De klavecimbelconcerten (BWV 1052-1065) van Johann Sebastian Bach nemen in de categorie instrumentale orkestwerken van zijn oeuvre een aanzienlijke plaats in. thumb|Johann Sebastian Bach

Overzicht Bach schreef in totaal 13 concerten voor één, twee, drie of vier klavecimbels en orkest: zeven soloconcerten voor klavecimbel, strijkers en basso continuo (BWV1052 – 1058) (met bovendien twee blokfluiten in BWV 1057); bovendien bestaat een kort fragment van het openingsdeel uit een onvoltooid concert (BWV 1059) drie dubbelconcerten voor twee klavecimbels, strijkers en continuo (BWV 1060 – 1062) twee tripelconcerten voor drie klavecimbels, strijkers en continuo (BWV 1063 en 1064) een concert voor vier klavecimbels, strijkers en continuo (BWV 1065) (transcriptie van een werk van Antonio Vivaldi).

Onder de noemer klavecimbelconcert kunnen daarbij het Vijfde Brandenburgse Concert (BWV 1050) en het tripelconcert in a-mineur (BWV 1044) genoemd worden, die beide een prominente solopartij voor klavecimbel hebben naast twee andere solo-instrumenten: viool en traversofluit.

Naast de concerten voor klavecimbel en orkest schreef Bach werken voor soloklavecimbel die hij ook concert noemde en de concertstructuur vertonen: het Italiaans Concert (BWV 971) en de zestien bewerkingen van concerten van Italiaanse meesters (BWV 972 - 987).

In de uitvoeringspraktijk van de 19de eeuw en daarna werd het klavecimbel in al Bachs klavierwerken vervangen door de moderne piano. Ook tegenwoordig komt dit voor, maar sinds het midden van de twintigste eeuw heeft het klavecimbel, dankzij pioniers als Wanda Landowska, Thurston Dart, Aimée Van de Wiele, Hans Brandts Buys en Gustav Leonhardt zijn oorspronkelijke plaats, grotendeels heroverd als solo-instrument voor deze concerten, al wordt sporadisch nog de moderne vleugelpiano gebruikt. Overigens valt niet uit te sluiten dat Bach de vroege vormen van de fortepiano kende of misschien zelfs een exemplaar in zijn bezit had (in elk geval niet meer toen hij stierf), maar het is niet aannemelijk dat hij zijn klavierconcerten erop speelde of ervoor bedoelde. thumb|Zimmermannischen Caffee-Hauß

Ontstaan De klavecimbelconcerten ontstonden tussen 1728 en 1740, toen Bach de leiding had over het door Telemann opgerichte Collegium Musicum van Leipzig, dat concerten gaf in het Zimmermannischen Caffee-Hauß. De leden van het Collegium waren (muziek)studenten en waarschijnlijk amateurmusici afkomstig uit de burgerij van Leipzig. Naast het Collegium moest Bach een andere 'muzikale mond' voeden: zijn eigen familie. In een brief uit 1730 aan zijn jeugdvriend Georg Erdmann vertelt Bach hoeveel vreugde het hem gaf met zijn eigen familie te musiceren. "Insgesammt aber sind [die Kinder] gebohrne Musici und kann versicheren, daß schon ein Concert vocaliter und instrumentaliter mit meiner Familie formiren kann, zumahle meine itzige Frau gar einen saubern Soprano singet, und auch meine älteste Tochter nicht schlimm einschläget""Over het geheel genomen echter, zijn [de kinderen] geboren musici en ik kan je verzekeren dat ik met mijn familie al een vocaal en een instrumentaal concert kan formeren, vooral omdat mijn huidige vrouw met een zeer heldere sopraan zingt en mijn oudste dochter ook allesbehalve slecht meedoet".

Die 'geboren musici' waren, zoals hun vader, vooral thuis op klavierinstrumenten, met name Friedemann, Philipp Emanuel en Johann Gottfried Bernhard. Bachs leerling Johann Ludwig Krebs zal zeker hebben meegedaan. Er was blijkens de inventarislijst na Bachs dood een hele verzameling klavierinstrumenten in huize Bach: vier grote klavecimbels, een kleinere en een klein spinet (naast twee luiten, twee violen, één piccolo viool, drie altviolen, een kleine bassethoorn, twee cello's en een viola da gamba). De overvloed aan klavecinisten zal zeker hebben bijgedragen aan het schrijven van concerten voor meerdere klavecimbels.

