Zeami Motokiyo (Japans: 世阿弥 元清) (ca. 1363 - 1443) is een belangrijke naam binnen de wereld van nōgaku. Naast de vele stukken die hij schreef, waarvan een groot aantal nog steeds opgevoerd worden, is hij ook belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de kunstvorm op zich. Hij verfijnde nōgaku en verankerde deze in vastgelegde conventies door het schrijven van secundaire literatuur. Naast aanwijzingen wat betreft het acteerwerk ging hij in op de opvoeding van een acteur vanop een jonge leeftijd en het schrijven van nō-stukken.
Beknopte inleiding tot nō Nō ontstond in de veertiende eeuw, mede door de geschreven teksten (fictie en non-fictie) van Zeami's hand. Voorheen werd er sarugaku opgevoerd. Tijdens het leven van Zeami, ook mede door de helpende hand van het shogunaat, ontstond hieruit een nieuwe stroming: nō. Dit is muziektheater waarbij er onder muzikale begeleiding wordt gezongen, gedanst en geacteerd. Vaak worden er maskers gedragen en de acteurs bestaan uitsluitend uit mannen, ook voor de vrouwenrollen. Deze elementen klinken alle door in het hedendaagse nō. Er is echter sinds de veertiende eeuw ook heel wat veranderd. De bewegingen tijdens het dansen zijn veel trager geworden en het podium is in de loop der tijd veel kaler geworden. In andere woorden het grootste verschil ten opzichte van vroeger is dat het allemaal een stuk soberder is geworden.
Een nō-stuk vertelt een verhaal, maar voor een nieuweling is het moeilijk hier vat op te krijgen. Dit komt doordat de zang traag is en het verhaal vrijwel altijd van symbolische aard is, met vooral nadruk op de schoonheid van de klanken en de bewegingen. Bovennatuurlijke wezens kunnen verschijnen, personages kunnen een transformatie ondergaan en de werelden van levenden en doden lopen dikwijls door elkaar. De verhalen putten vaak uit Chinese en Japanse mythologieDe geschriften Kojiki (712) en Nihonshoki (720) zijn belangrijke kronieken waarin onder andere Japanse mythologie werd opgetekend. en religie of klassieke verhalen of gedichten. Vrouwen zijn vaak gebaseerd op personages uit Ise monogatariIse monogatari is een verzameling korte verhalen en gedichten uit de Heian-periode. en Genji monogatari,Genji monogatari is een klassieker uit de Japanse literatuur en vertelt over het leven aan het hof in de Heian-periode. terwijl mannelijke krijgers uit Heike monogatariHeike monogatari is een epos uit de twaalfde eeuw en verhaalt over de strijd tussen de Taira- en Minamoto-clan. komen.
Een compleet nō-programma bestaat uit vijf nō-stukken. Deze worden afgewisseld met zogenaamde kyōgen, korte stukjes waar enkel in geacteerd wordt en die een stuk lichtvoetiger, zelfs komisch, van aard zijn. In een compleet programma is er dus plaats voor vier kyōgen. Aan de hand van een lijstje van betrokkenen bij een nō-opvoering zal een hoop duidelijk worden. De genoemde termen slaan zowel op de rollen als op de acteurs die deze uitvoeren. Shite is de term die gebruikt wordt voor de hoofdrol. De shite zingt en danst de belangrijkste onderdelen van een nō-stuk en is meestal gekleed in fraaie, kostbare kostuums. In Westerse termen zal dit de protagonist genoemd worden.
Waki is een belangrijke bijrol. In zekere zin vertegenwoordigt deze rol het publiek en dient als een bindmiddel om deze als het ware bij de les te houden. De waki is er meestal om de shite te introduceren en zit gedurende de rest van het stuk aan de zijkant van het podium. Ook stelt hij dikwijls vragen, wat de shite de kans geeft om te vertellen. Als het verhaal het toelaat, worden de shite en waki vergezeld door tsure respectievelijk wakizure, waarvan alleen de eerstgenoemde maskers dragen. Bepaalde passages zingen zij mee met de shite en waki en afhankelijk van het verhaal kan het belang van deze rollen verschillen. Jiutai is de naam van het achtkoppige koor. Zij treden op als verteller, maar zingen ook af en toe met de hoofd- of bijrollen mee.
