thumb|Europees papiergeld
Het geld is een eenheid om waarde uit te drukken en bestaat enerzijds uit publiek geld voor het chartaal betalingsverkeer en anderzijds uit privaat geld voor het giraal betalingsverkeer. Geld heeft als functie een wettig betaalmiddel te zijn voor het betalen van goederen & diensten en kan door de bevolking worden ingezet als betrouwbaar spaarmiddel.
Onderscheid Publiek Het publiek geld of circulatiegeld is het fysieke geld in omloop en wordt geproduceerd door een munthuis en beveiligde drukkerij in opdracht van een staat, land of gebied. Het wordt vervolgens gedistribueerd door een nationale primaire bank naar secundaire banken. Het fysieke geld met betrekking op bankreserves wordt basisgeld of centralebankgeld genoemd en is de geldschepping onder chartale vorm door een centrale bank.
Privaat Privaat geld is de geldschepping dat door een commerciële bank wordt gecreëerd in de vorm van gestort geld via leningen. Ook het saldo op de spaarrekening en het betalen met een betaalkaart of creditcard zijn privaat geld. Het "publiek geld" speelt een cruciale rol om het privaat geld te kunnen vertrouwen op waarde omdat iedereen weet dat een betaling en spaargeld kan omgezet worden naar hetzelfde bedrag aan centralebankgeld.
Crypto Een belangrijk element is dat cryptovaluta geen geld representeert omdat het niet gedekt wordt met centralebankgeld en ook niet de belangrijkste drie functies van geld vervullen, zijnde: ruilmiddel, oppotmiddel en rekeneenheid. Ook de stablecoin zoals USDC en EURC, waarvan de waarde is gekoppeld aan een andere waarde, is niet officieel gedekt met publiek of privaat geld. Er is geen toezicht en dus ook geen garantie op volledige dekking.
Ruilmiddelen Als economisch ruilmiddel onderscheidt geld zich van andere ruilmiddelen doordat het de wederdienst, die aan de ruilpartner verschuldigd is, niet onmiddellijk voldoet, maar op grond van algemene en wettelijke erkenning gebruikt kan worden voor verdere ruiltransacties.
Hoewel vaak wordt gesteld dat geld is ontstaan als 'goederengeld' (Engels: commodity money, Duits: Warengeld of Sachgeld) werd dit voorafgegaan door kredietsystemen waarbij schulden werden bijgehouden op kleitabletten, kerfstokken of andere methodes. Muntgeld kwam pas rond de zesde eeuw v.Chr. in gebruik. Bijna alle hedendaagse geldsystemen zijn gebaseerd op fiduciair geld. Fiduciair geld heeft geen intrinsieke gebruikswaarde als een fysiek goed; het ontleent zijn waarde louter en alleen aan het vertrouwen dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden. Meestal (maar niet altijd) is dit vertrouwen gestoeld op het feit dat een overheid dit geld als een wettig betaalmiddel aanduidt, dat wil zeggen dat het geld in kwestie binnen een land aangewezen is als middel voor het vereffenen van schulden. Cryptogeld zoals bitcoin en complementaire geldsystemen zoals LETS vormen hier een uitzondering op; bitcoins en LETS vallen binnen de definitie van fiduciair geld maar zijn niet door enige overheid aangeduid als wettig betaalmiddel.
De geldhoeveelheid van een land bestaat uit chartaal geld (bankbiljetten en munten) en giraal geld (de balans in direct opvraagbare tegoeden op betaal- en spaarrekeningen). Deze tegoeden zijn bijna altijd veel groter dan de hoeveelheid chartaal geld. Giraal geld is niet tastbaar en bestaat alleen in de vorm van verschillende bankrecords. Ondanks het feit dat giraal geld niet tastbaar is, voert het nog steeds de basisfuncties van geld uit (aangezien giraal geld algemeen als een vorm van betaling wordt aanvaard).
Definitie In de gangbare definitie is geld ieder goed, materieel of immaterieel, dat de volgende drie functies, vervult:
Betrouwbaar ruilmiddel: geld is een algemeen geaccepteerd goed dat directe ruil van andere goederen overbodig maakt. Rekeneenheid: geld is een uniforme maat voor koopkracht (economische waarde), waarin de waardes van verschillende goederen kunnen worden uitgedrukt en vergeleken. Zo kunnen we zeggen dat een pak melk € 1,- waard is, een brood € 2,- en dat een brood dus twee keer zoveel waard is als een pak melk. Oppotmiddel: geld is een opslagmedium voor koopkracht, om deze naar de toekomst over te hevelen (spaarmiddel).
