miniatuur|François Valentijn in 1704. François Valentijn (Dordrecht, 17 april 1666 – Den Haag, 6 augustus 1727) was een Nederlandse predikant die tweemaal is uitgezonden naar "de Oost". Eenmaal terug schreef hij Oud en Nieuw Oost-Indiën, een naar omvang en perspectief nooit weer bereikte beschrijving van Azië; hij was een goed verteller en opmerkelijk breed en precies. Zijn gegevens haalde hij (in een tijd waarin de Oostindische Compagnie nog alles geheim hield) uit alle mondelinge en schriftelijke bronnen die hij maar te pakken kon krijgen.uitgeverijvanwijnen.nl Valentijn verheerlijkte de Nederlandse macht en het imperium in Azië. Hij was een nationalist. Zoals hij schreef in het voorwoord van zijn boek was het zijn overkoepelend doel om door het beschrijven van de Nederlandse ‘mogentheyd’ in Azië de vooruitgang sinds vroeger tijden te laten zien en dat de Nederlanders de voortvarendheid van hun Bataafse voorouders nog niet hadden verloren. Hij heeft de naam een nogal zelfingenomen en ijdel historicus te zijn. Vooral de wisselwerking tussen Europeanen en Aziaten wordt in zijn werk zichtbaar.
Leven
Eerste periode op Ambon Zijn vader was conrector van de Latijnse school. Valentijn studeerde theologie en filosofie aan de Universiteiten van Leiden en Utrecht en werd al in 1684 aangenomen door de VOC. Op 13 mei 1685 vertrok hij naar Batavia, en kwam daar op 30 december aan. Onderweg maakte hij in de Kaapkolonie kennis met de gouverneur Simon van der Stel; in Batavia met de gouverneur-generaal van de VOC Johannes Camphuys. Hij kwam daar tijdelijk naast Cornelis van Outhoorn te wonen en bespeelde het orgel, in het bezit van hem of van zijn broer, Willem van Outhoorn.Ron Habiboe (2004): Tot verheffing van mijne natie. Het leven en werk van François Valentijn (1666-1727), p. 29. Eind januari werd hij door de Raad van Indië aangesteld als predikant op Ambon, in Kasteel Victoria. Vanaf 30 april 1686 tot 7 mei 1694 woonde hij op Ambon. Hij was daar bevriend met Georg Rumphius. Hij leerde snel Maleis en ving aan de Bijbel in het Maleis te vertalen. Van augustus 1687 tot mei 1688 werd hij tegen zijn zin op de Banda-eilanden gestationeerd.
In 1692 trouwde hij met Cornelia Snaats, de weduwe van Hendrik Leydekker, een welgestelde koopman en vrijburger op Ambon, die daar ook lid van de Raad van Justitie was geweest. Zij had met hem al vier kinderen, twee zoons en twee dochters, en kreeg er met Valentijn nog twee: de in 1694 op Ambon geboren Maria en de in april 1701 in Dordrecht geboren Cornelia. Zijn vrouw hielp hem met transcripties en vertalingen tussen Maleis, Nederlands en Jawi (Maleis in Arabisch schrift), en later deden zijn dochters dat ook. Valentijn wilde de bijbel vertalen in het Maleis dat op Ambon werd gesproken ('Laag Maleits'), maar zijn collega’s en de Raad van Indië waren het daar niet mee eens. In Batavia werd al gewerkt aan een vertaling in het literair Maleis ('Hoog Maleits') door de predikant Melchior Leydekker (geen familie van Hendrik).
Dordrecht Begin december 1694 keerde hij met vrouw en (stief)kinderen met de retourvloot terug naar Nederland, waar hij op 24 augustus aankwam en zich weer in Dordrecht vestigde. Daar zocht hij steun voor zijn Maleise Bijbelvertaling en publiceerde in 1698 een pamflet van 120 pagina's opgedragen aan de Heren XVII: Deure der waarhyd voor ’t ooge der christen-wereld geopend, waar door klaar te sien is, wat tale voor alle Malytse christenen in Oost-Indien van gebruik, en alleen van dienst zy, om de argumenten van de kerkenraad in Batavia te weerleggen. Ook ging hij een contract aan met zijn vriend en uitgever Joannes van Braam voor een beschrijving van Ambon. Die zou later de kern vormen van Oud en Nieuw-Oostindiën.
