thumb|350x350px|De Allersmaborg (2009) De Allersmaborg is een borg in het gehucht Allersma in de gemeente Westerkwartier tussen Ezinge en Aduarderzijl (Allersmaweg 64) in de Nederlandse provincie Groningen. De Allersmaborg stamt uit de middeleeuwen en ligt binnen een ruime gracht met ophaalbrug en wordt omringd door een Engelse tuin en houtsingels. Rond het borgterrein ligt een landgoed van ongeveer 2 hectare met onder andere een boomgaard met oude Groningse fruitrassen, waaronder Groninger Kroon en Zigeunerin.
Het huis is in gebruik als congrescentrum van de Rijksuniversiteit Groningen en kan op afspraak worden bezichtigd. Ook vormt het een trouwlocatie. Het landgoed rond de borg is opengesteld voor wandelaars. Er groeien in het voorjaar verschillende stinsenplanten. De ingang naar het borgterrein is voorzien van een in toegangshek dat in 1989 werd geplaatst. Het oude hek werd toen bij de kerk van Ezinge geplaatst.
Bij de borg behoorden vroeger drie boerderijen, die tot de verkoop van de borg in 1899 werden verhuurd aan meiers. Deze boerderijen bevinden zich aan noordwestzijde (bij de Reitdiepdijk), zuidwestzijde en zuidoostzijde van de borg en zijn sindsdien in particuliere handen. De Allersmaheerd aan de Allersmaweg 54 (een rijksmonument uit 1938) heeft echter geen directe relatie met de borg. Bij de borg behoorde vroeger ook een zomerhuisje op de Reitdiepdijk (), dat ergens tussen 1899 en 1901 is afgebroken.Dit is mogelijk het gebouwtje dat op een voorstudie van de kaart van Theodorus Beckeringh wordt aangeduid als 'spookhuisje'. Bron: Hillenga, M., R. Reinders & A. van der Woud [red.] (2016), De atlas van Beckeringh. Het Groninger landschap in de 18e eeuw. pp. 116-117, 372 (noot 73)
Het gebouw thumb|350px|De Allersmaborg gezien over de gracht
Het huis bestaat uit drie vleugels. De zuidvleugel is het oudste gedeelte van de borg en is deels onderkelderd. De noordvleugel stamt uit de 16e eeuw, terwijl de oostvleugel uit begin 18e eeuw stamt, waarop iets na 1817 een bel-etage werd geplaatst. Aan voorzijde heeft de borg een symmetrische uitstraling. Intern bestaat de borg uit een achterhuis en een voorhuis. Het in oorsprong mogelijk 14e- of 15e-eeuwse achterhuis wordt gedekt door een 17e-eeuwse kap, bestaande uit eiken bokspanten met gebogen voet. Bij het begin-18e-eeuwse voorhuis werden ook stenen gebruikt van ouder muurwerk. Dit is te zien aan de grotere en oudere bakstenen in het muurwerk langs de gracht, die tot een hoogte van 4,8 meter zichtbaar zijn. Het voorhuis is verdeeld in de notariskamer, de rode, blauwe en gele kamer, de opkamer en de keuken. Achter de ingang bevindt zich een 18e-eeuwse wandbetimmering met wandfonteintje, die uniek is in Nederland. In het achterhuis bevinden zich het koetshuis (met de vroegere stallen) en twee slaapzalen. Deze indeling is tot stand gekomen bij de laatste verbouwing van 2005. Bij deze verbouwing werden de kamers in 19e-eeuwse stijl ingericht, met gebruikmaking van meubelen uit de collectie van het Groninger Museum, waaronder meubelen die vroeger toebehoorden aan de familie De Marees Van Swinderen, die de borg bewoonde in de 19e eeuw.
Rechtsvoor de borg staat het klerkenhuis uit 1853, destijds gebouwd voor de klerk van notaris Van Swinderen. Dit gebouw deed lange tijd dienst als tentoonstellingsruimte, maar heeft bij de verbouwing van 2005 een keuken en badkamer gekregen, zodat het geheel apart kan worden gebruikt als tijdelijke woonruimte. Voor het klerkenhuis staat een duiventil uit 1977, die een replica is van de vroegere 18e-eeuwse duiventil in haar 19e-eeuwse gedaante.
