Dit artikel geeft een overzicht van de taxonomische indeling van de muizen en ratten van de Oude Wereld (Murinae), een groep van knaagdieren. De muizen en ratten van de Oude Wereld vormen een onderfamilie binnen de familie Muridae van de superfamilie Muroidea en omvatten bijna 600 soorten, waaronder de bruine en zwarte rat en de huismuis. Sinds de 19e eeuw is er veel over de taxonomie van de groep gepubliceerd, met aandacht voor de afbakening van de onderfamilie, haar verwantschappen, en de onderlinge verwantschappen van haar leden.

Hoewel de naam "Murinae" al sinds 1866 wordt gebruikt, is er daarna nog lange tijd onenigheid geweest over de precieze afbakening van de groep; vormen als de "Hydromyinae", Rhynchomys en Phloeomys, die nu tot de Murinae worden gerekend, werden in aparte onderfamilies geplaatst, en aan de andere kant werden dieren als de hamsterratten en de meeste Deomyinae juist wel in de Murinae geplaatst, hoewel ze daar volgens de huidige inzichten niet thuishoren. De Deomyinae is als laatste van de Murinae afgesplitst; dat gebeurde in de jaren 90 op basis van DNA-onderzoek. Uit DNA-onderzoek en andere gegevens blijkt ook dat de Otomyinae in feite uit Afrikaanse Murinae zijn ontstaan; tegenwoordig worden zij dan ook door sommigen in de Murinae geplaatst.

In het verleden zijn onder andere de boommuizen (Dendromurinae) als nauwe verwanten van de Murinae gezien, maar die verwantschappen zijn door moderne DNA-gegevens niet bevestigd. In plaats daarvan worden nu de gerbils, de Deomyinae, de groeftandbosmuis en de manenratten als de verwanten van de Murinae gezien. De gerbils, die mogelijk van dezelfde groep fossiele Muroidea afstammen, de Myocricetodontinae, zijn waarschijnlijk de nauwste verwanten van de Murinae.

Voor de onderverdeling van de onderfamilie zijn verschillende sterk verschillende classificaties voorgesteld, meestal voornamelijk op basis van kenmerken van de tanden. Naast deze morfologische gegevens worden tegenwoordig ook DNA-gegevens gebruikt voor de classificatie van de Murinae. De meest recente classificatie is die van Guy Musser en Michael Carleton uit 2005, die de onderfamilie onderverdelen in 29 divisies, variërend in grootte van een geslacht met één soort tot 20 geslachten met 109 soorten. In totaal erkennen zij 561 soorten in ongeveer 130 geslachten; inmiddels nadert het aantal soorten door herclassificatie en door de ontdekking van nieuwe soorten met rasse schreden de 600.

Afbakening Een historisch belangrijke classificatie van de Murinae is die uit 1945, door de Amerikaanse paleontoloog George Gaylord Simpson in diens monumentale classificatie van de zoogdieren. Simpson plaatste de familie Muridae binnen een grotere superfamilie Muroidea. Binnen de familie erkende hij de onderfamilies Dendromurinae Hydromyinae Murinae Otomyinae Phloeomyinae Rhynchomyinae De afbakening van Simpson van de onderfamilie Murinae is aanmerkelijk anders dan de tegenwoordige: de onderfamilie omvat nu ook de dieren die bij Simpson de Hydromyinae, Phloeomyinae en Rhynchomyinae vormen, met daarin verschillende Zuidoost-Aziatische, Nieuw-Guinese en Australische geslachten. Daarentegen plaatste Simpson de groeftandbosmuis en de dieren die nu de onderfamilie Cricetomyinae vormen binnen de Murinae.

Zowel voor de groeftandbosmuis als voor de Cricetomyinae duurde het niet lang voor ze definitief uit de Murinae werden verwijderd. Ook de erkenning van de onderfamilie Phloeomyinae duurde niet lang; de leden hiervan hebben volgens de huidige inzichten geen enkele bijzondere onderlinge verwantschap. Dit gold ook voor de onderfamilie Rhynchomyinae (die uitsluitend Rhynchomys omvatte). De onderfamilie Hydromyinae was een langer leven beschoren, al bleek ook deze op termijn niet te handhaven. Eerst werd de suggestie gedaan dat de Filipijnse geslachten Chrotomys en Celaenomys weinig te maken hadden met de rest van deze overwegend Nieuw-Guinese groep. Later bleek dat ook de rest van deze onderfamilie om parafylie te voorkomen niet als aparte onderfamilie moest worden erkend, maar hoogstens een bijzondere groep binnen de Murinae vormde. Toch wordt deze onderfamilie nog tot ver in de 20e eeuw erkend (bijvoorbeeld in Tim Flannerys Mammals of New Guinea uit 1995, dat vrijwel alle inheemse Murinae van Nieuw-Guinea in de Hydromyinae plaatste).