Het vierkoppige orkest heet hayashi. Deze kondigt het komen van de acteurs aan en begeleidt hun gezang. De trommelaars slaken ook keelklanken om het ritme aan te geven. De volgende instrumenten maken deel uit van de hayashi. Fue of nō-kan: een dwarsfluit van bamboe. Kotsuzumi: een kleine handtrom die met de hand bespeeld wordt. Ōtsuzumi: een grote handtrom die eveneens met de hand bespeeld wordt. Taiko: de grote trom die met twee stokjes bespeeld wordt. Deze wordt alleen gebruikt om een bovennatuurlijk wezen te begeleiden. De kyōgen is de acteur die de kyōgen uitvoert, de komische stukken die de wat zwaarder aandoende nō-stukken afwisselen. Ook voeren zij de kleinste rollen binnen de nō-stukken uit.
Als een nō-stuk door transformatie van de shite uit twee delen bestaat, vult de kyōgen, ditmaal tot ai-kyōgen gedoopt, de interlude die het omkleden van de hoofdrol vergt op met een gesproken samenvatting van de gebeurtenissen uit het eerste deel. Kōken treden op als assistenten, maar omdat de rollen binnen een gezelschap rouleren, zijn zij net als de andere acteurs in staat de rollen te spelen. Zij helpen met het omkleden en het aanreiken van rekwisieten. Soms is er sprake van een ongemaskerde kokata, een jongetje dat opgeleid wordt en meespeelt. Hoewel de acteur van jonge leeftijd is, hoeft dit voor de rol niet te gelden.
Biografie Geboorte en vroege jeugd Zeami werd in 1363 geboren als zoon van Kan'ami (1333-1384), een suragaku-beoefenaar en leider van het Yūkazi-gezelschap. Kan'ami was afkomstig van het platteland ten zuidoosten van Nara en hier heeft Zeami ook lange tijd geresideerd. Ondanks de ontoereikende informatie die over zijn jeugd is overgebracht, is er over het algemeen de veronderstelling dat Zeami al op zeer jonge leeftijd, onder toeziend oog van zijn vader, begon met acteren. Het ligt in de lijn der verwachting dat Zeami's eigen kijk op de opvoeding van een acteur grotendeels overlapt met hoe hij zelf door Kan'ami werd grootgebracht. Ook bezocht hij in zijn jonge jaren opvoeringen van andere gezelschappen, om zichzelf zo veel mogelijk te leren.
In de jaren 1360 en 1370 vergaarde het gezelschap van Kan'ami grote populariteit onder de bevolking van Kyoto en de omliggende gebieden. In het jaar 1374 speelde het gezelschap voor het eerst voor de ogen van de 17-jarige shōgun Ashikaga Yoshimitsu. De invloed van dit optreden kan niet onderschat worden, en wel om de reden dat vanaf dit punt nōgaku zich begon te ontwikkelen uit suragaku. Zeer belangrijk is dat vanaf dit punt ook de aristocratie zich voor de podiumkunsten begon te interesseren. Het theater ontwikkelde zich van een in eerste instantie religieus getinte performance tot iets wat daadwerkelijk als entertainment te bestempelen was. Ashikaga Yoshimitsu was reeds beschermheer van andere kunsten en wierp zich vanaf de bewuste uitvoering op als beschermheer van Zeami en het gezelschap. Naar alle waarschijnlijkheid was deze keuze niet enkel van esthetische aard; de veronderstelling luidt dat homo-erotische gevoelens voor de jonge Zeami ook een rol gespeeld hebben.
Ook Nijō Yoshimoto, een staatsman onder Ashikaga Yoshimitsu en rengadichter,Renga is een Japanse dichtvorm, waar verschillende dichters met elkaar samenwerken om een kettinggedicht te maken was zeer onder de indruk van Zeami's kunnen. Hij wordt gezien als de man die Zeami kennis over de Japanse klassiekers bijbracht. Nu de positie van de nōgaku sterker was dan ooit, werd er veel opgetreden, onder andere op het befaamde jaarlijkse Gion Festival. Hier kwamen allerlei verschillende sociale klassen bijeen, en dit heeft flink bijgedragen tot de ontwikkeling van nō in Zeami's tijd.
