thumb|Biologische landbouw in Capay, Verenigde Staten thumb|Biologische melkveestal in Woerden, Nederland Biologische landbouw is een landbouwvorm die nadrukkelijk rekening wil houden met milieueffecten en dierenwelzijn. De biologische landbouw gebruikt geen kunstmest en genetisch gemodificeerde organismen. Een deel van de biologische landbouw maakt wel gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, zij het van natuurlijke oorsprong, zoals koper, zwavel of chemische stoffen geproduceerd door bijvoorbeeld planten, bacteriën of gisten. Dieren in de biologische veehouderij krijgen meer ruimte met het oog op dierenwelzijn. Er zijn verschillende biologische keurmerken die dit controleren. Biologische landbouw ontstond in de 20ste eeuw als reactie op de industrialisatie van de voedselvoorziening.
De biologische landbouw bouwt voort op de pre-industriële landbouw, maar kan tevens een "kraamkamerfunctie" vervullen voor de gangbare landbouw. Sommige methodes uit de biologische landbouw kunnen, indien geschikt, overgenomen worden in de reguliere landbouw.Bron voor deze alinea: NRC Handelsblad, 19 april 2005: Verbeter vooral de gangbare landbouw – Voedselvoorziening noch milieu gebaat bij biologische landbouw. Door Louise Fresco, Rudy Rabbinge en Joost van Kasteren
Geschiedenis Veel pre-moderne landbouwmethoden en sommige nog steeds bestaande vormen van traditionele landbouw voor eigen gebruik in ontwikkelingslanden zijn vergelijkbaar met de biologische landbouw, omdat bepaalde moderne technologieën (zoals minerale meststoffen en bepaalde pesticiden) niet worden toegepast.
Met de komst van de industriële revolutie halverwege de 18e eeuw en de uitvinding van kunstmest zo'n honderd jaar later, kwamen er wereldwijd grote veranderingen in landbouw. Via grote, gespecialiseerde boerenbedrijven kwam de nadruk steeds meer op productie en hogere opbrengsten te liggen. Naast een aanzienlijke stijging in de productie van sommige gewassen, leidde de opkomst van industriële landbouw tot ecologische zorgen, zoals bodemuitputting. In bepaalde contexten werd daardoor meer kunstmest gebruikt om vergelijkbare opbrengsten te behouden. Als tegenbeweging kwam in het begin van de 20ste eeuw de biologische landbouw op.
Het is niet zeker waar en wanneer de biologische landbouw precies is ontstaan, daar er in Europa verschillende hervormingsbewegingen waren. Het is aannemelijk dat de biodynamische landbouw van Rudolf Steiner het eerste praktische landbouwsysteem was dat zich uitsluitend op biologische methoden richtte. Ook wordt de Oostenrijkse botanicus en microbioloog Raoul Heinrich Francé als grondlegger genoemd. Hij pleegde onderzoek naar de ecologie van micro-organismen in de bodem, en publiceerde de boeken Das Edaphon (1913) en Das Leben im Ackerboden (1922). Een van de eerste onderzoekers van biologische landbouw was Eve Balfour. Op haar boerderij deed vanaf 1939 het Haughley-experiment, de eerste langdurige, wetenschappelijke vergelijking van biologische- en op chemicaliën gebaseerde landbouw. Hierover publiceerde Balfour in 1943 het boek The living soil, dat wordt gezien als een van de standaardwerken over biologische landbouw.
Reformbeweging: van 1900 tot 1960 De in Duitsland ontstane 'Lebensreform' propageerde voor een volledig nieuwe levenswijze. Hieruit ontstond de eerste biologische landbouwbeweging 'Arbeitsgemeinschaft Natürlicher Landbau und Siedlung', dat zich richtte op een natuurlijke productie van groenten en fruit zonder het gebruik van pesticiden of andere chemische producten.
De Oostenrijkse filosoof Rudolf Steiner zag dat de bodem uitgeput raakte en dat het dierenwelzijn steeds verder onder druk kwam te staan door het streven naar steeds hogere productiesnelheden. Uit voordrachten, gegeven door Steiner, ontstond rond 1924 de biodynamische landbouw (dat het landbouwbedrijf letterlijk meer dynamisch, en als één levend organisme beschouwt.) De term is pas jaren na de lezingen van Steiner ontstaan en populair geworden dankzij het werk 'Biodynamische landbouw en tuinbouw' van wetenschapper Ehrenfried Pfeiffer in 1938.
