thumb|Een atletiekbaan Een atletiekbaan is een sportveld waarop atletiekwedstrijden worden verwerkt. Bij een moderne atletiekbaan is er een rechte sprintbaan voor afstanden tot en met 110 m, een rondbaan waarop de afstanden langer dan 110 meter worden gelopen, en er is gelegenheid om alle werponderdelen en springonderdelen te verwerken. In Vlaanderen wordt in plaats van 'baan' ook van 'piste' gesproken. Onderaan dit artikel wordt de baan voor indooratletiek behandeld.

Geschiedenis De stadion was een Griekse lengtemaat van ongeveer 185 meter (600 Griekse voeten). Bij de Olympische Spelen in de Klassieke Oudheid werd een accommodatie aangelegd om een hardloopwedstrijd ter lengte van één stadion te kunnen houden, en de naam van de lengtemaat is overgegaan op de sportaccommodatie. Van de atletiekbaan in Olympia, waar de klassieke spelen werden gehouden, zijn resten overgebleven (zie ) en daar is bij de moderne Olympische Zomerspelen 2004 het kogelstoten verwerkt op een tijdelijk aangelegde kogelstootring volgens de huidige regels. Ook het klassieke stadion van Athene is in moderne tijden hergebruikt. Dit Stadion Panathinaiko is voor de Olympische Zomerspelen 1896 gerestaureerd en gebruikt voor de atletiekwedstrijden.(zie ) Het was ook de finish voor de hardloopwedstrijd van het plaatsje Marathon naar Athene. De jaarlijkse wedstrijd over dat parcours, de echte marathon dus, eindigt ook in dit stokoude stadion en bij de Olympische Zomerspelen 2004 is het stadion eveneens gebruikt – maar niet voor de gewone atletiekwedstrijden, waar zo'n klein stadion totaal niet meer geschikt voor is.

Ook in het klassieke Rome bestonden atletiekbanen. De bekende Piazza Navona is een plein dat nog de vorm heeft van de hardloopbaan die daar gelegen heeft. Om de baan heen is gebouwd, maar de baan zelf is onbebouwd gebleven. (Zie .)

De eerste moderne atletiekbanen waren van gras. De 'echte' hadden een stenen binnenrand, maar ook was het mogelijk om ad hoc een baan op een willekeurig stuk gras uit te zetten, zoals een hobbelig voetbalveld, of op weilanden met veel graspollen en kuiltjes, waar niet zelden ook de koeienvlaaien moesten worden 'genomen'. Een curieus voorbeeld was de voormalige baan in het Bisonpark in Zeist, waar rekening met een grote boom gehouden moest worden. De rechte einden liepen niet evenwijdig en de ene bocht was een stuk korter dan de andere.

De opvolgers van grasbanen waren de sintelbanen. In Nederland werd de eerste sintelbaan in 1923 in gebruik genomen. Twintig jaar later, in 1943, was het aantal sintelbanen in Nederland uitgegroeid tot twaalf. Bij dit type atletiekbanen sleten de afzonderlijke banen langzaam weg en moesten daags voor een wedstrijd de banen opnieuw getrokken worden. Bij regen kon het een behoorlijke modderboel worden. Toch heeft Fanny Blankers-Koen een paar van haar superprestaties tijdens de Olympische Spelen van 1948 in de regen verricht. Om meer grip te krijgen op de sintelbaan werden onder de wedstrijdschoenen lange punten gemonteerd, tot 18 mm aan toe (en bij het speerwerpen 24 mm). Deze spikes gaven hun Engelse naam aan de wedstrijdschoen met punten. De laatste Olympische Spelen die op sintels zijn verwerkt waren die van Tokio in 1964.

De volgende Olympische Spelen, Mexico 1968, werden gehouden op een kunststofbaan en dat is sindsdien de norm. Er zijn verschillende soorten kunststof met iets verschillende eigenschappen. De spikepuntjes mogen meestal maar 6 mm lang zijn, of bij het hoogspringen en speerwerpen 8 mm. Slecht weer blijft slecht weer, maar op een kunststofbaan is de invloed op de prestaties aanzienlijk geringer dan op de oudere soorten atletiekbaan.