Na de dood van Kan'ami In het jaar 1384 overleed Kan'ami. Zeami, 21 jaar oud op dat moment, volgde zijn vader op als leider van het Yūkazi-gezelschap. De verantwoordelijkheid die hierbij kwam kijken was het veeltijds uitvoeren van de rol van shite, maar ook het verschaffen van financiële zekerheid voor de groep was een taak. Het schrijven van nieuwe stukken was eveneens weggelegd voor de leider van het gezelschap, iets wat Zeami dan ook geenszins na zou laten.
Wat we weten van de jaren die volgen tot de eeuwwisseling, is dat het gezelschap op bleef optreden in dezelfde omgeving, namelijk Kyoto en omgeving. Van optredens in deze periode zijn er in de geschriften drie meldingen gemaakt, waarvan één in 1394 en twee in 1399. Ashikaga Yoshimitsu was bij elk van deze uitvoeringen aanwezig, waar we met gemak uit af kunnen leiden dat hij in deze jaren zeer betrokken bleef. In 1408 overleed Ashikaga Yoshimitsu en doordat zijn opvolger Ashikaga Yoshimochi vooral van dengakuDengaku is een vorm van zang en dans dat gepaard gaat met de landbouw, in het bijzonder het planten van rijst. hield, verloor het Yūkazi-gezelschap zijn beschermheer.
Waar we vanuit kunnen gaan is dat Zeami zijn gehele leven volledige toewijding aan de kunst van nō bleef vertonen, een houding die hij in zijn non-fictie van groot belang beschouwt. Hij schreef een flink aantal nō-stukken, hoewel het aantal dat aan hem toegedicht wordt van bron tot bron sterk verschilt. Zijn verhandelingen over de nō-kunst op zich zijn ook van ongekend groot belang, werken die hieronder uitgebreid aan bod zullen komen. In zijn latere leven was Zeami voornamelijk gericht tot het trainen van acteurs en het klaarstomen van zijn opvolger.
Nageslacht en opvolging Het aantal kinderen dat Zeami heeft voortgebracht is iets waar weinigen het over eens kunnen worden. Waarover er wel unanimiteit bestaat is dat hij twee zonen had die beiden, vanzelfsprekend, met het nō-theater grootgebracht werden. Een van hen is Motoyoshi, die het werk Sandō op zijn naam draagt en wie later Zeami's werken bundelde tot Sarugaku dangi. Van de andere zoon, Motomasa, verwachtte Zeami heel wat van zijn toekomst: hij was een erg goede acteur en hij schreef zelf ook nō-spelen. Tot grote spijt van Zeami overleed Motomasa, waarna hij het ook in zijn werken Museki isshi en Kyakuraika berichtte.
Verder is er in andere literatuur van dezelfde tijd ook sprake van nog andere zonen, maar dit kan misschien verwijzen naar Saburō Motoshige, Zeami's neefje. Hij was regelmatig in de buurt te vinden en was vaak samen met Zeami's zonen bezig met nō. Echter, van beide kanten gezien is het bewijs te wankel om er een feitelijk besluit uit te kunnen trekken.
Hier en daar vernoemen teksten een dochter van Zeami, die naar alle waarschijnlijkheid wel bestaan heeft. Omdat er voor vrouwen weinig plaats was in de wereld van het nō, is het vanzelfsprekend dat er weinig aandacht wordt besteed aan Zeami's dochter. Wat in de context van Zeami wel interessant is, is dat zij trouwde met Konparu Zenchiku. Deze nō-acteur werd door Zeami grootgebracht en twee verhandelingen zijn aan hem opgedragen. Bovendien noemt Zeami hem in Kyakuraika uit 1433 zijn enige mogelijke opvolger, na de dood van Motomasa.
De oude dag Hoewel niet helemaal duidelijk wanneer, werd Zeami rond het jaar 1422 nyūdō, een soort monnik.Een nyūdō is een soort monnik maar zonder veel van de verplichtingen en verboden die er normaal bij komen kijken. Toen, of misschien ergens in de jaren daarna, droeg Zeami bovendien het leiderschap van de Yūkazigroep over aan Motomasa. Dat Zeami nyūdō werd, betekent niet dat hij zich terugtrok uit het theaterleven. In 1424 werd hij in Kyoto aangesteld als gakutō (muzikaal leidinggevende) van de Daigoji, een boeddhistische tempel waar regelmatig nō werd opgevoerd. Rond deze tijd heeft hij ook belangrijke verhandelingen over nō geschreven en legde hij zich toe op het trainen van Zenchiku en een andere neef, On'ami.