Geschiedenis Familie Allersma De Allersmaborg ontstond vermoedelijk ergens tussen 1200Rond 1200 werden de eerste dijken aangelegd in het gebied. Daarvoor was de plek waarschijnlijk niet geschikt voor bewoning. en 1400 als een boerderij op een kwelderwal naast het Reitdiep, maar de precieze datering is onbekend. Tijdens een restauratie in de jaren 1970 werd een oude muur aangetroffen onder de fundering van een muur van kloostermoppen (8,5 × 14 × 28,3 cm), die zo diep ging dat de restaurateurs op den duur besloten te stoppen met graven. Het oudste deel van het steenhuis dat voorafging aan de huidige borg is het achterhuis waarvan delen van de kelder mogelijk nog dateren uit de 13e of 14e eeuw, maar mogelijk ook uit de 15e eeuw. De stenen in de muur vertonen sporen van hergebruik, wat exacte datering niet mogelijk maakt. In de loop der tijd groeide het huis uit tot een edele heerd. De bewoner diende waarschijnlijk toezicht te houden op een zijl in de later dichtgeslibde Middagsterriet of Feerwerdertocht, een benedenloop van het watersysteem van het Eelder- en Peizerdiep. Rond 1400 werd ter vervanging van de Middagsterriet het Aduarderdiep gegraven en de Aduarderzijl aangelegd.
De familie Allersma (vernoemd naar een man met de naam Allard) komt voor het eerst voor in 1489 toen ene Duirt Allersma werd genoemd als zijlrechter van het Aduarderzijlvest. Hij trad daarna ook nog op, onder andere in 1504. Mogelijk liet hij de gebinten plaatsen boven het achterhuis, die afgaand op de telmerken dateren van rond 1500. Zijn nazaat Sirp Allersma werd genoemd tussen 1525 en 1552. Zijn grafsteen in de kerk van Ezinge vermeldt als overlijdensjaar 1553. Tot de heerd behoorden bij de boedelscheiding na zijn dood 222,5 grazen land (ruim 110 hectare), waarmee het een zeer grote boerderij was voor die tijd. Deze akte is tevens de eerst vermelding van de Allersmaheerd. Zijn zonen Cornelis en Duurt Allersma verkregen de heerd. Cornelis trouwde met Meyt Froma, maar overleed zonder kinderen na te laten in 1556, waarop Duurt Allersma de eigenaar en bewoner van de heerd werd. Hij trouwde met Abele to Nansum, maar ook dit huwelijk bleef kinderloos. Zowel de Froma's als de to Nansum's waren adellijke geslachten. Omdat Duurt geen kinderen naliet, zou de borg uiteindelijk in handen komen van de niet-adellijke boerenfamilie Elema, waardoor de borg nooit in handen kwam van een adellijk geslacht en de eigenaren zich geen jonkers mochten noemen.Feenstra, H. (1988), Adel in de Ommelanden: hoofdelingen, jonkers en eigenerfders van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw. p. 55. Ergens in de 16e eeuw liet een van de Allersma's het steenhuis uitbreiden met een nieuwe vleugel, waardoor het geheel een L-vorm kreeg.
Gijzeling van Anna Elema tijdens de Tachtigjarige Oorlog Sirps dochter Anna (Sirps) Allersma trouwde ondertussen in 1544 met Rinke (Reneko Waelckos) Elema (1510-1583) van de Elemaheerd bij Uithuizen.De Elemaheerd stond op de plek van de huidige boerderij Bovenhuizen 6. Reneko was tijdens de Tachtigjarige Oorlog Staatsgezind, wat ertoe leidde dat de Elemaheerd werd geconfisqueerd door de Spaansgezinde stadhouder Rennenberg. Reneko vluchtte daarop naar Wolthusen in Oost-Friesland, terwijl Anna met haar zoon Sirp Elema (20) en dochter Tjalde Elema (18) vluchtte naar haar broer op de Allersmaborg. Waarschijnlijk omdat Reneko Elema in 1581 samen met Wigbolt van Ewsum een leidende rol speelde bij de kidnapping van de Spaansgezinde procureur Cornelis Kempis door de watergeuzen in Appingedam, liet Rennenberg hen echter in 1581 door Spaanse soldaten arresteren en gijzelde hen vervolgens gedurende vijf weken op 'het slot te Middelstum'Onduidelijk is of het hier gaat om Asinga, Ewsum of Mentheda. met de eis "dat Anna Ellema niet solde und konde lossgeven worden, voerdat M. Cornelis Kempis durch Elema gelaxiert und vrijgeven worde". Elema was hierdoor gedwongen om ervoor te zorgen dat Kempis werd vrijgelaten. Deze vrijlating werd in 1922 feestelijk herdacht met een historische optocht vanuit Ezinge, waarbij de vrijlating werd nagespeeld. Sirp Elema behoorde in 1581 net als zijn vader tot de 186 Ommelander edelen die Filips II als vorst afzwoeren. Hij zat in 1584 nogmaals korte tijd gevangen.
