Benedictus à Sancto Josepho, (geboren Josephus Henricus Buns) ook Buns Gelriensis (Geldern,Geldern behoorde in die tijd tot het Kwartier Roermond dat behoorde tot de Spaanse Nederlanden en er werd tot 1870 Nederlands gesproken. circa 19 maart 1643 – Boxmeer, 6 december 1716) was een geestelijke, componist en organist.
Leven In 1659 trad Josephus Henricus Buns in de Karmelietenorde in Geldern en nam hij de naam Benedictus à Sancto Josepho aan. In 1660 legde hij daar zijn kloostergeloften af. Na zijn noviciaat vertrok hij voor verdere theologische opleiding naar Antwerpen. Zes jaar na zijn eerste intrede ontving hij in 1666 zijn priesterwijding.
Tussen 1666 en 1671 is hij onder zijn kloosternaam Benedictus à Sancto Josepho naar het in 1653 opgerichte Karmelietenklooster in Boxmeer gekomen. In de periodes 1671-1674, 1677-1683, 1692-1701, 1704-1707 was hij daar subprior. Van 1679 tot aan het eind van zijn leven was hij ook 'titularis' en organist van het klooster en Benedictus à Sancto Josepho had de beschikking over het orgel dat de Mechelse orgelmaker Blasius Bremser in 1677 in de Petruskerk had geplaatst. Dat het klooster nauwe banden had met de heren van Boxmeer, blijkt uit het feit dat hij zich op de titelbladzijde van zijn opus IX uit 1699 Aulae Bergis phonascus et organista ofwel 'zangmeester' en organist noemde van Oswald III van den Bergh in Boxmeer en van de familie van den Bergh in 's-Heerenberg. Boxmeer was in de zeventiende eeuw een katholieke enclave in het door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestuurde deel van het oude hertogdom Brabant. Benedictus à Sancto Josepho beschouwt zich als de "huiscomponist" van de familie van den Bergh. Met Oswald III en zijn gemalin Maria Leopoldina onderhield Benedictus à Sancto Josepho vriendschappelijke betrekkingen, wat ook op te maken is uit een bewaarde brief uit 1688. Oswald III was de zoon van Albert van den Bergh, de stichter van het Boxmeerse klooster.
Benedictus à Sancto Josepho kreeg ook naam als orgelexpert en orgeladviseur. thumb|Het orgel in de Basiliek van Boxmeer dat Benedictus à Sancto Josepho bespeelde. In 1688 was Benedictus à Sancto Josepho betrokken bij de voltooiing en de uitbreiding van het Bremser-orgel in Boxmeer door Jan van Dijck. In 1703 keurde Benedictus à Sancto Josepho het Ruprecht(II)-orgel, dat gebouwd was voor de kapel van het Karmelietessenklooster Elsendael in Boxmeer en hij deed hetzelfde in 1706 met het nieuwe orgel dat Conrad Ruprecht II leverde via zijn bemiddeling aan het klooster in Geldern.
Benedictus à Sancto Josepho overleed op 6 december 1716 en werd opgevolgd door Cecilius à Sancto Gerardo. Als organist was Benedictus à Sancto Josepho in Boxmeer zelf de opvolger geweest van Hubertus à Sancto Joanne Vlaminck (1633-1679), die daar organist was van 1668 tot 1679.
Postuum, vijf jaar na zijn overlijden, verscheen het door hem samengestelde Manuale Chori, een bundeling van de muziek die een monnik/kloosterling in het koor nodig had.
Tijdsbeeld waarin Benedictus à Sancto Josepho leefde en werkte Benedictus à Sancto Josepho leefde en werkte in een tijd dat de baronie Boxmeer als vrije heerlijkheid een vrije enclave was in de calvinistische Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze heerlijkheid was een autonoom gebied dat van de Reformatie niets te duchten had. Het was sinds 1506 en tot aan de Franse bezetting in 1797 in bezit van de graven van Bergh. Sinds de Vrede van Münster in 1648 waren de katholieken in een groot deel van Brabant gedwongen hun kerken aan de nieuwe godsdienst af te staan. In Boxmeer echter kon de katholieke godsdienst in alle vrijheid beleden worden en ook de erdoor geïnspireerde kunstnijverheid nam in de heerlijkheid een grote vlucht. Het waren mede de katholieke graven van Bergh die hun stamslot in 's-Heerenberg hadden, die de culturele bloeitijd in Boxmeer stimuleerden. Daarnaast bezaten enkele welvarende families, zoals Van Odenhoven, De Raet en Hengst in Boxmeer landgoederen zoals Het Leucker, de Weijer en Elsendock. Zij brachten tevens werkgelegenheid van administratieve aard in Boxmeer.
