Admiraal der Nederlanden was een functie die bestond tussen 1485 en 1573. Voor die tijd was er al een admiraal van Vlaanderen, later aangevuld met een admiraal voor de overige gewesten in de Bourgondische Nederlanden.

Heervaart Door de tijden heen heeft de koopvaardij last gehad van piraterij. Zo moesten de Vier Ambachten, Assenede, Axel, Boekhoute en Hulst, schepen leveren om met de Hollandse kapers af te rekenen. In de middeleeuwen reikten stadsbestuurders of landsheren, die ook zelf belang hadden bij een onbelemmerde handel en een sterke zeemacht, kaperbrieven uit. De betekenis hiervan was echter beperkt. De Nederlandse zeevarenden konden vaak meer verdienen met handelsvaart en visserij. Een oud gebruik was de heervaart. Hierbij kon in tijden van oorlog de graaf of landsheer een aantal mannen per ambacht verplichten om voor korte duur krijgsdienst te verrichten. Deze moesten dan uitrukken met hun heerkoggen.

Admiraalsambt Admiraals van VlaanderenJan Buuc (1383 - 1389)Jan van Cadzand (1395? - 1396)Jan Blankaert (1401? - 1406)Victor van Vlaanderen (1419 - 1424?)Jan van Horne (1436? - 1436)Simon van Lalaing (1436 - 1462)Joost van Lalaing (1462 - 1483)Admiraals van de Bourgondische Nederlanden (zonder Vlaanderen)Jan van Luxemburg (±1446 - 1466)Wolfert VI van Borselen (1466 - 1485) Voor bijzondere expedities werden soms schepen ingehuurd en uitgerust als oorlogsbodems. Het kwam echter regelmatig voor dat men dan ook schepen van de eigen partij aanhield en beroofde. Een betere oplossing was daarom konvooiering waarbij koopvaarders of vissersschepen in een grote groep voeren, liefst voorzien van scheepsgeschut of zelfs begeleid door schepen die daarvoor waren gebouwd en extra bemand. Een van de schippers werd aangewezen als commandant van het konvooi en kreeg daarvoor de naam admiraal. Dit was een verbastering van het Arabische emir-al-bahr (commandant van de zee), een term die tijdens de kruistochten naar Europa was overgewaaid. Het was dus aanvankelijk geen titel of ambt, maar een tijdelijke taak.

Toen de Vlaamse graaf Lodewijk van Male in 1356 tijdens de Brabantse Successieoorlog tussen het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen Antwerpen wilde veroveren, stelde hij Jacob Buuc aan als admiraal van der vlote. Hij voerde een vloot aan die bestond uit twaalf schepen, bewapend met ribaudequins. Zij beschoten de stad, die zich daarna overgaf. Deze beschieting met kanonvuur wordt beschouwd als de oudste in de Nederlanden.

De Vlaamse schippers van de westvloot op La Rochelle en de Golf van Biskaje stelden zelf admiraals aan, zoals in 1371 Jan Pieterszoon. Om de Vlaamse westvloot te beschermen tegen Engelse kapers - als gevolg van de Honderdjarige Oorlog - benoemde Lodewijk van Male in 1377 Mathys Claissone tot admirael der Vlaemsche Vlote, de admirallus Flandriae, als leider van de flotta Flandriae. In 1378 stelde hij ook een admiraal van het Zwin aan.

Tijdens de Gentse Opstand nam Filips van Artevelde het bestuur over en hij belastte Frans Ackerman met de bescherming van de westvaart. Na de Slag bij Westrozebeke in 1382 heeft Lodewijk van Male de macht weer in handen en maakte het admiraalsambt permanent. Jan Buuc, mogelijk een zoon van Jacob, werd aangesteld als admiraal van het Zwin. In 1387 voerde hij de titel admiraal van de zee tijdens zijn taak om de koopvaarders veilig naar Sluis te brengen en kan daarmee beschouwd worden als de eerste ambtelijke admiraal. Jan Buuc werd gevangengenomen door de Engelsen en stierf in 1389 in de Tower. De daarna aangestelde Jan van Cadzant stierf in 1396 tijdens de kruistocht onder leiding van Jan zonder Vrees.

In Holland stelde Albrecht van Beieren twee admiraals aan voor zijn expedities tegen Friesland in 1397 en 1398, de heren van Egmond en Heenvliet. Hierna werden de vlootaanvoerders echter weer kapitein of hoofdman genoemd in Holland.