Familie Elema Duurt Allersma liet bij zijn dood in 1588 geen mannelijke nakomelingen na, waarmee het geslacht Allersma uitstierf. Hij legateerde 50 grazen land van de Allersmaheerd aan zijn neef Sirp Elema, die in het jaar van zijn dood in Lutke Saaxum getrouwd was met weduwe Jantien Abels. Sirp verkreeg vervolgens ook de Allersmaheerd, maar onbekend is wanneer, al moet het vóór de reductie van 1594 geweest zijn. Mogelijk was dit na de dood van zijn moeder in 1592. Hij woonde echter nog in 1598 in Lutke Saaxum. Onder het nieuwe Staatse bewind wist Sirp op te klimmen tot gedeputeerde van de Ommelanden. In 1605 was hij lid van de Provinciale Synode. In 1605 overleed zijn vrouw, waarop hij in 1606 terugkeerde naar de Allersmaheerd. In 1610 trad hij opnieuw in het huwelijk, namelijk met Hillegund Swalve uit Leeuwarden. Hij bezat toen de Allersmaheerd met 104 grazen en de eveneens onder Ezinge gelegen (en door een meier bewoonde) Hummersmaheerd met ongeveer 45 grazen en de Elemaheerd met 50 grazen. Swalve bracht onder andere de zogenoemde Luursemaheerd onder Feerwerd met 70 grazen in.Het is onduidelijk welke Luursemaheerd bedoeld is. Het betreft waarschijnlijk niet de kleine borg te Feerwerd, die ook wel Luursemaheerd werd genoemd. Zie Formsma, p. 115. Uit de huwelijksovereenkomst lijkt naar voren te komen dat Allersmaheerd destijds werd verbouwd. Vermoedelijk werd toen aan noordzijde een nieuwe vleugel gebouwd aan het steenhuis. Sirp was vooruitstrevend voor zijn tijd. Zo verrichtte hij agrarische proeven en probeerde hij druiven te kweken op Allersma.
Na de dood van Sirp in 1625, waren zijn kinderen uit zijn tweede huwelijk nog minderjarig. Zijn zoon Duirt Elema trouwde in 1639 met Meeuwertien Fockens. Na zijn huwelijk verkreeg hij in de loop der tijd door het uitkopen van de andere erfgenamen Allersma volledig in eigendom. Hij was onder andere erfschepper van Ezinge en Hardeweer en medegecommitteerde van de admiraliteit tot Harlingen en medegecommitteerde van de Raad der Ommelanden. Hij was het die de heerd rond 1650 liet verbouwen tot een landhuis met singels, een gracht met een ophaalbrug en een duiventil; een heerlijk recht. Aan het achterhuis liet hij aan noordzijde een aanbouw maken van een bouwlaag. Mogelijk liet hij toen ook het 17e-eeuwse dak op het achterhuis plaatsen. Duirt bezat ook twee huizen in de Turftorenstraat in de stad Groningen. Hij was hoofdeling, maar geen jonker. Toch begon men het vanaf die tijd aan te duiden als borg. Duirt trouwde drie maal, maar al zijn negen kinderen overleden jong. In 1682 overleed hij en stierf het geslacht Elema van Allersma in mannelijke lijn uit.
Families Busch, De Marees en Van Swinderen thumb|375px|Het Huys te Allersma (aquarel van Aart Schouman, 1772). Linksvoor het in de 19e eeuw afgebroken schathuis. Rechtsvoor de duiventil met haar 18e-eeuwse aanzicht. Voor de borg de kastanjeboom, die pas in 1979 werd gekapt.
Duirt had geen testament opgemaakt. Na de dood van Duirt werden Allersma en bijbehorende heerlijke rechten in 1683 daarom door de erfgenamen overgedragen aan Reneke Busch. Deze was een achterkleinzoon van hugenoot Hubert du Bois, die na de Bartholomeusnacht in 1572 vanuit Nancy naar de Nederlanden was gevlucht. Zijn grootvader was door zijn huwelijk met Cornelisje Elema (de zus van Sirp) aangetrouwde familie. Busch was raadsheer in Groningen en tussen 1686 en zijn dood in 1710 ook diverse malen burgemeester van Groningen. Hij liet begin 18e eeuw een nieuw voorhuis bouwen voor de borg. In het huis werd toen ook een luidklokje voor het personeel geplaatst dat in de Tweede Wereldoorlog voor de Duitsers werd verstopt in de tuin en vervolgens pas in 1965 weer gebarsten werd teruggevonden bij tuinwerkzaamheden.