Op instigatie en verzoek van graaf Albert van den Berghzie Lijst van Heren en vrouwen van Boxmeer werden de Vlaamse karmelieten verzocht een klooster in Boxmeer te stichten. Boxmeer behoorde toentertijd tot het bisdom Roermond, dat per 14 augustus 1653 toestemming verleende tot het stichten van een Karmelklooster in Boxmeer. Oorkondes uit eind 1652 bezegelden een gedane schenking aan de Vlaamse Karmel en de Geldernse Karmel door graaf Albert van den Bergh van twee morgen grond gelegen aan de hoofdstraat naast en ten zuiden van de bestaande parochiekerk in Boxmeer. Boxmeer gold als bolwerk tegen de oprukkende Reformatie.
Benedictus à Sanco Josepho's - voornamelijk geestelijke - muziek kon in Boxmeer ongehinderd gedijen. Bovendien wist hij zich verzekerd van de steun van de graven van den Bergh. In opdracht van Madeleine de Cusance, de weduwe van graaf Albert en in opdracht van diens zoon Oswald III van den Bergh componeerde Benedictus à Sancto Josepho. Ondanks hun steun en zijn reizen naar Brussel, Antwerpen en Mechelen raakte zijn muziek niet wijdverbreid. Zijn muzikale kwaliteiten werden door vooral en voornamelijk Antwerpse en Brusselse muziekdrukkers wel (h)erkend en zijn muziek gepubliceerd. Zijn opus VIII - geheel bestaande uit 13 sonates - werd overigens in Amsterdam gedrukt. De invloed van het calvinistische Den Haag maakte dat de geestelijke muziek van Benedictus à Sancto Josepho nauwelijks aan bod kwam in de Republiek, alhoewel hij wel in Den Haag musiceerde.
Dat Benedictus à Sancto Josepho niet in de beslotenheid van het klooster bleef, blijkt onder meer uit de reizen die hij maakte. De karmelieten maakten zich sinds de kloosterhervorming van Touraine in 1604 sterk voor de integratie van kunst en onderwijs in het klooster, dus ook voor de muziek van Benedictus à Sancto Josepho. In die zin en als exponent daarvan stond de Latijnse school in Boxmeer – geopend in 1658 - mede borg voor 'artes liberales usque ad rhetoricam'. Deze Latijnse school vormde ook een tegenwicht tegen de gereformeerde colleges in de Republiek. De graven Van den Bergh zagen deze school als een wetenschappelijk centrum en een cultureel bolwerk. De karmelieten dienden wel rekening te houden met de 'jurisdictiones, praeeminentias et immunitates' (rechtsmacht, voorrang en onschendbaarheid) van de graven van den Bergh.
Werken Benedictus à Sancto Josepho schreef motetten, dialogen voor vocale en instrumentale bezetting, instrumentale sonates, litanieën en missen.
Van Benedictus à Sancto Josepho verschenen acht bundels met kerkmuziek in de periode van 1666 tot 1701 en in 1698 één bundel met triosonates. Van de negen bundels werd tot op heden van zeven minstens één volledig exemplaar aangetroffen. Gevestigde muziekdrukkers zoals Petrus Phalesius, Hendrik Aertssens en Lucas Potter uit Antwerpen, Arnold van Eynden uit Utrecht en Estienne Roger uit Amsterdam publiceerden muziek van Benedictus à Sancto Josepho. Bijzonder is dat de opus II is opgedragen aan zijn broer Jan Buns, een kunstschilder werkzaam in Amsterdam en Keulen en aan zijn broer Gerard Buns een bewindvoerder uit Geldern en gevolmachtigde bij kerkelijke aangelegenheden zoals de aankoop van een orgel voor de Stiftskerk te Kleef.
Zelfs na Benedictus’ dood in 1716 verschenen opusnummers. De opusnummers I tot IX die bij leven van de componist werden uitgegeven, tellen samen 123 overgeleverde composities, waaronder 109 geestelijke vocale werken met instrumentale begeleiding: 11 Missen, 2 Requiem motetten, 2 Magnificats, 5 Laurentijnse Litanieën, 8 Tantum ergo's, 11 Salve Regina's, 4 Regina coeli's, 1 Te Deum, Ave Maria, 2 Missa pro defunctis, 1 Ave regina coelorum, 1 Alma Redemptoris Mater, 11 kleine oratoria met vrije geestelijke tekst en composities ter ere van Beata Maria Virgine, Sancto Josepho, Sancto vel sancto, Sanctissimo Sacramento en vele andere religieuze plechtigheden.