Het vervullen van deze drie functies wordt als noodzakelijke en voldoende voorwaarde gehanteerd voor het benoemen van een goed (materieel of immaterieel) als geld in een bepaalde economie. Ieder goed dat de drie functies vervult is dus economisch gezien geld, of het nu goud, zout of papier is. Een goed dat één, twee of geen van de functies vervult is geen geld.Zo kan men stellen dat het zilver waarin de oude Egyptenaren prijzen berekenden geen geld was, omdat ze geen fysiek zilver uitwisselden en het zilver dus geen ruil- of oppotmiddel was: R. Seaford, Monetisation and the Genesis of the Western Subject, Historical Materialism 20(1), p. 81. Gearchiveerd op 6 augustus 2018.
Om de drie geldfuncties te vervullen moet een goed aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo mag het niet bederfelijk zijn, omdat anders de oppotfunctie vervalt. Het moet in deelbaar zijn om als effectief ruilmiddel te fungeren bij kleine transacties, terwijl het in duidelijke eenheden moet bestaan om als rekeneenheid dienst te kunnen doen.
Een vierde functie is die van het boetemiddel: een middel om betalingen aan een overheid mee te voldoen, zoals boetes voor overtredingen of belastingen (boetes waaraan geen overtreding voorafging). Een middel dat deze functie vervult heet ook wel een wettig betaalmiddel. De precieze verhouding tussen geld en wettige betaalmiddelen is omstreden: sommige economen menen dat geld altijd en overal een overheidsschepping is, zodat de functie van wettig betaalmiddel primair is,Bijv. Mitchell-Innes (1913), Graeber (2011). terwijl anderen betogen dat geld van nature uit de markt voortkomt en dat overheden alleen een secondaire, stabiliserende functie in het geldwezen hebben.Bijv. Shaikh (2016, p. 165 e.v.).
De rol van geld De geldhoeveelheid beïnvloedt de conjunctuur. Zou er bijvoorbeeld te veel geld zijn, dan zouden consumenten meer gaan besteden dan er geproduceerd kan worden. De prijzen stijgen, er treedt inflatie op en de economie raakt oververhit. Het tegenovergestelde is ook mogelijk: als er bijvoorbeeld te weinig geld is, kunnen consumenten te weinig kopen en zal de werkloosheid toenemen: de economie verslechtert en er ontstaat een recessie. Het beleid van de centrale bank om dit tegen te gaan wordt geldpolitiek of monetair beleid genoemd: als de inflatie te veel toeneemt, verhoogt de centrale bank de rentetarieven, zodat de economie 'afkoelt'; als de economie te veel afkoelt, verlaagt de centrale bank de rentetarieven als stimulans.
Geld is een belangrijk oppotmiddel, maar negatieve rente, vermogensbelasting en inflatie tasten de waarde wel aan.
Geschiedenis van het geld
Oorsprong in de ruilhandel? In de economie wordt van oudsher beweerd dat geld is uitgevonden ter vervanging van een ouder systeem van ruilhandel. Het standaardverhaal is dat met de ontwikkeling van de handel, één goed als betaal-, reken- en oppotmiddel ging fungeren (als goederengeld) en dat dan gaandeweg edelmetalen als goud en zilver algemeen erkend werden als de meest bruikbare vormen van goederengeld. Het krediet zou uitgevonden zijn om het dure en risicovolle verplaatsen van edelmetaal overbodig te maken.
Deze mythe over de uitvinding van het geld, die teruggaat tot Aristoteles en zijn belangrijkste verkondiger vond in Adam Smith, is in de afgelopen eeuw systematisch ontkracht door archeologisch en antropologisch onderzoek: de ruileconomieën die economen bedacht hebben, hebben nooit werkelijk bestaan."No example of a barter economy, pure and simple, has ever been described, let alone the emergence from it of money; all available ethnography suggests that there never has been such a thing". Geciteerd uit Barter and Economic Disintegration, Man, New Series Vol. 20, No. 1 (maart 1985), pp. 48-72 De vroegste economieën berustten waarschijnlijk op gezamenlijk beheer van middelen in stam- of clanverband of giften, met ruilhandel enkel tussen onverwante groepen.Graeber (2011, hoofdstukken 2 en 3). In de moderne economie wordt de mythe van Smith nog wel gepresenteerd, maar nu meestal als een gedachte-experiment over hoe een moderne economie zou gaan fungeren als het geld weggedacht wordt.
