Zigeunermuziek kan in twee hoofdgroepen verdeeld worden: muziek die in zigeunerstijl gemaakt wordt door zowel Roma en Sinti als door anderen, en muziek die Roma en Sinti maken in eigen kring.

De eerste betekenis is de bekendste: de violist die in een restaurant aan je tafeltje komt en vervolgens Otsji Tsornije (Zwarte Ogen) in zigeunerstijl speelt, is daar een voorbeeld van. Zigeunermuziek kreeg ook wereldwijde bekendheid in de vorm van gipsyjazz, een jazzstijl die vooral onder invloed van Django Reinhardt en Stéphane Grappelli populair werd.

De zigeunermuziek voor eigen kring is veel minder bekend. Hier geen violen met zwaar vibrato en een virtuoze cimbalom, maar veel vocale muziek en percussie. Voorbeelden zijn de groepen Kalyi Jag en Parno Graszt uit Hongarije.

Soorten zigeunermuziek De muziek van de Roma heeft het verloop van hun omzwervingen op de voet gevolgd. Hun oudste vorm van muziek maken komt nog voor bij de nomadisch levende Roma. Alle latere vormen zijn ontstaan uit een kruisbestuiving tussen de speelwijze van de Roma en de lokale volksmuziek. In grote trekken onderscheidt men: de oorspronkelijke volksmuziek van de nomadische Roma zigeunermuziek uit Midden- en Oost-Europa zigeunermuziek uit Spanje: flamenco zigeunermuziek uit andere landen, waaronder het Midden-Oosten gipsyjazz

Oorspronkelijk De volksmuziek van de nomadisch levende Roma wordt louter gezongen en dient alleen voor eigen gebruik. Zij bestaat uit langzame, vaak klagende, liederen en uit snelle liederen die worden begeleid met tongklakken, scanderen van enkele lettergrepen, slaan met lepels en andere eenvoudige begeleidingstechnieken, maar wordt nooit instrumentaal begeleid. Toch is ook deze oorspronkelijke volksmuziek niet helemaal onbeïnvloed gebleven. Hier en daar kan men het typische estam-ritme (de after-beat) van de Hongaarse zigeunermuziek horen en soms liggen de gezongen melodieën dicht tegen die van de bekende instrumentale zigeunermuziek aan.

Midden-Europees De muziek uit Midden- en Oost-Europa is de muziek die in West-Europa met name bekendstaat als zigeunermuziek. In sommige Midden-Europese landen wil men er echter niet van horen dat de ontwikkeling van de eigen volksmuziek in handen van Roma is geweest. Men spreekt daar liever van Hongaarse of Roemeense volksmuziek. Roma en Sinti erkennen bovendien soms alleen de door eigen mensen gespeelde muziek als "zigeunermuziek", ongeacht hoe goed een kapel van Hongaarse of Russische muzikanten het zigeuneridioom ook beheerst. In het licht van deze controverses wordt deze soort zigeunermuziek hier beschreven als volksmuziek uit Midden- en Oost-Europa, op zigeunerwijze gespeeld, onafhankelijk of dit gebeurt door Roma of niet-Roma. De muziek wordt altijd uit het hoofd gespeeld, is voornamelijk instrumentaal en wordt meestal door de strijkers voorgedragen, behalve in de Roemeense muziek waar de panfluit een hoofdrol speelt. De begeleiding wordt verzorgd door verscheidene instrumenten, maar omvat bij voorkeur een cimbalom en een contrabas (nagy bőgő).

Spaans Andalusië werd eeuwenlang door de Moren uit Noord-Afrika overheerst. Uit die islamitische traditie stamt de cante flamenco, een uit Arabische bron voortgekomen wijze van zingen. Deze zangwijze werd door de Roma overgenomen en wordt nu als een typische uiting van zigeunercultuur gezien. Hij heeft zich ontwikkeld tot een genre met een virtuoze gitaarbegeleiding. Daarbij zorgt de gitaar ook voor hartstochtelijke voor-, na- en tussenspelen. Verder wordt er dans aan toegevoegd, begeleid door het karakteristieke geluid van castagnetten. Het geheel vormt een wervelende voorstelling van dans en muziek, die echter bestemd is voor niet-Roma als toehoorders. De liederen hebben vaak een droevige tekst, waarbij melodie en recitatief elkaar afwisselen. Er wordt soms ritmisch, soms rubato voorgedragen en er komen veel tempowisselingen voor. De toonsoorten stammen voornamelijk uit Arabië, maar komen ook in India en Iran voor.

