miniatuur|Steenkoolmijn in Silezië (1923) In een kolenmijn wordt steenkool of bruinkool gewonnen. Bruinkoollagen bevinden zich altijd net onder de deklaag en boven eventuele steenkoollagen, bruinkool wordt daarom vrijwel altijd in open mijnen, dagbouwmijnen, ontgonnen. Dieper liggende steenkoollagen werden in Europa meestal in gesloten mijnen gewonnen. Deze manier van delven is een arbeidsintensief productieproces, brengt een groter veiligheidsrisico met zich mee en is dus aanzienlijk duurder. In West-Europa, waar de kolen- en staalindustrie sinds 1952 werd beheerd door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, zijn nu bijna alle kolenmijnen gesloten. Vooral omdat steenkool van overzee, in dagbouw gewonnen en naar Europa getransporteerd, goedkoper kon ingevoerd worden. Op de tweede plaats omdat steenkool als energiedrager toenemend concurrentie kreeg van aardolie en kernenergie. Later werden daar nog milieu-bezwaren aan toegevoegd: verbranding van steenkool heeft een belangrijk aandeel in de opwarming van de aarde door de hoge CO2-uitstoot. Bovendien veroorzaakt de winning van steenkool, zowel in dagbouw als ondergronds, vervuiling met PAK's en zware metalen in de omgeving van de mijn, tijdens het transport en op de plaats van verbranding.
Bruinkool werd in de Benelux alleen gewonnen in Nederlands-Limburg. Steenkool werd in België en Nederland ontgonnen.
Geschiedenis Europa Steenkool thumb|Historische steenkoolmijngebieden in NW Europa De 19e-eeuwse industrialisatie is grotendeels op gang gekomen op basis van houts-, bruin- of steenkool. Dit waren toen de enige energie-grondstoffen voor de nieuwe zware industrie. Zo werden Engeland en België de twee eerste geïndustrialiseerde landen ter wereld en was het Duitse Ruhrgebied lange tijd het dichtste industriegebied ter wereld. Ook de Franse regio Hauts-de-France staat bekend om haar steenkoolindustrie. Al deze gebieden liggen bovendien op eenzelfde as.
Al sinds 1810 deden Waalse ingenieurs bodemonderzoek in Vlaanderen omdat ze toen al vermoedden dat het kolenbekken zich verder noordwaarts spreidde. De steenkolenlagen bleken daar uiterst diep te liggen. Het was de Leuvense professor André Dumont die van de veronderstelling uitging dat het steenkoolbekken bij Aken in noordwestelijke richting afboog. In de jaren na 1890 begonnen Waalse, Duitse en Delftse ingenieurs daarom naar steenkool te zoeken in Zuid-Limburg, de Limburgse Kempen en zelfs de aangrenzende Antwerpse Kempen.
Met uitzondering van deze laatste regio werden er rond 1900 successen geboekt. Vervolgens werden de nodige concessies aangevraagd en bedrijven opgericht. In Nederland slaagden de socialisten erin enkele concessies onder bestuur van de staat te brengen; ook aan de andere kant van de Maas ijverden de socialisten daarvoor, maar zonder succes. De meeste steenkoolmijnen gingen pas in exploitatie tijdens of na de Eerste Wereldoorlog.
Bruinkool miniatuur|Bruinkoolwinning in Noordrijn-Westfalen Bruinkool wordt in de omgeving van Keulen en Aken sinds 1826 grootschalig in dagbouw afgegraven. In de Benelux werd het alleen gevonden in Nederlands Zuid-Limburg. De eerste bruinkoolmijn was Carisborg I, in Heerlerheide (1915). De firma Bergerode ontgon in Heerlerheide de concessie Carisborg II, en verwierf in Brunssum de concessies Brunahilde I en II en Energie. Brunahilde I werd niet ontgonnen. Verder zijn er ook bruinkoolmijnen geweest op de Graetheide bij Geleen (Louisegroeve I en II), in Eygelshoven (Herman) en in Haanrade (Anna). Dit waren allemaal open groeves. De Nederlandse bruinkoolmijnen waren in 1968 allemaal gesloten.
Ontginningswijze Structuur van gesloten kolenmijnen thumb|Blokdiagram van een diepbouwsteenkoolmijn: 1. Galerij; 2. Steenkoollagen; 3 en 4. Pijler; 5. Schachtgebouwen; 6. Administratie; 7. Opslag; 8. Koolbunker; 9. Steenberg/terril.