Na het 'experiment' in 1721 met het vijfde Brandenburgse Concert - het klavecimbel in een prominente solo naast de viool en de traverso – zette Bach met de klavecimbelconcerten voor het eerst het klavecimbel volledig in als soloinstrument in een concerto. Er waren geen modellen voor een klavecimbelconcert. Het klavecimbel was traditioneel een continuo- of een soloinstrument.

De concerten voor één klavecimbel, samen met het losse concertdeel, zijn ons overgeleverd in één enkele autograaf, samengesteld tussen 1737-1739. Bachs eerste biograaf ForkelButt vermeldt dat Bach de concerten voor 3 en 4 klavecimbels schreef om ze uit te voeren met zijn oudste zoons. Als dat juist is, zouden de concerten voor 1733 geschreven moeten zijn: Friedemann Bach vertrok namelijk in 1733 naar Dresden. Maar evengoed kunnen bij deze concerten ook andere leerlingen dan zijn zoons, zoals gezegd Johann Ludwig Krebs, betrokken zijn geweest.

Bach en het Italiaans concertFinscher N.B. Hier is sprake van het Italiaanse concert als muzikale vorm, NIET van het Concerto nach italiänischen Gusto (het Italiaans concert BWV 971 uit Clavier-Übung II, 1735), waarin Bach die vorm toepaste voor klavecimbel solo, zonder orkest.

Bachs kennismaking met de Italiaanse concertvorm vond plaats in de laatste jaren voor zijn vertrek naar Köthen, toen hij Cammer Musicus und Hofforganist in Weimar was. Hij verkende de Italiaanse orgelmuziek van Girolamo Frescobaldi, maar vooral ook de muziek die aan het begin van de 18e eeuw de Duitse hoven veroverde en de Duitse componisten bezighield: het Italiaanse concert en in het bijzonder het soloconcert.

Bach werd vanuit drie invalshoeken beïnvloed door de nieuwe Italiaanse muziek. Ten eerste verzorgde Bach in zijn functie ook de kamermuziek aan het hof. Hoewel dat hof van Weimar serieus en vroom was, zal de wereldlijke kamermuziek er ook beïnvloed zijn geweest door de toen heersende Italiaanse muzikale mode. Van invloed was daarnaast Georg Philipp Telemann, die Bach waarschijnlijk al in Eisenach had ontmoet en die de peetoom was van Bachs zoon Philipp Emanuel. Ook Telemann was verbonden aan het hof van Weimar als kapelmeester. Hij verzorgde er ook de publicatie van de eerste composities van Prins Johann Ernst von Sachsen-Weimar, met wie Bach bevriend was en die al op 19-jarige leeftijd overleed. De composities van de prins waren Italiaanse soloconcerten. Met name van invloed was Bachs verre neef Johann Gottfried Walther. Walther was de muziekleraar van Johann Ernst. Walther was als orgelcomponist beroemd om zijn concerto-transcipties van Duitse én Italiaanse componisten, zoals van bv. Tomaso Albinoni, Giuseppe Torelli en Antonio Vivaldi. Met Walther hield Bach 'competities' in het schrijven van het nieuwe type concert, vooralsnog als bewerker van bestaande werken.

Zo bewerkte Bach 16 concerten van de Italiaanse meesters Vivaldi, Benedetto Marcello en Torelli, maar ook van Telemann en werken uit het ongepubliceerde opus 1 van Johann Ernst von Sachsen-Weimar (BWV 972 – 987). Hij volgde hier een voor hem bekend principe: een systematische aanpak en een zo breed mogelijke uitbuiting van de mogelijkheden van de vorm. Bach koos voornamelijk vioolconcerten als basis. Naast het omzetten van typische violistische kenmerken en het uitwerken van de basso continuo voor een vol klavicinistisch geluid, paste Bach de werken ook aan bij zijn eigen smaak: bassen werden levendiger gemaakt, maar ook thematisch versterkt door kenmerkende motieven, contrapunt werd toegevoegd in de oorspronkelijk homofone werken die juist de nadruk op de melodie legden. De scherpe klankcontrasten, zo typisch voor Vivaldi, werden uitgevlakt en vervangen door muzikale ontwikkelingen en climaxen. De door heldere thema's kenmerkende tutti-soli dialoog bij Vivaldi werd verschoven naar een concentratie op het thema van de soli. In de transcripties is de ontwikkeling van de kenmerken van Bachs componeren in concertowerken te zien: de verweving met polyfonie en de thematische en concertante schrijfstijl. Dit vertaalde zich ook in eigen werken uit de Weimar periode: bv. de orgeltoccata in C (BWV 564) en de Pastorale in F (BWV 590). In Köthen zou Bach de mogelijkheden van de Italiaanse concertovorm in zijn functie als hochfürstlich Anhalt-Cöthenische Kapellmeister uitwerken in de vioolconcerten en de Brandenburgse Concerten.