Tweede periode op Ambon miniatuur|360x360px|Ambon ca. 1700. Op 10 mei 1705 vertrok hij op het schip ‘t Hof van Ilpendam met negen familieleden opnieuw naar Java, onder andere om zijn Bijbelvertaling te bepleiten. Hij had een contract voor tien jaar. Na aankomst in Batavia op 27 december werd hij door de Raad van Indië eerst aangesteld als aalmoezenier van een legermacht die in actie moest komen bij Surabaya in de Eerste Javaanse Successieoorlog. Als hij weigerde zou hij teruggestuurd worden naar Nederland. Volgens Valentijn was zijn behandeling te wijten aan directeur-generaal Abraham van Riebeeck, die verantwoordelijk was voor de plaatsing van personeel, en een zwager was van Melchior Leydekker.Leydekker was getrouwd met Antonia van Riebeeck, een zus van Abraham, wiens zoon Johan weer getrouwd was met een nicht van Leydekker. Valentijn protesteerde dat hij door de Heren XVII op Ambon was aangesteld maar Van Riebeeck trok zich daar niets van aan. Op 22 juni 1706 vertrok Valentijn met het leger naar Oost-Java. Hij leed zware ontberingen tijdens de veldtocht. Hij schreef later: '...werd men in een leger ziek, dan is de elende, zelfs voor de eersten in rang, niet uit te drukken, dat ik aan my zelven bevonden heb...Zoo dat het een hond in Soerabaja beter had, als ik hier in de tent van den Veld-Heer'. Hij moest in november met koorts en dysenterie vervroegd terugkeren naar Batavia. Eenmaal hersteld vertrok hij op 17 februari 1707 met zijn familie alsnog naar Ambon.thumb|François Valentijn in 1724.|363x363px
Op Ambon was Rumphius in 1702 gestorven. Valentijns oudste stiefzoon Gerard Leydekker trouwde met de weduwe van Paulus Rumphius, een zoon van Georg, en zijn tweede stiefzoon Bartholomeus trouwde met de dochter van die weduwe. Zo kreeg hij nog meer toegang tot Rumphius' manuscripten. Gouverneur van Ambon was inmiddels Adriaan van der Stel, de tweede zoon van Simon van der Stel, maar hij kreeg ruzie met hem over de invulling van kerkelijke vacatures. Hij schreef boze brieven naar Batavia over de scheiding van kerk en staat en over zijn Bijbelvertaling die maar niet werd goedgekeurd. Hij werd steeds ontevredener, en ondanks dat zijn contract nog niet was afgelopen wilde hij repatriëren. Vervolgens werd hij naar Batavia opgeroepen en verscheen daar begin juni 1712 voor de Raad van Indië. Van Riebeeck was intussen gouverneur-generaal en was niet positiever over hem gaan denken. Zijn zaak werd in oktober aanhangig gemaakt bij de Raad van Justitie en hij werd onder dreiging van ontslag overgeplaatst naar Ternate in de Noord-Molukken. Dat weigerde hij. Ternate stond vanwege het klimaat bekend als een zware post, en omdat hij niet kon zwemmen zag hij op tegen de vele bootreizen die hij tussen de eilanden zou moeten maken, zoals hij op Banda had moeten doen. Op 16 mei 1713 werd hij echter vrijgesproken door de Raad van Justitie, op voorwaarde dat hij onder ede verklaarde dat hij in zijn 'duijster schrijven' vanuit Ambon niet had gedoeld op bestuurlijke misstanden maar slechts op kerkelijke. Toen in november ook nog Van Riebeeck overleed mocht hij vervroegd terugkeren naar Nederland. Op 25 november 1713 vertrok hij met zijn vrouw en twee dochters op het schip Engewormer van de retourvloot. In Kaapstad bleef de vloot begin 1714 tweeënhalve maand liggen. Hij was er verontrust door het feit dat de Hervormde gemeente daar maar erg klein was, geen leden van het gouvernement telde en maar weinig leden van de burgerij.Religions of South Africa, Routledge Revivals , Routledge, 2014, , Op 4 augustus was hij terug in Nederland.
Dordrecht miniatuur|376x376px|Wolwevershaven 21. In Dordrecht kocht hij een groot huis aan de Wolwevershaven 21 met uitzicht op de Merwede. Hij liet het huis renoveren en op de gevel twee zeemeerminnen plaatsen. Hij was vast overtuigd van het bestaan van 'zee-menschen', waarvan hij waarnemingen verzamelde. Het huis staat tegenwoordig bekend als Huis de Meerminnen. Hier werkte hij verder aan zijn boek, geassisteerd door zijn vrouw en dochters. Hij richtte er ook een zogeheten Neptunus-kabinet in met 'zee-rariteyten': een grote verzameling schelpen, zeegewassen, mineralen en tekeningen van tropische vissen. De tekeningen waren op Ambon gemaakt door de ex-soldaat en ex-ziekentrooster Samuel Fallours, of later door anderen op basis van diens schetsen. Valentijn en andere oud Indiëgangers kwamen iedere maand bijeen om elkaars collecties te bestuderen en exemplaren te ruilen. In 1717 stierf zijn vrouw. In maart 1722 besloten de Heren XVII tot zijn grote teleurstelling dat de bijbel niet in de Ambonese spreektaal maar in het literair Maleis op kosten van de Compagnie gedrukt zou worden.