Andere landen In Turkije en Noord-Afrika bestaat een zigeunerensemble van oudsher uit twee muzikanten: de één bespeelt de surna, een hobo-achtig instrument, de ander bespeelt de beide zijkanten van een grote trommel. Deze combinatie vertegenwoordigt de oudste vorm van volksmuziek, waarbij steeds één melodie-instrument en één begeleidingsinstrument aanwezig is. In de Afrikaanse landen speelt men geen oorspronkelijke zigeunermuziek, maar vertolkt op eigen wijze de volksmuziek van het gebied. In Frankrijk houden verschillende Romagroepen een jaarlijkse bijeenkomst; daar wordt vaak muziek gespeeld die kan worden opgevat als een variant op de gipsyjazz.

Gipsyjazz

Over gipsyjazz kan men van mening verschillen. Is het een aparte categorie muziek of is het een bijzondere soort jazz? Dit laatste geldt zeker voor de muziek van het Quintette du Hot Club de France. Hoewel de drijvende kracht achter de Hot Club, Django Reinhardt, een Sinto was, klinkt de muziek van Hot Club de France toch voornamelijk als jazz. In recenter tijd zijn er echter muzikanten zoals de violist Schuckenack Reinhardt, de spelers van het Rosenberg Trio, de Basily Gipsy Band en de Paulus Schäfer Gipsy Band, die veel nummers uit het zigeunerrepertoire op jazzachtige wijze vertolken.

Het Midden-Europese zigeunerorkest Basisbezetting thumb|Het cymbaal verzorgt de harmonieën De kleinst denkbare bezetting waarmee zigeunermuziek uitgevoerd kan worden is het trio viool, cimbalom en contrabas. Een duo van viool en piano kan tot zigeunermuziek leiden, maar geeft niet die schok van herkenning. Dankzij de begeleiding in de basisbezetting, kan de muziek boven het peil van eenvoudige volksmuziek worden uitgetild. De violist kan zo mooi spelen als hij wil, een deel van de schoonheid van de melodie komt voort uit de harmonieën die het cymbaal eraan toevoegt.

Rol van viool en cymbaal De primas, letterlijk de eerste violist, is tegelijkertijd orkestleider en solist. Hij bepaalt de melodie, de toonaard en het tempo. Wisselingen van tempo geeft hij aan met zijn stokvoering en met subtiele lichaamsbewegingen. Hij wordt daarbij actief gesteund door de cymbalist. Diens akkoorden worden arpeggio gespeeld. De cymbalist slaat bij snelle delen het felle ritme aan en schept bij rustige melodieën de rustieke sfeer die bij de muziek hoort. Van deze twee, de viool en het cymbaal, heeft de componist Liszt eens gezegd: 'Samen oefenen ze het recht uit om de muziek gestalte te geven. De viool ontwikkelt de melodie, hij fraseert en neemt orgelpunten. Het cymbaal geeft het ritme aan, verzorgt de versnellingen en vertragingen en beïnvloedt het volume.'

Rol van de bas thumb|120px|left|De bas vormt de basis waar deze muziek op rustDe bassist ondersteunt dat alles met zijn diepe grondtoon. Hij tilt de muziek als het ware op en geeft er basis aan. In de snelle delen markeert hij het tempo met zijn korte en krachtige streken. In de langzame melodieën 'zoekt' hij soms naar de juiste toon door er glissando naartoe te glijden, maar pakt de gevonden toon dan stevig beet: er is haast geen indrukwekkender toon dan die van een bassist in een Hongaarse lassan of een Roemeense doïna. Zonder bas klìnkt zigeunermuziek niet, en ontbeert zij een ziel.

Bezetting van de zigeunerkapel In een zigeunerkapel wordt de basisbezetting uitgebreid met verschillende andere instrumenten.

Tweede viool of kontras De muziek wint veel aan zeggingskracht als er een tweede viool wordt toegevoegd. De tweede viool of kontras volgt in alles de primas en vult de melodieën aan met een tweede stem of met tegenmelodieën. Een goede kontras speelt ook tweesnarig tweede en derde stemmen. Veel van die stemmen worden op het gehoor gevormd, maar als het moeilijk wordt, zal de kontras zijn begeleiding thuis uitzoeken en voor zichzelf opschrijven; hij zal zo'n partij echter nooit van blad spelen. In de snelle delen volgt de kontras vaak een andere strategie: hij speelt tweetonige akkoorden op het lichte maatdeel, zoals de afterbeat in de jazzmuziek klinkt. Tussen de bas die de hoofdmaat accentueert en de tweede viool die de tegenmaat aangeeft ontstaat dan een ijzersterk ritme, dat in de zigeunermuziek estam genoemd wordt.