Een gesloten mijn bestaat uit twee delen: Het ondergronds bedrijf: Hier worden de kolen gewonnen, verzameld en naar de oppervlakte getransporteerd. Dat transport gebeurde vooral met behulp van smalspoor. Vervolgens ging het in een lift. Het bovengronds bedrijf: Hier worden de kolen gesorteerd, gewassen en gekapt. Bovendien liggen hier ook de voorzieningen voor de arbeiders en de centrales en machines die de bovengrondse én ondergrondse installaties aandrijven.
Bestrijding van grondwater en toevoer van lucht Grondwater is zowel een probleem in ondergrondse als in open mijnen. In het geval van stollenbouw kan het grondwater gemakkelijk worden afgevoerd. Ook bij open mijnen en schachtbouw volstaat een kleinschalige technische infrastructuur zoals pompen en afvoerwegen, omdat er niet ver onder het grondwaterniveau wordt gegraven. Ook de toevoer van verse lucht is in deze mijnen betrekkelijk eenvoudig te realiseren.
Bij diepbouw worden echter grotere dieptes bereikt en moeten er krachtige pomp-, ventilatie- en hijsinstallaties voorhanden zijn. Omdat deze installaties veel energie verbruikten, hadden die steenkoolmijnen ook eigen energiecentrales die op steenkool draaiden. In de steenkoolmijnen van Belgisch- en Nederlands-Limburg (na 1900 dus) werd bij de schachtafdieping de methode van grondwaterbevriezing toegepast. Daardoor werd de grond ook stabieler. Sinds de mijnsluiting in Nederlands Limburg is het grondwater gestegen en dit heeft geleid tot een meetbare bodemstijging aan het aardoppervlak van 10 centimeter over een periode van vijftien jaar.Kennislink Nederlandse bodem beweegt. Gearchiveerd op 10 juni 2023.
Steenkoolwinning naar land België thumb|Steenkoolmijn Périer in het Henegouwse Souvret. thumb|Mijnwerkers van Mariemont-Bascoup komen boven na hun werkdag
Wallonië De Waalse steenkolenbekkens waren geconcentreerd in de industrie-as van de Maas, Samber en Hene, van Luik tot Bergen. Er waren drie bekkens in de provincie Henegouwen: de Borinage bij Bergen, het Centrumbekken bij La Louvière en het Bekken van Charleroi. In de provincie Namen ligt Beneden-Samber en ten slotte bevindt er zich ook een groot bekken rond Luik (Bekken van Luik; Andenne, Seraing en Herve).
In Wallonië werd vermoedelijk al sinds de Romeinse tijd steenkool ontgonnen. In de 13e eeuw duiken de eerste mijnbedrijven op, het ging toen om kleinschalige, primitieve open mijnen. In de 16e eeuw werd er steenkool ontgonnen op betrekkelijk grote schaal en uitgevoerd naar alle windrichtingen, waarmee reeds staal en glas werd geproduceerd. Ook de steenkoolnijverheid en de zware industrie in de omgeving van Luik kwamen in deze periode op. Omdat men steeds dieper groef, moesten de mijnen ook steeds gemoderniseerd worden. Daarom werden hier de eerste waterpompen en stoommachines in gebruik genomen.
Een groot deel van de Waalse mijnbedrijven werd gesticht in het begin van de 18e eeuw, en in de 19e eeuw ontwikkelde Wallonië zich dankzij de mijnbouw en de daarvan afhankelijke bedrijvigheid (onder andere metaalindustrie) tot het grootste industriegebied van het Europese vasteland. De ontsluiting van de regio door steenwegen en kanalen (Kanaal Bergen-Condé, Centrumkanaal, Kanaal Brussel-Charleroi, Zuid-Willemsvaart), in deze periode droeg hiertoe bij. Ook belangrijk in deze was de vestiging van de staalfabriek van John Cockerill in Seraing, in 1850 de grootste fabriek ter wereld, die een grote afnemer was van steenkool.