Op basis van de kennis die hij tijdens de reizen van en naar Indië, tijdens zijn verblijf in Indië en nadien heeft opgedaan, heeft hij zijn magnum opus geschreven: Oud en Nieuw Oost-Indiën. Hij gebruikte daarbij de publicaties van de chirurgen Willem Schouten en Nicolaas de Graaff, onuitgegeven documenten van de Compagnie en manuscripten van Rumphius. Veel informatie over de Kaap de Goede Hoop kreeg hij van Willem Adriaan van der Stel. Voor informatie over Ceylon sprak hij met de ex-gouverneurs Cornelis Jan Simonsz en Rijcklof van Goens de Jonge, en voor informatie over de Molukken met Robertus Padtbrugge. Ook maakte hij gebruik van de boeken van Daniël Havart (1693) en Philippus Baldaeus (1672) voor de beschrijvingen van de Coromandelkust en Ceylon. In 1692 was ook van het boek van Robert Knox over Ceylon een Nederlandse vertaling beschikbaar gekomen. In 1724 werden de eerste twee delen van Oud en Nieuw-Oostindiën gepubliceerd, en in 1726 de overige drie, in een editie van tussen de 800 en 870 exemplaren. Valentijn verhuisde dat jaar naar Den Haag. Daar stierf hij op 6 augustus 1727, en werd op 12 augustus in Dordrecht begraven. Zijn uitgebreide bibliotheek werd geveild in februari 1728. Alle originele documenten die hij had verzameld voor Oud en Nieuw-Oostindiën, en ook zijn Maleise Bijbelvertaling waren geen onderdeel van de veiling en zijn sindsdien verdwenen.
Oud en Nieuw Oost-Indiën thumb|397x397px Het werkOud en nieuw Oost-Indiën, vervattende een naaukeurige en uitvoerige verhandelinge van Nederlands mogentheyd in die gewesten, benevens eene wydlustige beschryvinge der Moluccos, Amboina, Banda, Timor, en Solor, Java, en alle de eylanden onder dezelve landbestieringen behoorende: het Nederlands comptoir op Suratte, en de levens der groote Mogols; als ook een keurlyke verhandeling van 't wezentlykste, dat men behoort te weten van Choromandel, Pegu, Arracan, Bengale, Mocha, Persien, Malacca, Sumatra, Ceylon, Malabar, Celebes of Macassar, China, Japan, Tayouan of Formosa, Tonkin, Cambodia, Siam, Borneo, Bali, Kaap der Goede Hoop en van Mauritius, , Joannes van Braam, 1726 bestaat uit vijf delen in acht banden bijeengebracht, 5144 bladzijden en 1050 illustraties, en geeft een gedetailleerd overzicht van de geschiedenis van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Valentijn schreef over alle gebieden waar de Nederlanders handel dreven, maar eilanden en kusten staan op de voorgrond. Het bevat vele geografische, historische, juridische, politieke en botanische beschrijvingen. Daarnaast geeft het werk een beeld van hoe iemand in de vroege 18e eeuw tegen andere culturen aankeek. Zo toont hij in het hoofdstuk Van de Amboineesen het inzicht dat bepaalde primitieve gewoonten en ideeën, zoals koppensnellen en onzinnige ontstaansmythes, niet het gevolg zijn van beperkt verstand, zoals in het verleden wel eens gedacht werd, maar van een achterstand in kennis en ontwikkeling. Om dat aan te tonen maakte hij een lijst van vergelijkbare ideeën van de Grieken en de Romeinen, aan wier verstand toch niet getwijfeld kon worden. De Ambonezen konden door contact met de Europese beschaving gemakkelijk op hetzelfde niveau komen. Hiermee liep hij in feite vooruit op de koloniale beschavingsmissie van latere tijden.'Alles, dat wy hier hebben aangehaalt, dient alleen om te toonen, dat zulke onnoosele gedagten zelf ook by de verstandigste volkeren der aarde in de eerste tyden, zoo wel als by de Amboineesen, geweest zyn.’