Oorsprong in schuld Een alternatieve theorie (onder anderen aangehangen door Keynes) keert die van Smith volledig om en stelt dat geld juist ontstaan is uit krediet en de standaardisering daarvan door de staat. In deze visie is geld altijd een maat van het vertrouwen in het vermogen van een schuldenaar om zijn schuld af te lossen. De ontwikkeling van schuld tot geld verloopt dan als volgt. Eerst wordt een goed door persoon A verruild voor een schuldbekentenis van persoon B, die het goed ontvangt. (De bekentenis kan geschreven zijn of de vorm aannemen van een voorwerp, bijvoorbeeld een kerfstok.) Persoon A kan de schuld op een later moment op B verhalen door de schuldbekentenis terug te geven. Hij kan deze echter ook aan een derde persoon C geven als onderdeel van een verdere transactie, mits C afdoende vertrouwen heeft in B, en zo begint de schuld door de economie te circuleren. Dit verschijnsel is door antropologen ook werkelijk geobserveerd.
Deze handel op basis van schuldbekentenissen is onpraktisch op grote schaal, omdat het benodigde vertrouwen zich niet uitstrekt voorbij de grenzen van een dorps- of handelsgemeenschap. Schuld wordt pas (fiduciair) geld zodra een centrale partij, een overheid, besluit de schuldbekentenissen te standaardiseren. Als de overheid tegelijk de particuliere eigendom invoert, kan een klasse van handelaren ontstaan (die het bezit opeisen over goederen die ze noch produceren, noch gebruiken) en kan een markt ontstaan.
De antropoloog David Graeber meent dat de invoering van geld en markt ook hand in hand gaat met die van de belastingen (aanvankelijk in de vorm van schatplicht). Geld was volgens Graeber, die zich baseert op o.a. de Arthashastra, het middel bij uitstek voor grote rijken om de bevoorrading van hun legers te regelen. Door soldij uit te keren én belasting te heffen in geld, wordt de bevolking van een rijk in feite gedwongen om handel met soldaten te drijven. Dit effect is niet alleen in teksten uit de oudheid aangetoond, maar ook in modernere koloniale situaties.thumb|240px|Munten uit de vroege 6e eeuw v.C., afkomstig uit Lydië.
Schuld en goederengeld Het idee dat geld ontstaan is uit schuld en vertrouwen lijkt in tegenspraak met het feit dat oude vormen van geld wel degelijk goederengeld waren, samengesteld uit edelmetaal. Dit is te verklaren uit de dubbele functie van geld, voor binnenlandse en buitenlandse handel: Romeinse munten, bijvoorbeeld, hadden binnen het Romeinse Rijk steevast een hogere waarde (voortkomend uit hun nominale waarde voor de belastingen) dan buiten het Rijk, waar alleen hun waarde als zilver of goud gold. Hetzelfde principe was in het laatmiddeleeuwse Europa aan het werk: goud- of zilvergeld werd gebruikt voor alle transacties op lange afstand, maar binnen gemeenschappen hadden sommige winkeliers de gewoonte om hun eigen leren of houten muntjes uit te geven.Graeber 2011:73-74.
Kaartgeld thumb|Kaartgeld ter waarde van één gulden, uit Nederlands-Guiana (1801)
Kaartgeld is een vorm van fiduciair geld – geld dat zijn waarde niet ontleent aan de materie waaruit het gemaakt is. Het werd gedrukt op gewoon karton of speelkaarten, die op verschillende momenten in de 17e tot het begin van de 19e eeuw als valuta werd gebruikt in met name Nederlands-Guiana, Frankrijk en Nieuw-Frankrijk. Het ging het vaak gepaard met hoge inflatie. In Nederlands-Guiana werden naar kaarten ook papegaaienmunt uitgegeven.
Goud en andere edelmetalen