De Duitse schrijver Ewald Könemann (1899-1976) zorgde voor de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw. In aanvulling op de producten die voortkwamen uit de antroposofische biologisch-dynamische landbouw, en met behulp van zijn eigen ervaring van de landbouwpraktijken met de huidige wetenschappelijke onderzoeken naar een biologisch begrip van de vruchtbaarheid van de bodem, werd een tweede vergeten ecologisch landbouwsysteem ontwikkeld in de jaren 20. Vanaf dat moment waren er twee hoofdstromen van biologische landbouw, die grotendeels parallel ontwikkeld werden.
Beïnvloed door Steiner, schreef landbouwspecialist aan de Universiteit van Oxford Lord Northbourne in 1940 Look to the Land. In het boek, waarin kritiek werd geuit op het gebruik van chemische producten in de landbouw, werd voor de eerste keer gebruikgemaakt van de term 'biologisch'. Hij verwees daarmee naar een manier van landbouw waarin een boerderij een organisch, levend geheel is waar zowel de grond, gewassen, vee en de maatschappij een evenwaardige rol spelen. Northbournes terminologie werd overgenomen door de Engelse botanicus en wetenschapper Albert Howard in zijn boek uit 1947 Soil and Health: A Study of Organic Agriculture. Het boek was de eerste publicatie waar biologische landbouw werd vermeld in de titel.
In de jaren 1930 kwamen er steeds meer biologische bedrijven, maar de groei van de sector werd een halt toegeroepen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, wat leidde tot een verslechterd contact tussen biologische boeren en hun klanten, en was er een verminderde interesse in biologische producten zichtbaar. Ook waren verschillende West-Europese landen voor de voedselvoorziening afhankelijk geworden van de overzeese import van goedkope agrarische producten. Deze konden tijdens de oorlog niet meer zo makkelijk worden aangevoerd, waardoor er weer meer werd ingezet op de maximalisatie van de agrarische opbrengsten, in de lijn van de industriële landbouw.
Om de opbrengsten te verhogen werden boeren gestimuleerd - en soms zelf gedwongen - om sterk te intensiveren, te rationaliseren en gebruik te maken van moderne technologie. Zo kwam er een sterkere scheiding tussen landbouw en natuur en binnen de landbouw tussen akkerbouw en veeteelt. Ook werden op grotere schaal chemische bestrijdingsmiddelen ingezet om insecten te doden. Het door de Zwitserse chemicus Paul Hermann Müller ontwikkelde en na 1942 veel gebruikte insecticide DDT werd na de publicaties van de Amerikaanse biologe Rachel Carson over de schadelijkheid hiervan voor het milieu, in de meeste landen na 1970 verboden.
Tegelijkertijd met de biodynamische landbouw van Steiner en Pfeiffer ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland de organisch-biologische landbouw van het echtpaar Hans en Marie Müller en Duitse arts en microbioloog Hans Peter Rusch die veel uitgebreide wetenschappelijke onderzoeken verrichtten. Rusch bracht in 1968 het boek Bodenfruchtbarkeit uit, met de theoretische achtergrond van de nieuwe 'organische-biologische landbouw, waarin nieuwe inzichten in de bodem microbiologie, en de bijbehorende bodemvruchtbaarheid werden verstrekt. Het echtpaar Müller richtte in 1971 de landbouworganisatie Bioland op.
Ook in Frankrijk ontstond er eind jaren 1950, begin jaren 1960 door agronomen Jean Boucher en Raoul Lemaire een nieuwe biologische landbouwvorm: de 'agrobiologische methode' (of de Lemaire-Boucher-methode), die bestond uit het geven van praktische en eenvoudige richtlijnen over ondiep ploegen, compostering, groenbemesting en het gebruiken van kruiden in de veeteelt.
Deze verschillende biologische landbouwmethoden gingen in de loop van de jaren 60 en 70 in elkaar op. Enkel de biologisch-dynamische landbouw bleef zich onderscheiden met bijkomende normen en richtlijnen.