Bratsch thumb|De altviool, die wat groter is dan de viool, steunt de begeleidingIn een groter orkest komt er nog een altviool of bratsch bij die in de snelle delen de ritmische functie overneemt, zodat de kontras ook daar zijn tweede stemmen kan blijven spelen. De altviool doet dan dienst als napikker of naplukker. In de langzame delen vult hij een deel van de harmonieën in.

In sommige zigeunerorkesten heeft de bratsch slechts drie snaren, die over een vlakke kam lopen. Daarmee kunnen driesnarige akkoorden worden gemaakt, zodat de estam volledige drie- en vierklanken kan omvatten. Het cymbaal heeft dan meer vrijheid om zijn eigen melodische lijnen aan het geheel toe te voegen.

Cello De taak van de altviool kan ook door een cello worden uitgevoerd. Door zijn grotere volume kan dan een sterk estamritme worden neergezet, terwijl in de langzame delen een rijk coloriet voor de harmonische invulling ter beschikking staat. Ook heeft men er een solist bij, die vooral in de romances en de ballades een eigen bijdrage kan leveren. Een enkele keer komt het voor dat een cello de rol van primas vervult.

Piano Bij grotere orkesten, vooral in het Westen, wordt aan deze combinatie een piano toegevoegd die in deze bezetting niet veel meer doet dan het ritme en de akkoordenloop versterken. Hongaarse en Roemeense orkesten verlaten zich helemaal op het cymbaal. In het orkest van Tata Mirando daarentegen, speelt de piano een belangrijke rol in de begeleiding. Daar wordt dan een gitaar van zwaar model (een cymbaalgitaar) aan toegevoegd waardoor een geheel eigen geluid ontstaat.

In zo'n grote bezetting kunnen bas, naplukker en piano worden vergeleken met de ritmesectie van een jazz-orkest: ze bouwen het ritme en de akkoordenloop op, maar krijgen zelden of nooit een solofunctie, die wordt vervuld door de viool en het cimbaal. Als het cimbaal ontbreekt, krijgt de piano een meer vooraanstaande functie, maar ook dan is daarvan zelden solistisch werk te verwachten.

De leden van de ritmesectie letten intensief op de solist en volgen hem op de voet. Dat heeft te maken met het spelen zonder blad: alleen het volgen van de melodie en van de gebaren van de solist kunnen het orkest bij elkaar houden.

Klarinet In orkesten die zich toeleggen op de Hongaarse zigeunermuziek komt bovendien een klarinet voor. Hij speelt dezelfde melodie als de primas, maar heel anders: met trillers en versierde passages draagt hij de melodie voor. Soms omspeelt hij de melodie of geeft op zijn eigen manier de harmonieën weer. Ook neemt hij van tijd tot tijd de rol van de solist over en speelt dan een variatie van eigen makelij.

Panfluit thumb|De panfluit in drie verschillende formatenIn veel Roemeense orkesten neemt de panfluit, of nai, de plaats van de primas in. Er is vaak wel een viool, maar die houdt zich voornamelijk bezig met de begeleiding en krijgt maar af en toe een solo toebedeeld. De panfluit is bij uitstek geschikt om de felle Roemeense dansen, met hun vaak ingewikkelde ritme, te vertolken en geeft een heel eigen charme aan de langzame nummers, zoals de doïna. Hij versiert de melodieën op net zo'n rijke wijze als de Hongaarse primas en heeft net als hij een gamma van klankkleuren ter beschikking. Een veel gebruikt effect is het laten afzakken van de toon en het tijdig op hoogte terugbrengen, gepaard gaande met een verandering van timbre. Dergelijke klankeffecten hebben het instrument zeer populair gemaakt, waarbij spelers als Gheorghe Zamfir en Nicolae Pirvu een belangrijke rol hebben gespeeld.

Accordeon In Roemeense bezettingen komt soms een accordeon voor. Die vervult in grote trekken de functie van de naplukker, vooral als er geen viool aanwezig is. Hij verzorgt af en toe solo's, vooral in doïna's waar hij een geheel eigen idioom en klankkleur weet te treffen.

Grotere bezettingen