thumb|Verspreidingsgebied van het Brabants, de oorspronkelijke volkstaal van Brussel right|thumb|Frans en Nederlands zijn beide officiële talen van alle Brusselse gemeenten. De verfransing van Brussel is de ontwikkeling waarbij de aanvankelijk bijna uitsluitend Nederlandstalige stad tijdens de voorbije twee eeuwen tweetalig werd met het Frans als meerderheidstaal en lingua franca. De assimilatie van de Nederlandstalige inwoners in de loop van enkele generaties was hiervoor doorslaggevend, hoewel ook instroom uit Wallonië en later ook het buitenland een rol speelde. De opmars van het Frans in het openbare leven begon geleidelijk aan tegen het einde van de 18e eeuw, en bestendigde zich na de Belgische onafhankelijkheid.
Het Nederlands — waarvan de standaardisering in België nog erg zwak was — kon niet wedijveren met het Frans, de exclusieve taal van het gerecht, de administratie, het leger, de cultuur, het onderwijs en de media. Het prestige van het Frans werd zodanig breed gedragen dat na 1880, en vooral rond de eeuwwisseling, de kennis van het Frans onder de Nederlandssprekenden explodeerde. Hoewel tot na het midden van de 20e eeuw de meerderheid van de Brusselse bevolking tweetalig bleef, werd het Brabants dialect steeds minder doorgegeven aan de volgende generatie, waardoor vanaf 1910 de groep eentalige Franstaligen steeds groter werd. Dit assimilatieproces verloor aan kracht na de jaren 1960, toen de taalgrens werd vastgelegd en het economisch zwaartepunt van het land naar Vlaanderen was verschoven.
Door de aanhoudende toestroom van immigranten en de opkomst van Brussel als centrum van de naoorlogse internationale politiek bleef de relatieve positie van het Nederlands in de stad evenwel achteruitgaan. De toenemende verstedelijking deed, ondanks de vastlegging van de taalgrens, in een bijkomend aantal gemeenten in de Vlaamse Rand Franstalige meerderheden ontstaan. Dit fenomeen van uitdijende verfransing — gekend als de "olievlek" — vormt, samen met het statuut en de financiële draagkracht van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een van de belangrijkste pijnpunten in de Belgische politiek.
De middeleeuwen Het belang van het Frans in Brussel blijft tot de vroege 16e eeuw zeer bescheiden. Rond het jaar 1000 werd het Graafschap Brussel — ten noorden van de taalgrens — een deel van wat later het Hertogdom Brabant zou worden. Brussel nam vanaf het einde van de 13e en in de loop van de 14e eeuw gaandeweg de rol van hoofdstad van Leuven over, en zou deze functie behouden doorheen de Bourgondische tijd (1406-1482). Na de bouw van het nieuwe hertogelijk paleis in 1451 onder Filips de Goede resideerde het Bourgondische hof voornamelijk in Brussel. In het centrale bestuur en aan het hof was dan ook Frans, en niet Nederlands de voertaal. Dit markeert het begin van het Frans als bestuurs- en prestigetaal in de Nederlanden, hoewel het slechts werd gesproken door een kleine groep hoge edelen, hun dienaren en de hoge ambtenaren, juristen en geestelijken, die overwegend uit de zuidelijke provincies kwamen. Het was ook geen bezwaar voor de patriciërs van de provincies Brabant en Vlaanderen, die wel Nederlandstalig waren maar een lange traditie van het gebruik van het Frans kenden. Om met de bevolking te communiceren werd de volkstaal gebruikt.
