thumb|De Konstantinplatz bij avond in 2018 thumb|De basilica bij avond vanaf een heuvel De Basilica van Constantijn (Duits: Konstantinbasilika; Latijnse naam: Aula Palatina) is een Romeinse basilica in de Duitse stad Trier. Het uit Romeinse baksteen opgetrokken bouwwerk kwam waarschijnlijk omstreeks 310 tot stand, tijdens de regeringsperiode van keizer Constantijn de Grote. Aanvankelijk deed het dienst als ontvangstzaal (aula) van het keizerlijk paleis; later werd het een versterkte Frankische burcht, daarna werd het onderdeel van het paleis van de aartsbisschoppen van Trier. In de 19e eeuw werd het gehavende gebouw hersteld en in gebruik genomen als kerkgebouw van de Evangelisch-Lutherse gemeente. Na de Tweede Wereldoorlog werd de bij een bombardement zwaar beschadigde basilica gerestaureerd.

De Basilica van Constantijn geldt als de grootste intact gebleven overdekte ruimte uit heel de Romeinse oudheid, groter dan het Pantheon in Rome. Hoewel van oorsprong geen kerkgebouw, is de basilica het oudste gebouw in Duitsland dat in gebruik is als kerk. Naast het liturgisch gebruik is het gebouw een toeristische trekpleister. Sinds 1986 is de basilica onderdeel van het UNESCO werelderfgoedensemble 'Romeinse bouwwerken, Dom en Onze-Lieve-Vrouwekerk in Trier'.

Ligging De Basilica van Constantijn ligt in het midden van een 700 meter lang rivierlaagterras, dat zich van de Dom en Onze-Lieve-Vrouwekerk tot de Keizerthermen uitstrekt, aan de oostelijke rand van de binnenstad van Trier. Ten westen van de basilica ligt de Konstantinplatz. In het oosten sluit het Keurvorstelijk Paleis aan, de residentie van de keurvorsten van Keur-Trier. Ten zuiden van de basilica ligt de paleistuin. Ten noorden ervan ligt het domein van het voormalige Niederschloss, de huidige Willy-Brandt-Platz.

De basilica is in de binnenstad duidelijk bewegwijzerd. Meerdere buslijnen stoppen aan de Konstantinplatz. Zuidelijk van het Keurvorstelijk Paleis ligt een ondergrondse parkeergarage, Basilika geheten.

Geschiedenis Inleiding thumb|Plattegrond van de basilica met diverse voorlopers en aanbouwen van het Keurvorstelijk Paleis De basilica is gebouwd als troonzaal van het paleis van Constantijn de Grote (306-337) in Trier, destijds de hoofdstad van het West-Romeinse Rijk. Met de grootte van het bouwwerk benadrukten de Romeinen de grootsheid en macht van de keizer.

Alle pracht en technologie van de Romeinen werd in 475, bij de val van het Romeinse Rijk, door Frankische troepen vernield. De Franken gebruikten de ruïne als versterkte burcht. Later werd de basilica door aartsbisschop Johannes I (1189-1212) omgebouwd tot bestuurlijk centrum van het aartsbisdom Trier.

Tijdens de bezetting door de Fransen (1794-1814) deed de basilica dienst als kazerne, een functie die het gebouw behield in de Pruisische tijd. Rond het midden van de 19e eeuw werd de basilica ingericht als eerste Evangelisch-Lutherse kerk in het overwegend Rooms-katholieke Trier.

In 1944 raakte het gebouw zwaar beschadigd tijdens een bombardement, maar in 1956 werd het herstelde gebouw opnieuw als kerk in gebruik genomen. Vanaf 1986 behoort het tot het werelderfgoed.

Klassieke oudheid Bouwgeschiedenis In de 2e eeuw na Chr. was in het noordoosten van Romeins Trier door samenvoeging van vier insulae, een representatief bestuursdomein ontstaan, waarvan de kern een centrale hal vormde, die als residentie van de legaten gebruikt werd.

thumb|Het keizerlijk paleis met de basilica op een maquette van Romeins Trier. Rechts het latere Domcomplex thumb|Maquette van de Aula Palatina met voorhal in het Rheinisches Landesmuseum Trier De basilica werd vermoedelijk onder Keizer Constantijn in de jaren 305-311 als representatief gebouw (Palastaula) opgericht. Door de sloop van een woonwijk werd ruimte voor de monumentale Keizerthermen geschapen. Op de fundamenten van de vroegere residentie van de legaten werd de huidige basilica gebouwd, die met omliggende voorhoven en bijgebouwen de nieuwe keizerlijke residentie vormde. Voor de bouw, die over een wegkruising reikte, waren planologische ingrepen noodzakelijk.