In de loop van de 19e eeuw kenden de Waalse mijnen hun bloeiperiode dankzij de enorme vraag naar steenkool als belangrijkste grondstof. In de eerste jaren na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog was er een grote vraag naar steenkool voor de wederopbouw. Om aan de vraag te voldoen werden arbeiders uit Oost- Centraal en Zuid-Europa, vooral uit Italië aangetrokken. Na de mijnramp van Marcinelle in 1956, waarbij veel Italiaanse doden vielen, zegde Italië zijn overeenkomst met de Belgische regering op omdat het de veiligheid, vooral in de oudere Waalse mijnen, onvoldoende vond. Er werden vanaf toen geen Italianen meer geleverd in ruil voor Belgische steenkool. De Belgen gingen daarna ongeschoolde arbeidskrachten voor hun mijnen zoeken in andere landen rond de Middellandse Zee, zoals Spanje, Griekenland, Marokko en Turkije.
De sanering van Europese mijnen vanaf het midden der jaren 1950, met sluitingen in het kader van het EGKS beleid, was te wijten aan de opkomst van olie en gas als moderne energiebronnen enerzijds, en anderzijds concurrentie van geïmporteerde steenkool uit open mijnen in Zuid-Amerika en Azië, die veel goedkoper arriveerde in de Europese zeehavens. De laatste Waalse steenkoolmijn Roton in Farciennes sloot in 1984. Het wegvallen van de mijnindustrie in Wallonië in het midden van de vorige eeuw en de daaropvolgende crisis in de staalindustrie liggen aan de basis van de economische neergang van het gewest.
Limburgse Kempen miniatuur|Steenkoolmijntelefoon De geologische kennis van het Kempens steenkoolbekken dateert van omstreeks 1875. De eerste steenkool uit het Kempens steenkoolbekken in Limburg, werd in 1901 aangeboord te As. De mijnmaatschappijen werden onmiddellijk daarna opgericht (behalve Houthalen: 1923), maar door de technische en politieke moeilijkheden duurde het tot na de Eerste Wereldoorlog voordat ze commercieel konden worden uitgebaat. De technische moeilijkheden hielden vooral verband met watervoerende (drijfzand)lagen. Enkel Winterslag had dit niet, daardoor was dit ook de eerste mijn die kon produceren. Alle mijnen moesten de dure bevriezingstechniek aanwenden bij de aanleg van de schachten, een methode die toen nog in een experimenteel stadium verkeerde.
Het Kempens Steenkoolbekken had als opvallend kenmerk dat er nooit steenkoolverwerkende industrie naast is ontstaan. Dat blijkt uniek te zijn in de Europese mijnnijverheid. De Limburgse kolenproductie was vooral interessant voor de Waalse staalindustrie, die daardoor de import van steenkool kon verminderen. De Waalse mijnen waren verouderd en ook te klein om nog aan de vraag te kunnen voldoen. Bovendien bevatte de Limburgse ondergrond cokeskolen, waaraan op dat moment groeiende behoefte was.
thumb|Oude en heropgebouwde schachtbok in Eisden. Er waren zeven mijnen, die in handen van privé-maatschappijen waren. de steenkoolmijn van Beringen, opgericht als Société Anonyme Charbonnages de Beeringen, in Beringen, productie vanaf 1922 tot 1989. de steenkoolmijn van Eisden, oorspronkelijk Société Anonyme Charbonnages Limbourg-Meuse, in Maasmechelen, productie vanaf 1922 tot 1987. de steenkoolmijn van Houthalen, opgericht als S.A. Charbonnages de Houthalen, in Houthalen, productie vanaf 1938-1939 (fuseerde in 1964 met Zolder) tot 1992. de steenkoolmijn van Waterschei, eerste benaming Société Anonyme André Dumont-sous-Asch in Genk, productie vanaf 1924 tot 1987. de steenkoolmijn van Winterslag, Société Anonyme Charbonnages de Winterslag in Genk, productie vanaf 1917 tot 1988. de steenkoolmijn van Zolder of S.A. Charbonnages de Helchteren Zolder in Zolder, productie vanaf 1930 die als laatste sloot op 30 september 1992. de steenkoolmijn van Zwartberg opgericht als Société Anonyme Charbonnages des Liégeois en Campine in Genk, productie vanaf 1925 tot 1966.
De hoogste werkgelegenheid werd gehaald tijdens de Wederopbouw, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Er werkten toen 44.000 mensen in de Limburgse mijnen. Om arbeidskrachten aan te trekken en te behouden moesten tal van voorzieningen worden gebouwd en werden al vanaf 1945 Italiaanse gastarbeiders aangetrokken. Vanaf 1956, het jaar van de mijnramp in Marcinelle, werden Spanjaarden en Grieken geworven, vanaf 1962 gevolgd door Turken en Marokkanen. Dit maakte dat de mijnstreek een multicultureel karakter kreeg.