien Bénard (1846-1912). Via hem maakte hij kennis met Berthelot. Een wedstrijd werd uitgeschreven voor de aanleg van zes metrolijnen met een totale lengte van 65 km. Als winnaar kwam de Compagnie Générale de traction uit de bus, waarvan Empain voor een kwart eigenaar was. Hij kocht vervolgens de aandelen van minder enthousiaste aandeelhouders en was zo weldra voor 80% eigenaar. De vennootschap beloofde honderd procent Frans te zijn en alle voorwaarden van het bestek te volgen.