Ecologische beweging: van 1960 tot 1990 Naast het werk van Rachel Carson over de schadelijkheid van pesticiden en de rapporten van de Club van Rome tussen 1968 en 1974 over schaarse grondstoffen, kwamen in de loop van de jaren 1970 en 1980 steeds meer publicaties over de negatieve gevolgen van de gangbare landbouw. En ontstond in 1972 de IFOAM, of International Federation of Organic Agriculture Movements, een overkoepelende organisatie voor verschillende biologische landbouwverenigingen over certificering, onderzoek, voorlichting en promotie. Dat resulteerde in een meer politiek draagvlak voor biologische landbouw. Hieruit ontstond de 'ecologische landbouw', die zich volgens IFOAM als volgt onderscheidt: "ecologische landbouw houdt rekening met alle factoren die meespelen in de ecologie: relaties tussen planten onderling en tussen plant en dier, maar ook tussen mens en omgeving en de gevolgen daarvan op de maatschappij. Aspecten als de verpakking, de arbeidsomstandigheden en het energieverbruik krijgen in deze ecologische betekenis ook een plek." Een voorbeeld hiervan is dat bananen uit Peru wel biologisch kunnen zijn, maar als ze per vliegtuig zijn aangevoerd, niet ecologisch. Aandacht voor biologische en ecologische producten steeg in deze periode enorm. Ook verspreidde de biologische landbouw zich naar andere werelddelen.
Politieke beweging vanaf 1990 De biologische landbouw leefde begin jaren 1990 vooral in Europa, met name na de erkenning van de biologische landbouw in 1991 door Europa met de regelgeving voor de eerste wettelijke normen voor biologische producten, en het voorzien van subsidies in 1993. Een steeds groter wordende achterban werd ondersteund door 'groene' politieke partijen, waaronder het Vlaamse Agalev. In 2000 werd een enkel Europees biologisch label ingevoerd, dat op vrijwillige basis kon worden gebruikt. In 2010 werd het vervangen door een nieuw Europees label waarmee alle biologische producten dienen te worden geëtiketteerd: het Euro-blad.
Nederland In de jaren 1960 en 1970 ontstonden er in Nederland protestbewegingen tegen alles wat met de groei-ideologie van het kapitalisme te maken had, waaronder de provo en kabouterbeweging. Ook kwamen er nieuwe maatschappelijke organisaties rond 'natuur' en 'milieu' zoals Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu. In dit nieuwe maatschappelijke klimaat vonden veel kritische landbouwers aansluiting bij de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw en Voeding. Boeren die niets zagen in de antroposofie van Steiner zochten andere wegen, onder andere in centrum De Kleine Aarde te Boxtel. Ter ondersteuning en ontwikkeling van de ecologische landbouw, werd in 1984 de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw (NVEL) opgericht. Rond dezelfde periode als de uitbraken van gekkekoeienziekte, mond-en-klauwzeer en de varkenspest in het begin van de jaren 1990, groeide de publieke aandacht voor biologische alternatieven. In 1991 werd de biologische plantaardige productie wettelijk vastgelegd. Biologische producten waren in de jaren zeventig en tachtig enkel in gezondheidswinkels te koop, totdat ze in de jaren negentig ook in de schappen van reguliere supermarkten kwamen te liggen. Tegenwoordig verkopen steeds meer supermarkten biologische producten en nog altijd wordt het biologische aanbod steeds gevarieerder. Ook worden de eisen voor de biologische keurmerken steeds strenger.
België Ook in België begonnen in de jaren 1970 een twintigtal pioniers te experimenteren met organische landbouw. Ook bij niet-boeren ontstond er interesse in onconventionele landbouwmethoden. Begin jaren 1980 kwamen er verenigingen op en volgde een keurmerk: Biocontrole, later omgedoopt tot Biogarantie.
Kenmerken landbouw Een van de uitgangspunten van biologische gewasbouw is het idee dat het natuurlijke bodemleven de vruchtbaarheid van de grond verhoogt en dat dit leven beïnvloed kan worden. In positieve zin door het gebruik van bijvoorbeeld compost en mest, in negatieve zin door het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en zware machines die de grond verdichten.