Vanaf de 12e eeuw werd het Latijn als schrijftaal in bijna heel West-Europa teruggedrongen door de volkstaal. De Brusselse magistraten en gilden schakelden in het laatste kwart van de 13e eeuw over op het Middelnederlands, terwijl voor overeenkomsten tussen privépersonen het Latijn in zwang bleef tot de 16e eeuw. Terwijl in Brussel het Latijn terrein verloor aan het Diets, was dit in het Graafschap Vlaanderen vaak in het voordeel van het Frans: deze taal had reeds tegen de 12e eeuw de status van internationale voertaal bereikt. In tegenstelling tot het Graafschap Vlaanderen, dat tot de 14e eeuw afhing van de Franse Kroon, behoorde Brabant toen tot het Heilige Roomse Rijk. In een beduidend deel van het Graafschap Vlaanderen — de streek rond Rijsel en Dowaai — werden bovendien Romaanse dialecten gesproken, terwijl dit in Brabant slechts beperkt was tot de landelijke streek rond Nijvel en Geldenaken (ongeveer het huidige Waals-Brabant). Daar waar in stadsarchieven van Vlaamse steden als Brugge en Gent het aandeel Franse stukken rond de 50 procent schommelde, was dit in Brussel rond het jaar 1500 beperkt tot minder dan 5 procent. Tot het einde van de 15e eeuw was er in Brabant en Brussel dus amper sprake van een Franstalige aanwezigheid.
Spaanse tijd thumb|200px|Het Paleis op de Koudenberg was tot zijn verwoesting in 1731 de residentie van de buitenlandse vorsten in Brussel. De Scheiding der Nederlanden betekent voor het Nederlands in het Zuiden een zware slag. In 1482, na de dood van Maria van Bourgondië, die gehuwd was met Maximiliaan I van Oostenrijk, kwamen de Lage Landen onder de soevereiniteit van het huis Habsburg. In 1506 wordt hun zoon Filips de Schone, via zijn echtgenote Johanna, koning van Castilië. Tegen hun kleinzoon Filips II brak in 1568 de Nederlandse Opstand uit. In de loop van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), en in het bijzonder na de Val van Antwerpen in 1585, trok een groot deel van de maatschappelijke bovenlaag — in totaal zo'n 150.000 mensen — met zijn rijkdom, vaardigheden en kennis naar het Noorden, dat bijgevolg het economische en culturele zwaartepunt van de Nederlanden werd.
Terwijl deze uittocht de economie en beschaving in de protestantse Republiek in hoge mate stimuleerde, leidde hij in het Zuiden tot een afname van het schriftelijk gebruik van het Middelnederlands. Hoewel de steden zelf het Nederlands bleven gebruiken, gebruikte de Spaanse administratie doorgaans het Frans als bestuurstaal. De in Holland groeiende eenheidstaal, met als voornaamste werk de Statenvertaling van 1635, verwierf een calvinistisch etiket. Het Brabants van de emigranten had dan wel een substantiële invloed op de taal in het Noorden, maar in het algemeen nam het Zuiden niet deel aan de standaardisering van het Nederlands; het volk bleef zijn uiteengroeiende dialecten spreken.
De hoofdstad van de Spaanse Nederlanden trok edelen, hovelingen en hoge ambtenaren aan. Zij gingen wonen in de Brusselse bovenstad, met name op de Koudenberg en aan de Zavel, vergezeld door hoofdzakelijk Waals en Frans dienstpersoneel. Na de Unie van Atrecht van 1579 ontving Brussel daarbovenop talrijke Waalse en Picardische vluchtelingen. Dit zorgde voor de opname van Waalse woorden in het Brussels dialect, en in 1638 zouden de jezuïeten in Brussel drie keer in de week in het Nederlands en tweemaal in het Frans gepreekt hebben. Al bij al assimileerde deze Waalse gemeenschap zich snel, maar de 17e eeuw toonde niettemin een prille vertrouwdheid van de middenklasse met het Frans, met name onder handelaars en ambachtslui.
Oostenrijkse tijd Eerste pagina van de Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788), een manifest voor de herwaardering van het Nederlands.|thumb|200px Het Frans bloeit volop, terwijl het Nederlands verschraalt.
Na het uitsterven van de Spaanse tak van de Habsburgers gingen bij de Vrede van Utrecht van 1713 de Zuidelijke Nederlanden over naar de Oostenrijkse Habsburgers. De Oostenrijkse tijd (1715-1794) betekende de definitieve doorbraak van het Frans, dat onder de Habsburgse administratie de voertaal was, maar net zoals onder de Spanjaarden niet in de lokale besturen.