Modellen Wetenschappers hebben geconcludeerd dat van alle klavecimbelconcerten alleen dat voor twee klavecimbels in C (BWV 1061) oorspronkelijk voor het instrument geschreven moet zijn. De andere concerten zijn parodieën - in de oorspronkelijke neutrale betekenis van het woord - en moeten transcripties zijn van concerten voor melodie-instrumenten. Bij alle concerten waarvan een origineel bestaat is voor de klavecimbelversie het werk een toon lager getransponeerd. Dit hangt vermoedelijk samen met het bereik van de klavieren van de instrumenten die Bach tot zijn beschikking had. Van een aantal klavecimbelconcerten is - dankzij de bewaard gebleven originelen - bekend waarvan zij een transcriptie zijn: concerto in D, BWV 1054: het vioolconcert in E (BWV 1042) concerto in g, BWV 1058: het vioolconcert in a (BWV 1041) concerto in F, BWV 1057: het Brandenburgs Concert nr. 4 in G (BWV 1049) concerto voor twee klavecimbels in c, BWV 1062: het concert voor twee violen in d (BWV 1043) concerto voor vier klavecimbels in a, BWV 1065: het concert voor vier violen in b van Vivaldi (RV 580), nr. 10 uit de verzameling L'Estro Armonico opus 3.

Over de verloren gegane concerten waarop de andere klavecimbelconcerten zijn gebaseerd is geen duidelijkheid. De Amerikaanse barokhoboïst Bruce Haynes betoogde dat elf delen uit die overige klavecimbelconcerten afkomstig moeten zijn uit verloren gegane concerten voor hobo of oboe d'amore: het volledig concert in E, BWV 1053 het concert in A, BWV 1055, eerste en derde deel het concert in f, BWV 1056, tweede en derde deel het volledig concert voor twee klavecimbels in c, BWV 1060 het concert voor drie klavecimbels, BWV 1063, tweede deel

De datering van de klavecimbelconcerten (Leipzig, 1728-1740) is onomstreden, maar die van de veronderstelde modellen heeft geleid tot controverse onder musicologen. De 19e-eeuwse Bach-vorser Philipp Spitta ging ervan uit dat al deze oorspronkelijke concerten in Bachs periode te Köthen (1717-1723) moeten zijn ontstaan. Pas na 1970 werd deze hypothese in twijfel getrokken. Christoph Wolff zag aanleiding de meeste van deze concerten in de Leipziger periode te situeren, waarna een "Köthen oder Leipzig?"-dispuut ontstond.Rampe & Sackmann, 2000, p. 80. Over het concert in d, BWV 1052 is men het eens dat dit een transcriptie is van een vroeg concert van Bach, naar alle waarschijnlijkheid voor viool. De twee concerten voor drie klavecimbels zijn transcripties; net als bij het tripelconcert BWV 1044 is het niet uitgesloten dat Bachs zonen en/of zijn leerling Krebs betrokken zijn geweest bij de bewerking. Tevens werd een aantal sinfonia's uit cantates met een obligate solo-orgelpartij uit de derde cantatecyclus uit Leipzig (1725-1727) in de klavecimbelconcerten gebruikt.

Wijze van transcriptie Voor vergelijkend onderzoek naar de wijze van transcriptie kunnen alleen de klavecimbelconcerten BWV 1054, 1057, 1058, 1062 en 1065 gebruikt worden, omdat daarvan de oorspronkelijke versies voor melodie-instrument(en) behouden zijn gebleven. Bij onderzoek naar de relaties van de andere klavecimbelconcerten met hun vermoedelijke voorbeelden moet worden uitgegaan van veronderstellingen en zijn de onderzoekers het niet altijd eens. Een behulpzame factor is wel het feit dat van diverse delen van de (zowel behouden gebleven als verloren gegane) concerten anders geïnstrumenteerde versies bestaan in de vorm van aria's, koren en sinfonia's van cantates.