Benedictus à Sancto Josepho's werk reflecteert zijn activiteiten in dienst van de orde. Daarnaast componeerde hij 13 triosonates van het type Sonata da chiesa voor 2 violen, viola da gamba en basso continuo die in 1698 werden uitgegeven bij de Amsterdamse drukker Estienne Roger als opus VIII en met als titel: Orpheus Elianus è Carmelo in orbem Editus a 2 Viol. et Basso viola cum Basso Continuo. De bundel was met een in het Latijn gestelde dedicatie opgedragen aan Graaf Oswald III van den Bergh Boxmeer en zijn vrouw Maria Leopoldina van Oost-Friesland-Rittburgzie Lijst van heren en vrouwen van Boxmeer. De Opus V en Opus VII zijn eveneens aan Graaf Oswald III van den Bergh Boxmeer opgedragen. thumb|Het grafmonument van Graaf Oswald III van den Bergh en zijn gemalin in de Basiliek te Boxmeer. left|thumb|Titelpagina van de Opus V met Latijnse dedicatie aan Graaf Oswald III van den Bergh.
De veertiende instrumentale sonate door Benedictus à Sancto Josepho geschreven is Sonate Finalis nr.15, Opus V en is uitgegeven in 1678. Deze Sonate heeft twee instrumentale koren, toonaangevend uit de Venetiaanse School. Verrassend en ingenieus is het wisselspel tussen koor I (Viool 1 en 2, altviool en viola da Gamba) en koor II ( Viool 1 en 2, altviool, tenor viool en dulciaan) ondersteund door het continuo(orgel/klavecimbel en violabas).
Vanaf 1701 bestudeerde en beoefende Benedictus à Sancto Josepho de Gregoriaanse muziek en zang. In 1711 verschenen bij uitgeverij Plantijn in Antwerpen en - na zijn dood - in 1721 bij Ludovicus de Quantinne in Brussel twee boekdelen Gregoriaanse gezangen voor de liturgische praktijk, door Benedictus à Sancto Josepho verzameld onder meer voor het Karmelietenklooster te Boxmeer gegeven de hoofdtitel van de boekdelen: Fratrum Beata Virginae Mariae Monte Carmelo Boxmeriensis: de Processionale juxta usum Fratrum Beatae Virginis Mariae de Monte Carmelo en de Manuale Chori ad usum Fratrum Beatae Virginis Mariae de Monte Carmelo. Beide boeken kenmerken zich door de theoretische en muzikale toevoegingen aan Gregoriaanse gezangen door Benedictus à Sancto Josepho. De composities van Benedictus à Sancto Josepho worden aangetroffen in bibliotheken van Amsterdam, Utrecht, Brussel, Antwerpen, Geldern, Boxmeer, Parijs, Zürich, Wenen en Uppsala.
Lijst gepubliceerde werken Opus I, Missae, litaniae, et motetta, IV. V. VI. vocibus cum instrument. et ripienis, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1666; twee missen, drie motetten, twee litanieën voor vijf solostemmen, vierstemmig koor, instrumenten en basso continuo. Opus II, Corona stellarum duodecim serta, I. II. II. IV. vocibus et instrumentis, editio secunda aucta et emendata, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1673, de eerste uitgave van vermoedelijk omstreeks 1670 is verloren gegaan; zeven motetten, twee missen, litanieën, Salve Regina, Tantum ergo, voor 1-4 solostemmen en basso continuo. Opus III, Flosculi musici, Antwerpen, uitgegeven bij de erfgenamen van Petrus Phalesius, 1672: veertien motetten, één- tot vierstemmig, instrumenten en basso continuo. Opus IV, Musica montana in monte Carmelo composita, cantata in monte Domini, 1. 2. 3. vocibus, & unum Tantum ergo. 4. voc. & 2, 3 vel 5. instrumentis, Bergh-muziek, Antwerpen, uitgegeven bij Lucas de Potter, 1677. Opus V, Completoriale melos musicum, II. III. & IV. vocibus, II. III. vel V. instrumentis decantandum, Antwerpen, uitgegeven bij Lucas de Potter, 1678; zeven motetten, vier Maria-antifonen, litanieën, twee Tantum ergo‘s, voor twee tot vier stemmen, instrumenten en basso continuo en Sonata finalis II choris (instrumentaal dubbelkoor).zie uit Opus V het motet Intonemus. Opus VI, Encomia sacra musice decantanda 1, 2, 3 vocibus et 2, 3, 4. et 5 instrumentis, Utrecht, uitgegeven bij Arnold van Eynden, 1683: negentien motetten, één mis, voor één tot drie stemmen (TTB), instrumenten en basso continuo.