De kunststofbanen kunnen grofweg in twee types onderscheiden worden: de tartanachtigen en de mondoachtigen. Tartan was het eerste merk dat een rubberachtige baan vervaardigde. De onderlaag wordt ter plekke gegoten en de toplaag bestaat uit korrels van hetzelfde materiaal. Na Tartan zijn andere merken vergelijkbare banen gaan aanleggen (Rekortan leverde bijvoorbeeld in 1972 de polyurethaanbaan voor de Olympische Zomerspelen 1972 in München). Een bedrijf als Mondo pakt het aanleggen van de baan anders aan, het materiaal wordt namelijk niet gegoten maar geleverd als prefab-matten die op een geschikte ondergrond geplakt moeten worden. Hoewel de eigenschappen van alle banen binnen nauwe door de IAAF voorgeschreven grenzen moeten vallen, hebben de mondobanen toch een wat andere grip, waardoor ze vooral bij sprinters favoriet zijn. In Nederland zijn er drie mondobanen (alle drie in Noord-Brabant), in België zijn er meer (onder andere Oordegem), waardoor atleten uit Nederland graag wedstrijden in België gaan doen.

Algemene opzet van een atletiekbaan Een wedstrijdbaan heeft een lengte van 400 meter, het aantal banen van de rondbaan loopt van 4 tot 9. Banen voor trainingsdoeleinden hebben soms een andere lengte dan 400 meter. Er wordt tegen de klok in gelopen en de finish bevindt zich bij de overgang van het rechte eind naar de bocht (rechtsonder op de tekening). Deze finishlijn is tevens finishlijn voor de korte sprintonderdelen; nogal eens zijn er twee of drie extra sprintbanen aan de buitenzijde van de baan. Het middenterrein bestaat meestal uit gras; het wordt gebruikt voor de lange werponderdelen (speerwerpen, kogelslingeren en discuswerpen) en heeft hiervoor vaak een of twee werpkooien. In de halve cirkels die door beide bochten worden omsloten bevinden zich meestal de inrichtingen voor het kogelstoten en hoogspringen, terwijl de springonderdelen die een lange aanloop vergen (verspringen, hink-stap-springen en polsstokhoogspringen) veelal evenwijdig aan de rechte einden worden verwerkt, binnen of buiten de baan. De voorzieningen voor de technische onderdelen dienen minimaal in enkelvoud aanwezig te zijn, een bak voor de steeplechase is echter niet verplicht. Vaak zijn de voorzieningen tweevoudig aanwezig, het aantal verspringbakken kan zelfs oplopen tot zeven.

De diameter van de rondbaan is niet voorgeschreven, al wordt geadviseerd voor de straal van de bocht 36,50 m aan te houden (World Athletics hanteert uiterste waarden van 35-38 meter, de Atletiekunie 35-42 meter). Banen met twee stralen komen ook voor, dan wordt voor begin en eind van de bocht voor een kortere straal (scherpere bocht) gekozen dan voor de rest van de bocht. Afhankelijk van de locatie waar de baan moet komen wordt soms gekozen voor een smallere of een bredere baan. Overheden kunnen bovendien wensen dat het binnenterrein ook voor andere sporten kan worden gebruikt (in het bijzonder een voetbalveld met de gebruikelijke maat van 100 x 64 m) en dat leidt dan bijvoorbeeld tot een straal van 40 meter. Is de straal 36,50 meter, dan is de lengte van het rechte eind 84,389 meter, bij een straal van 40 meter wordt het 73,394. De banen zijn 1,22 m breed (4 Engelse voet). In de tekening is de finishlijn aangegeven (rechtsonder), de start van de 100 m (links), van de 110 m horden (ook links), van de 200 m (linksboven, net in de bocht) en de 400 m (rechtsonder in de bocht). Alle andere merktekens die op een atletiekbaan staan zijn weggelaten. Op een baan met 8 banen is het aantal merktekens enorm, zo staan op de baan van Utrecht Overvecht 2 finishlijnen, 100 startstrepen, staan er per baan 45 merktekens voor de estafettes en worden in elke baan de posities van 46 horden aangegeven, meestal met twee streepjes per horde. Vooral atletiekbanen met faciliteiten voor Athletics Champs wedstrijden voor jonge atleten hebben veel baanmarkeringen. thumb|center|786px|Schema afmetingen atletiekbaan De tekening toont niet een bestaande baan, maar illustreert een aantal oplossingen die bij de aanleg vaak gekozen worden. Wanneer er voldoende financiën zijn, worden voor alle technische onderdelen twee of meer installaties aangelegd. Dit is om bij wedstrijden met veel deelnemers het deelnemersveld te kunnen splitsen, maar vooral ook om díe werpring of springaanloop te kunnen gebruiken die voor de deelnemers de gunstigste windrichting oplevert. Ook voor trainingsdoeleinden kan het prettig zijn om tegelijk op verschillende plaatsen te kunnen trainen voor hetzelfde onderdeel. Bij het topspsportcentrum van de voormalige DDR in Potsdam waren er tien kogelstootringen.