Vanaf Filips de Stoute werden veel Nederlandse gewesten onder Bourgondische heerschappij gebracht. Na de gebiedsuitbreidingen werd onder Filips de Goede begonnen met de interne consolidatie. Met de benoeming van een admiraal-generaal voor Artesië, Boulogne, Holland, Zeeland en Friesland werd door de Bourgondiërs de functie van admiraal buiten Vlaanderen ingevoerd. De eerste was Jan van Luxemburg ergens tussen 1446 en 1448 tot zijn dood in 1466, als general admiral de la mer d'Artois, Boulonnais, Hollande, Zélande et Frise. Simon van Lalaing was echter nog admiraal van Vlaanderen. Door hervormingen in 1454 verkreeg de Grote Raad een status die praktisch overeenkwam met die van een admiraliteitsraad.

Nog steeds bestond er een verschil tussen admiraal als ambt en als tijdelijke taak. Zo werd Jan van Horne (1380-1436) als admiraal benoemd voor het beleg van Calais van 1436.

Het gewest Holland was niet zo gediend van de inmenging van de admiraals. In Zeeland vormde Hendrik II van Borselen, heer van Veere een onafhankelijke macht op zee, dankzij zijn scheepsbezit, maar meer nog door zijn machtige positie op Walcheren. Filips de Goede en Karel de Stoute riepen enige malen zijn hulp in, maar Hendrik koos voor een zelfstandige positie. Hij werd dan ook nooit door hen als admiraal benoemd. Door diens zoon Wolfert te benoemen als opvolger van Jan van Luxemburg tot admiraal, probeerden de Bourgondiërs de heer van Veere onder hun invloed te krijgen. Hoewel de functie praktisch gezien weinig om het lijf had, was de invloed van deze familie van groot belang voor Karel de Stoute. In 1475 had Wolfert de leiding van de expeditie tegen Lodewijk XI van Frankrijk.

Ordonnantie op de Admiraliteit Admiraals der NederlandenFilips van Kleef 1485 - 1488Frederik Eitel van Zollern 1488 - 1490Cornelis van Bergen 1490 - 1491Filips van Bourgondië-Beveren 1491 - 1498Filips van Bourgondië-Blaton 1498 - 1517Adolf van Bourgondië 1517 - 1540Maximiliaan II van Bourgondië 1540 - 1558Filips van Montmorency 1558 - 1567Maximiliaan van Hénin-Liétard 1567 - 1573

In 1483 overleed de laatste Vlaamse admiraal. Toen Maria van Bourgondië overleed, weigerde Vlaanderen het regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk te erkennen, wat de aanleiding was van de eerste Vlaamse opstand tegen Maximiliaan. De Nederlandse admiraal en andere edelen kozen partij voor Vlaanderen. Filips van Kleef werd daarom - en vanwege de dood van Joost van Lalaing - via een commissiebrief waarbij alle andere admiralen ontslagen werden in 1485 tot admiraal van de Nederlanden benoemd, waarmee voor het eerst een admiraal de gehele Nederlanden als ambstgebied had. tijdens de onlusten werd op 8 januari 1488 de Ordonnantie op de Admiraliteit uitgevaardigd. Het doel van de ordonnatie was het beteugelen van de kaapvaart en het omschrijven van de bevoegdheden van de admiraal. Die bevoegdheden werden ook aanzienlijk uitgebreid ten koste van de Grote Raad, de gewestelijke raden en de schepenbanken door het oprichten van de admiraliteit. De admiraal kreeg 10% van het buitgeld en de opbrengst van de kaperbrieven en was rechter bij alle misdrijven die aan boord hadden plaatsgevonden.

De oorlogsvloot werd na Sluis in 1540 gevestigd in Veere op Walcheren, omdat dit voor de vloot de meest strategische plek van de Nederlanden was en hier ook de admiraliteit gevestigd was. Hier was het ambt van admiraal in handen van de heren van Veere, een bastaardtak van het Bourgondische huis. De functie van admiraal bleef in hun geslacht van 1491 tot 1558. Naast de admiraliteit in Veere was er een vice-admiraliteit in de Vlaamse havenstad Duinkerke.

Door de in 1487 uitgebroken Tweede Vlaamse opstand tegen Maximiliaan werd de ordonnantie aanvankelijk niet uitgevoerd. Filips van Kleef koos enkele maanden na de uitvaardiging van de verordening de zijde van de opstandige steden vanwege de eedbreuk van Maximiliaan. Om de strijd tegen hen aan te binden, benoemde Maximiliaan Frederik Eitel van Zollern en daarna Cornelis van Bergen tot admiraal van de Nederlanden.

