Ludwig van Beethoven componeerde zijn Zesde Symfonie in F majeur Pastorale opus 68 gedurende de jaren 1802 tot 1808 in Wenen. Het is een van de niet al te talrijke voorbeelden in zijn oeuvre van programmamuziek, een pastorale.

Beethoven schreef dit stuk terwijl hij verbleef in de landelijke omgeving van het dorpje Heiligenstadt (waar ook een badhuis was). In deze tijd begon zijn gehoor verder achteruit te gaan.

Opbouw Typerend in dit stuk is het gebruik van de toonsoort F-groot: van oudsher de toonsoort van de pastorale (bijvoorbeeld ook bij Bach).

Het stuk onderscheidt zich daarnaast met name van andere symfonieën van Beethovens hand door de specifieke beschrijvingen die elk afzonderlijk deel heeft. Het aldus vertelde verhaal begint met een samenkomst ergens op het platteland in een heel vrolijke, ontspannen en gemoedelijke sfeer (te denken valt bijvoorbeeld aan een picknick van boeren), waarbij bij iedereen positieve gevoelens over de natuur naar boven komen. Het tweede deel is het meest ingetogen: hier wordt door middel van de muziek een heel rustige scène aan een beekje met kabbelend water beschreven. Aan het eind zijn hier meerdere bijzondere vogelgeluiden te horen: een koekoek, kwartel en nachtegaal. In het derde deel, de "boerendans", volgt een feestelijke en veel meer uitgelaten stemming, begeleid door schallende hoorns. Dit gaat rechtstreeks over in het vierde deel met een plotseling opstekend en kort durend maar wel hevig noodweer, inclusief veel regen, felle rukwinden en zware donderslagen. Dit deel gaat rechtstreeks over in het vijfde en laatste, dat in het teken staat van de gevoelens van opluchting en dankbaarheid bij de aanwezigen nadat de storm weer overgetrokken is; dit slotstuk heeft veel weg van een herderslied, vandaar ook de naam van de hele symfonie.

De symfonie bestaat aldus uit vijf delen, waarvan de drie laatste zonder duidelijke onderbreking in elkaar overgaan:

Allegro ma non troppo: Erwachen heiterer Empfindungen bei der Ankunft auf dem Lande ("Ontwaken van vrolijke gevoelens bij aankomst op het land") Andante molto mosso: Szene am Bach ("Scène bij de beek") Allegro: Lustiges Zusammensein der Landleute ("Vrolijk samenzijn van de landmensen") Allegro: Gewitter, Sturm ("Onweer en storm") Allegretto: Hirtengesang. Frohe und dankbare Gefühle nach dem Sturm ("Herderslied - vreugde en dankbare gevoelens na de storm")

Beethoven kende vergelijkbare passages in Haydns Die Jahreszeiten.

Instrumentatie De symfonie is gecomponeerd voor piccolo (enkel vierde deel), 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten in bes, 2 fagotten, 2 hoorns in f en bes, 2 trompetten in c en es, 2 trombones (alt en tenor), pauken en strijkers.

Muziek 1. Allegro ma non troppo

2. Andante molto mosso

3. Allegro

4. Allegro

5. Allegretto

Categorie:Symfonie van Ludwig van Beethoven