In het Zuiden was het Latijn de taal gebleven van de katholieke kerk, de wetenschap, de wijsbegeerte en het hoger onderwijs. Het Frans kreeg in de 17e en de 18e eeuw in het bijzonder als taal van de Verlichting een steeds grotere uitstraling, en werd de cultuurtaal bij uitstek voor de betere kringen, inclusief in landen als Rusland en Pruisen. Het Frans was alomtegenwoordig in de diplomatie en politiek. Met twee standaardtalen voorhanden — het Latijn en het Frans — had de elite in het Zuiden geen behoefte aan een aparte Nederlandse standaard- of cultuurtaal. De aan het begin van de 17e eeuw ingezette neergang van het Nederlands als literaire taal zette zich tijdens de 18e eeuw zodanig door, dat er tegen de 19e eeuw geen noemenswaardige Nederlandse literatuur meer zou bestaan in het Zuiden.
De verstedelijkingsgraad in Brabant daalde van 39 procent in 1526 tot 24 procent in 1784, hoewel de bevolking er tussen 1709 en 1784 met meer dan de helft toenam. Deze demografische groei ging gepaard met een algemene verarming — in Brussel verdubbelde het aantal armen tussen 1755 en 1784 tot 15 procent — wat leidde tot een verdere stigmatisering van de volkstaal. In de Oostenrijkse Nederlanden was het vooral in de hoofdstad, Brussel, waar het Nederlands verder aan prestige inboette ten aanzien van het Frans. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog werd Brussel van 1746 tot 1748 kortstondig door de Fransen bezet, wat de invloed van het Frans verder vergrootte. Franse ex-militairen bleven in Brussel en gingen zich aan het onderwijs wijden.
Reeds in de 18e eeuw, zelfs voor de Franse bezetting, waren er al klachten over de achteruitgang van het Nederlands, hoewel de reactie tegen de "gallomanie" er minder sterk was dan in andere landen. Dit kwam onder meer door het lage aanzien van het Nederlands zelf. Na de 17e eeuw — de Gouden Eeuw — kenden de Noordelijke Nederlanden ook zelf op politiek, cultureel en economisch vlak een zekere terugval, waardoor het Frans ook daar aan invloed won. Volgens andere auteurs moet de aftakeling en desintegratie van het Nederlands evenwel niet overdreven worden, maar de perceptie van verval was er wel. In de 18e eeuw was angst voor verfransing een algemene trek in de Nederlanden. Jan Baptist Verlooy, een Brussels advocaat, schreef in 1788 zijn "Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden", waarin hij de herwaardering van het Nederlands als voorwaarde voor de democratisering van de samenleving en ontwikkeling van het volk benadrukte. Hij beklaagde zich over de "Fransdolheyd" die heerste in Brabant en Brussel in het bijzonder.
In dit werk schatte hij dat de Franstalige minderheid slechts min of meer 5 procent bedroeg, en geconcentreerd woonde in de buurt van de Zavel, de Hoogstraat en het huidige Poelaertplein (de "buytevesten"). Het percentage van de bevolking dat zich in het openbare leven bij voorkeur in het Frans uitdrukte, bedroeg volgens andere bronnen in 1760 tussen 5 tot 10 procent en lag in 1780 waarschijnlijk rond de 15 procent. Deze minderheid — die onder andere door de hoofdstedelijke functie van Brussel groter was dan in steden als Antwerpen of Gent — was welgesteld en vormde de maatschappelijke bovenlaag. Uit notariële archieven en diverse officiële documenten blijkt dat aandeel van de akten die in het Frans waren opgesteld steeg van ongeveer een vijfde in 1760 tot een kwart in 1780. Meer dan de helft van de Franstalige akten was evenwel afkomstig van de maatschappelijke elite, die rond een tiende van de bevolking uitmaakte. De ambachtslieden en kleinhandelaars stelden hun akten in 1760 slechts voor 4 procent op in het Frans; in 1780 was dit gestegen tot 13 procent. In de privésfeer was Nederlands nog veruit de meest gebruikte taal.