De bouwactiviteit liep echter tijdens het leven van Constantijn al vast. Waarschijnlijk werd het project pas onder Gratianus omstreeks 379 volledig afgerond. De basilica, de keizerlijke thermen en het amfitheater vormden een eenheid als paleisdistrict. Daarmee richtten de ontwerpers zich bewust op het voorbeeld van het Oude Rome met de Circus Maximus en de Palatijn, of elders in Rome de Circus Neronis en de villa van Maxentius aan de Via Appia, of in Thessaloniki het gebied rondom de residentie van Galerius.

Gebruik als paleisaula Hoewel de naam en het aanzien van de Basilica van Constantijn op een antiek kerkgebouw lijken te wijzen, was het bouwwerk oorspronkelijk geen kerk. Het functioneerde als ontvangstzaal van het keizerlijke hof, waarbij vermoed wordt dat de keizertroon in de apsis stond. De eveneens veelvuldig gebruikte naam 'paleisaula' (Aula Palatina of Palastaula) dekt de lading beter, maar valt historisch niet te bewijzen. Het monumentale gebouw mat 69,8 × 27,2 m, bij een hoogte in de klassieke oudheid van ongeveer 30 m. De buitenkant was helemaal bepleisterd en was omgeven door een zuilenarcade, die 7 meter hoog en 3,5 meter breed was. Aan de zuidzijde bevond zich een met marmer bekleedde voorhal en enkele portico's. De resten van deze gebouwen zijn ondergronds geconserveerd en bovengronds in het plaveisel gemarkeerd.

Het interieur was gedecoreerd met mozaïeken, kleurrijk marmer en beelden. De vloer- en muurbekleding van marmerplaten (opus incertum) reikte tot de bovenste vensterlijsten. Hierop duiden enkele restanten en vooral de gaten van de ijzeren bevestigingspinnen. Daarboven bevond zich stucwerk tot aan het plafond. Het vrijdragend plafond (zonder zuilen) was een staaltje van bouwtechnisch kunnen. Om het geheel nog aangenamer te maken, werd de aula voorzien van een vloerverwarmingssysteem, waarbij de 1600 m² grote binnenruimte door middel van een driedelig hypocaustum met vijf praefurnia (ovens) verwarmbaar was.

Middeleeuwen Einde van de paleisaula Met het vertrek van het keizerlijke hof aan het einde van de 4e eeuw, verloor het gebouw zijn oorspronkelijke betekenis. Na het einde van de Romeinse heerschappij viel het uitgebrande gebouw als koningsgoed toe aan de Frankische koningen.

Wanneer het dak van het Romeinse bouwwerk verloren ging, is moeilijk te zeggen. Misschien gebeurde dat bij een van de Germaanse overvallen tussen 407 en 455, waarbij de laat-antieke stad weliswaar niet volledig werd vernield, maar wel geplunderd en gebrandschat. Het dak kan echter ook door slecht onderhoud ingestort zijn. Binnen het Frankische rijk kwam Trier vanaf 480 in het machtsgebied van Clovis I (484–511) te liggen.

De basilica als Frankische palts Het als palts (palatium) aangeduide complex werd daarna zetel van de Frankische gouwgraven. In de bijgebouwen zetelde het Frankische bestuur. Bij de Franken ontbraken de politieke wil en waarschijnlijk ook de technische mogelijkheden om het dak te herstellen. De muren van de basilica bleven echter nagenoeg volledig behouden. Wegens de dikte van de muren werd het voormalige paleis in deze onrustige tijden omgebouwd tot vesting. De Romeinse vensters werden dichtgemetseld en binnen de muren werden kleinere gebouwen opgericht. Deze leunden tegen de buitenmuren aan en lagen rondom een binnenplein. De apsis was een woontoren. Op de tegenoverliggende hoeken werden versterkte torentjes opgericht. De muren waren in deze tijd van kantelen voorzien. De enige toegang was een kleine poort aan de westzijde. In de 8e eeuw werd voor het eerst van een tot het palatium behorende Sint-Laurentiuskerk gewag gemaakt. Deze stond iets ten westen van de noordwestelijke hoektoren, bleef eeuwenlang als parochiekerk in gebruik, maar werd in 1803 afgebroken.