In Nederland liggen 161 kunststofbanen (peildatum juli 2017; er zijn ook nog twee banen op militair terrein). Daarvan zijn 156 banen 400 meter lang, vier banen meten 300 meter, en die van Waddinxveen is een aparte baan van 298 meter. Interessant is dat geen twee banen exact hetzelfde aangelegd zijn, al lijken sommige sterk op elkaar. Het merendeel van de banen heeft 6 banen, een tiental heeft er 8 en een twintigtal banen in kleine plaatsen moet het met 4 banen doen.

In de tekening staat een heel grote baan: 12 sprintbanen en 9 banen in het rond (10 komt ook voor).

Eisen aan de faciliteiten voor de atletiekonderdelen Sprint Er zijn startlijnen voor de 100 m, de 110 m horden en meestal ook voor jeugdafstanden: 40 m, 60 m en 80 m. De enige eisen waaraan de sprintbaan verder moet voldoen is dat achter de startlijn van de 110 m de baan nog minimaal 3 meter lang is en dat voorbij de finish een uitloop van minimaal 17 meter aanwezig is (die in Nederland echter bij 1 op de 10 banen ontbreekt). Soms is van het tweede rechte eind ook een sprintbaan gemaakt van 100 of 110 meter lengte. Ook komt het voor dat aan de kop van die extra sprintbaan een grote zandbak wordt aangelegd als extra faciliteit voor de springtraining. In het verleden bestond er een record voor 200 m zonder bocht; in Nederland heeft slechts de oude baan in Amsterdam Noord een daarvoor geschikte extra lange sprintbaan gehad.

Lange sprint Bij afstanden tot en met 400 m lopen de atleten in afzonderlijke banen. De binnenste baan heeft een witte plastic of stenen rand en wie 0,30 m vanaf die rand loopt legt in één ronde exact 400 m af. In de andere banen mag de linkerlijn niet betreden worden. De startlijnen worden uiteraard zodanig geplaatst dat in alle banen exact dezelfde afstand wordt gelopen, waarbij gemeten wordt op 0,20 m vanaf de linkerbaanbegrenzing. Er staan startstrepen voor de 200 m en de 400 m (beide op de tekening) en meestal ook voor de (jeugd)afstanden 150 m en 300 m (niet op tekening).

800 meter Soms wordt de 800 m verwerkt zoals de langere afstanden, zie hierna, maar zeker bij grotere wedstrijden wordt de eerste bocht in afzonderlijke banen gelopen. Er staan daarvoor startstrepen ongeveer halverwege de finishlijn en de startstreep van de 400 m (niet op tekening). Aan het eind van de bocht geeft een licht gekromde lijn haaks op de baanbegrenzing aan vanaf waar de atleten hun baan mogen verlaten (wiskundig gezien is deze kromme lijn een evolvente, een afwikkelingskromme). Deze lijn is zodanig getrokken dat niemand voordeel kan hebben: wie vanaf die lijn kaarsrecht op de volgende bocht afloopt loopt exact 800 m. Vaak zie je atleten na de bocht direct naar de binnenbaan gaan, hetgeen tot anderhalve meter verlies kan opleveren.

Lange afstand Wie voortdurend op 0,30 meter vanaf de binnenrand blijft, loopt exact de bedoelde afstand, wie in de bochten 0,30 meter verder naar buiten loopt legt een meter extra af per bocht. Bij alle afstanden langer dan 800 m starten de atleten naast elkaar vanaf een licht gekromde startlijn (ook dit zijn evolvente krommen). Een dergelijke lijn staat bij de finish (voor de 800 m, 2000 m en 10000 m), aan het eind van de eerste bocht (voor de 1500 m) en bij de start van de 200 m (voor 3000m en 5000 m). Soms staat er ook een startlijn voor de mijl. Bij wedstrijden met een groot deelnemersveld op de lange afstanden wordt de groep in tweeën gesplitst, waarbij de tweede groep in de eerste bocht in baan 4 loopt; dit vereist een extra startstreep. Net als bij de 800 m komt het veld dan na de bocht bij elkaar.

Steeplechase