Vanaf de jaren '90 van de 20e eeuw werd uit voornamelijk DNA-sequentie gegevens duidelijk dat de grotendeels Afrikaanse geslachten Acomys, Lophuromys en Uranomys niet aan de overige Murinae verwant waren, maar samen met Deomys een aparte groep vormden, die tegenwoordig erkend wordt als de onderfamilie Deomyinae.

Uit DNA-sequentie gegevens bleek ook dat de dieren die tot dan toe de onderfamilie Otomyinae vormden, en gezien werden als een zeer van de Murinae verschillende groep, binnen de Murinae moesten worden geplaatst. De logische conclusie die hieruit voort hoort te vloeien - om de onderfamilie Otomyinae niet meer te erkennen - is in de formele classificatie door de bovengenoemde Musser en Carleton, in Mammal Species of the World (2005), echter nog niet getrokken.

Musser en Carleton, in Mammal Species of the World, erkennen 561 soorten binnen de onderfamilie. Deze soorten werden in ongeveer 130 geslachten ingedeeld, maar zij gaven aan dat verschillende geslachten in de toekomst zouden worden opgesplitst; inmiddels zijn er ook twee andere volledig nieuwe geslachten beschreven. Sindsdien neemt dit aantal nog steeds toe door de ontdekking van nieuwe soorten en het opsplitsen van oude. Daarnaast omvat de onderfamilie een groot aantal uitgestorven geslachten en soorten.

Verwantschappen Tegelijk met de afbakening van de Murinae is de perceptie van haar verwantschappen veranderd. In 1945 plaatste Simpson de Murinae in een familie Muridae samen met andere onderfamilies (zie boven), binnen een grotere superfamilie Muroidea. De superfamilie is gebleven, maar de verwantschappen tussen de onderfamilies die haar vormen zijn lange tijd onderwerp van debat geweest, en zijn dat nog steeds. Nadat allerlei varianten voorgesteld waren, werd de superfamilie opgeheven ten gunste van de ene familie Muridae door de genoemde Carleton en Musser, in 1984, omdat ze geen duidelijke verwantschappen tussen de onderfamilies konden vinden, en dus ook geen groepen die tot families samen te voegen zouden zijn.

Deze classificatie werd min of meer gevolgd, tot DNA-sequentie gegevens in het begin van de 21e eeuw een nieuwe indeling mogelijk maakten met zes families. De grootste daarvan is de Muridae, die de onderfamilies Murinae, Deomyinae, Leimacomyinae, Gerbillinae (gerbils), Otomyinae en volgens latere gegevens de Lophiomyinae omvat. Binnen deze groep zijn de gerbils de waarschijnlijkste verwanten van de Murinae.

De verwantschappen van de Murinae [volgens wie?] zijn als volgt weer te geven:

Onderverdeling Deze zelfde DNA-sequentie gegevens maakten ook een herziening van de verwantschappen binnen de onderfamilie mogelijk, ook sinds lang een omstreden zaak.

Een van de eerste pogingen om die verwantschappen te ontravelen was die van de Amerikaan George Herbert Hamilton Tate, die in 1936 de Murinae verdeelde in geslachten met, respectievelijk, simpele, complexe en bassinvormige kiezen (overeenkomend met de Murinae, Phloeomyinae en Hydromyinae van Simpson).

In zijn beroemde classificatie van de knaagdieren uit 1941 plaatste de Brit John Ellerman Anisomys in een aparte groep ("Anisomyes") tegenover de overige Murinae ("Mures"; daarnaast erkende hij de Rhynchomyinae en Hydromyinae).

Een volgende invloedrijke classificatie was die van Misonne uit 1969, die zich ook voornamelijk op de morfologie van de tanden baseerde. Misonne deelde de Murinae in vier "divisies" in: de Lenothrix-Parapodemus-divisie met een aantal primitieve geslachten, de Arvicanthis-divisie met vele Afrikaanse en Indiase vormen, de Rattus-divisie, die vooral veel Aziatische en Australaziatische geslachten omvatte, en een vierde divisie voor de vormen met bassinvormige kiezen, waarin hij naast de Hydromyinae ook de Rhynchomyinae, Echiothrix, Macruromys en Crunomys plaatste.