Pas met de benoeming van Filips van Bourgondië-Beveren tot admiraal in 1491 ontstond er duidelijkheid. Met het einde van de Vlaamse opstand in 1492 werd het echt mogelijk de ordonnantie door te voeren. Door zijn huwelijk met Anna van Borselen had Filips de Zeeuwse machtsbasis verworven van haar vader Wolfert en haar grootvader Hendrik II van Borselen. De Habsburg-Valois oorlogen gaven de admiraliteit meer macht en aanzien.

Hollandse zelfstandigheid De Ordonnantie op de Admiraliteit was opgesteld naar een Frans voorbeeld uit 1373 en was nieuw voor de Nederlandse gewesten. De uitvoering van de ordonnantie door de Bourgondische heren van Veere was hierdoor niet eenvoudig. In Holland, dat geen admiraalstraditie had, lokte zowel de afkondiging van de verordening in 1499, als de uitreiking van vrijgeleiden door de admiraal in 1536, protesten uit van de steden en het gewestelijke bestuur.

In 1539 probeerden de stadhouder en Staten van Holland erkenning te krijgen van een in 1458 toegekend privilege, door een proces aan te spannen tegen de admiraal voor de Geheime Raad. Dat privilege gaf Holland het recht om zonder inmenging van een admiraal de eigen maritieme belangen te behartigen. Volgens hen bekleedde de stadhouder in hun gewest de admiraalsfunctie. Er werd echter geen vonnis uitgesproken in dit proces. Het was echter in 1540 wel de aanleiding voor een nieuwe Ordonnantie op de Admiraliteit door Karel V. Dit beperkte de macht van de admiraal ten gunste van de Grote Raad. De admiraliteit werd echter nog steeds door de heer van Veere gecontroleerd, doordat de leden van de admiraliteit door hem werden benoemd.

Holland erkende nog steeds de bevoegdheid van de admiraal in het gewest niet. Conflicten waarbij Hollandse schepen waren betrokken, werden voor het eigen Hof van Holland berecht en niet voorgelegd aan de admiraliteit in Veere. In 1547 werd dit tijdelijk opgelost toen admiraal Maximiliaan van Bourgondië, heer van Veere, werd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. De admiraal kreeg vanaf 1536 ook een vlootcommissaris naast zich, vanaf 1550 permanent. Cornelis de Schepper, of Cornelius Scepperus, als lid van de Geheime Raad en de Raad van State uit de centrale regering afkomstig, functioneerde als vlootcommissaris op gelijke voet met de admiraal.

Staande vloot Door de Italiaanse Oorlogen met Frankrijk in de jaren vijftig ontstond de behoefte aan een staande vloot. Veere werd in de eerste helft van de 16e eeuw al af en toe als oorlogshaven werd gebruikt en groeide met de vorming van een vaste vloot in 1550 uit tot de marinehaven van de Habsburgse Nederlanden. Naast de kleine oorlogsvloot bleef men voor het ondernemen van verantwoorde expedities afhankelijk van particuliere schepen. Dankzij de Walcherse rede, de belangrijkste markt voor zeeschepen in de Nederlanden, en Arnemuiden, met zijn vele zeelieden, kon de Habsburgse vloot in Zeeland worden uitgebreid als dat nodig bleek.

De succesvolle Habsburgse huwelijkspolitiek had belangrijke gevolgen voor de Nederlanden. Deze gingen deel uitmaken van een wereldrijk waarmee zij in verbinding stonden via Spanje. Walcheren was een knooppunt voor zeereizen van dit rijk. Daardoor lag het zwaartepunt van de Nederlandse kustverdediging op Walcheren. Daarom ontwikkelde Cornelis de Schepper rond 1550 een maritieme strategie. Hiervoor werd een klein aantal permanent beschikbare schepen - de Habsburgse oorlogsvloot in Veere - aangevuld met gehuurde schepen. Dit werd de eerste staande vloot van Nederland.

Door het tijdelijk inhuren van schepen had de Veerse oorlogsvloot meer macht dan op basis van de vaste vloot zou worden verwacht. Handelsschepen bleven tot het midden van de 17e eeuw van grote betekenis voor de vorming van oorlogsvloten in de Nederlanden en daarbuiten.