Machtswisselingen De tijd tot einde 14e eeuw werd bepaald door de rivaliteit tussen de gouwgrafen en de naast de dom residerende bisschop. In het jaar 902 schonk de Frankische koning Lodewijk IV het Kind aan de Trierse aartsbisschop Radbod van Trier belangrijke soevereine rechten en de verovering van de koninklijke vesting. Daarmee kwamen de stad Trier - en later in die eeuw - de palts in het bezit van de aartsbisschop, die echter zijn residentie nog elders had.

thumb|Gravure uit 1648 (naar afbeelding van 1548/50) met de basilica als versterkte burcht De palts voldeed als vesting, als de Trierse tegenbisschop Adalbero van Luxemburg van keizer Hendrik II belegerd werd. De reden was, dat Hendrik ook de door het Trierse Domkapittel tot bisschop verkozen proost Megingaud van Mainz trachtte te benoemen. Hendrik II nam in de zomer van 1008 de stad Trier in, maar kon de in de palts ingesloten tegenstanders, ook na een door de keizer persoonlijk geleide, zestien weken durende belegering, niet tot overgave dwingen.

Het is aan te nemen dat de met de bekende Trierse burggravenfamilie De Ponte verwante, en met het het toezicht op de palts belaste ministerialenfamilie De Palatio een woontoren in de palts had ingericht, maar er zijn geen bouwkundige sporen daarvan aangetroffen. Een verblijf van aartsbisschop Engelbert van Rothenburg in de palts in 1096, toen vervolgde Joden daar beschutting moesten zoeken, wordt wel bevestigd.

De strijd tussen de bisschoppen en de voogden en ministerialen zette zich voort tot het midden van de 13e eeuw. Het was Adalbero van Montreuil (1131–52) die de macht van de ministerialen wist te breken, waardoor hij het Romeinse Palatiolum - tegenwoordig in Trier-Pfalzel - tot een vesting kon uitbouwen, waar alle inkomsten van het aartsbisdom naar toe gebracht moesten worden. Aartsbisschop Johannes I bewerkstelligde in het jaar 1197 de overdracht van de voogdij van paltsgraaf Hendrik aan de aartsbisschop. De bisschop was nu voor alle inwoners van zijn gebied de hoogste gerechtsheer, waarna hij allengs de alleenheerschappij wist te verwerven. Sinds Johannes I resideerden de aartsbisschoppen in de basilica (Basilika-Bering).

De eerste schriftelijke vermelding van de basilica bevindt zich in de kroniek van Otto van Freising uit het midden van de 12e eeuw.Es wird dort ein Palast von wunderbarer Bauweise gezeigt, der nach Art der Mauer von Babylon aus Backsteinen geschaffen ist und noch heute eine solche Stärke behalten hat, daß er nicht nur keinen Feind fürchtet, sondern auch durch keine Machenschaft zerbrochen werden kann. Vertaling: "Er wordt daar een paleis met een wonderbaarlijke bouwwijze getoond, dat naar het voorbeeld van de muren van Babylon, uit bakstenen geschapen is en nog vandaag een zulke sterkte behouden heeft, dat het niet alleen geen vijand vreest, maar ook door geen intrige doorbroken kan worden." Bron onbekend. De oudste afbeelding van de basilica bevindt zich op het paleiszegel. Op het zegel van een oorkonde over de verpachting van een molen uit het jaar 1261, wordt het van de zijkant afgebeeld. Of dit de oost- of westgevel betreft, laat zich niet meer vaststellen. Op een ander behouden paleiszegel op oorkonden uit de jaren 1315 en 1323 ziet men tegenwoordig niet meer zichtbare elementen: Romeins balkmetselwerk en een spitsbogig portaal.

Nieuwe Tijd: bisschoppelijke residentie thumb|De bisschopssresidentie rond 1610 (uit: Luciliburgensia Romana van Alexander Wiltheim thumb|Aquarel van het 'bovenslot' en het 'onderslot' (links) vóór de bouw van de Rococovleugel rond 1745-50 De middeleeuwse bouwtoestand van het Palatium heeft tot ongeveer 1600 stand gehouden, omdat de aartsbisschoppen van Trier in deze periode meestal de voorkeur gaven aan hun nevenresidentie in Koblenz. Toch werd de palts voor representatieve doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld tijdens de rijksdag van 1473 met keizer keizer Frederik III en Karel de Stoute.