Sindsdien is nog een aantal minder significante classificaties gepubliceerd, die hier niet verder worden besproken. In de derde editie van het standaardwerk Mammal Species of the World (2005) plaatsten de al eerder genoemde Musser en Carleton de leden van hun Murinae in 29 divisies (voor deze benaming grepen ze bewust terug op Misonne), gebaseerd op gepubliceerde DNA-sequenties en morfologische informatie en op hun eigen onderzoek. Deze divisies worden hieronder met hun leden besproken.

Aethomys-divisie Deze divisie omvat de geslachten Aethomys en Micaelamys en bestaat daarmee in totaal uit twee geslachten en elf soorten. Aethomys omvat negen soorten, die in centraal en zuidelijk Afrika voorkomen, noordelijk tot het noorden van Nigeria en het zuiden van Tsjaad, Micaelamys omvat twee soorten, die tot zuidelijk Afrika beperkt zijn. Voor 2005 werd Micaelamys tot Aethomys gerekend, maar DNA-sequentie onderzoek geeft aan dat de twee geslachten niet elkaars nauwste verwanten zijn. Musser en Carleton geven dan ook toe dat deze divisie waarschijnlijk geen monofyletische groepering is.

Apodemus-divisie thumb|Geelhalsbosmuis (Apodemus flavicollis). Deze divisie omvat de geslachten Apodemus, Rhagamys en Tokudaia (drie geslachten en in totaal 25 soorten). Apodemus, dat de bosmuizen van Eurazië samenvat, heeft een grote verspreiding van West-Europa tot Oost-Azië en is verdeeld in 21 levende en verscheidene uitgestorven soorten. De twee overige geslachten hebben een beperkte verspreiding. Rhagamys omvat een enkele uitgestorven soort, R. orthodon, die tot het einde van het eerste millennium voor Christus op Corsica en Sardinië voorkwam. Tokudaia bestaat uit drie soorten, die op verschillende eilanden in de Riukiu-eilanden (Japan) voorkomen. Fossielen als Parapodemus, Rhagapodemus en Sinapodemus worden als verwanten van deze divisie beschouwd.

Arvicanthis-divisie thumb|Gestreepte grasmuis (Lemniscomys striatus). Deze grote Afrikaanse divisie omvat de geslachten Arvicanthis, Desmomys, Lemniscomys, Mylomys, Pelomys en Rhabdomys (in totaal zes geslachten en 27 soorten). Arvicanthis omvat zeven soorten, die in de graslanden van vrijwel geheel Afrika voorkomen, net als de elf soorten van Lemniscomys. Desmomys, met twee soorten, is in verspreiding beperkt tot Ethiopië. Mylomys omvat eveneens twee soorten; die zijn respectievelijk beperkt tot Ethiopië en tot het midden van Afrika van Guinee tot Zuid-Soedan. De vijf soorten van Pelomys komen verspreid in Centraal-Afrika voor, de twee van Rhabdomys in verschillende habitats in zuidelijk Afrika. De leden van deze divisie zijn overwegend herbivoor. Van soorten van het geslacht Lemniscomys is bekend dat deze periodiek hun dieet aanvullen met insecten.

De Arvicanthis-divisie vormt de kern van een grotere groep voornamelijk Afrikaanse geslachten die volgens DNA-sequentie onderzoeken aan elkaar verwant zijn. Deze groep omvat ook de Aethomys-, Dasymys-, Golunda-, Hybomys- en Oenomys-divisies en is al eens de "Arvicanthini" gedoopt. Deze "Arvicanthini" zou het nauwste verwant zijn aan de Otomyinae.Ducroz et al., 2001

Chrotomys-divisie thumb|Chrotomys silaceus (boven) en Rhynchomys soricoides (onder). Deze Filipijnse divisie omvat de vier geslachten Apomys, Archboldomys, Chrotomys en Rhynchomys, die samen 21 beschreven soorten omvatten. De vier soorten van Rhynchomys en drie van Archboldomys zijn alle beperkt tot geïsoleerde bergen of gebergtes op het eiland Luzon. Chrotomys is behalve op Luzon ook op Mindoro en Sibuyan gevonden en heeft in totaal vijf soorten. Apomys omvat negen beschreven soorten die in het grootste deel van de Filipijnen gevonden worden, maar daarnaast ook een groot aantal soorten dat nog geen wetenschappelijke naam heeft.