De Zuiderzee was een binnenzee in het noordelijk deel van Nederland die vanaf de 12e of 13e eeuw tot 1932 heeft bestaan. Tot 1932 was de oppervlakte circa 5.900 km².

Met de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 werd de Zuiderzee gesplitst in twee afzonderlijke wateren. Het afgesloten deel heet sindsdien IJsselmeer (waarvan later het Markermeer werd afgesplitst) en het niet-afgesloten deel kreeg de naam Waddenzee.Algemeen Handelsblad 23-09-1932 Later werden de Friese en Groninger wadden ook tot de Waddenzee gerekend.Schroor, Meindert, Dijken in Fryslân – Verkenning en overzicht (Leeuwarden: Bureau Varenius 2018) blz. 43

De Zuiderzee ontstond vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk als gevolg van een serie overstromingen. Daarbij verdween steeds meer land dat het oorspronkelijke meer – het Aelmere – van de Noordzee en de latere Waddenzee gescheiden had gehouden. Uiteindelijk ontstond een brede verbinding en werd het oorspronkelijke meer een binnenzee.

Ontstaan thumb|Het Flevomeer rond 500 v.Chr. thumb|Het Aelmere rond 800 n.Chr., nu een echt binnenmeer, waaruit na nog een paar grote overstromingen enkele eeuwen later de Zuiderzee ontstond. thumb|Zuiderzee, 1590 (Lucas Jansz Waghenaer)

Voorgeschiedenis

Ongeveer op de plaats van de Zuiderzee waren er vroeger zoetwatermeren, onder de Romeinen bekend als "Lacus Flevo" (Flevomeer) en later als het Aelmere.

Vroege menselijke bewoning Archeologische vondsten wijzen erop dat er reeds in de prehistorie sprake moet zijn geweest van menselijke bewoning in delen van het gebied dat overeenkomt met de latere Zuiderzee en de huidige IJsselmeerpolders. Nabij Schokland en in Oost-Flevoland zijn diverse sporen gevonden die wijzen op prehistorische menselijke aanwezigheid, al is niet altijd duidelijk of het hier om permanente bewoning ging. Aan de oostzijde van Schokland zijn wel sporen aangetroffen van grondbewerking met een eenvoudige ploeg, wat duidt op een langer verblijf. Op dezelfde plek zijn scherven van aardewerk uit de klokbekercultuur gevonden.van der Heide, G., p. 32-37 Er zijn ook schelpen aangetroffen, wat erop wijst dat reeds in de bronstijd de kustlijn geregeld doorbrak en er water uit zee het latere Zuiderzeegebied binnenstroomde.van der Heide, G., p. 38-39 Algemeen wordt aangenomen dat het gebied na de 3e eeuw al zo venig en moerassig was geworden dat het vrijwel onbewoonbaar was.van der Heide, G., p. 45-46 Er zijn echter nog sporen gevonden van minstens zestien woonconcentraties, acht in de huidige Wieringermeerpolder (een hiervan is Gawijzend) en acht in het gebied dat nu de Noordoostpolder is. Vermoedelijk gaat het hier om middeleeuwse dorpen daterend uit de 9e tot en met de 13e eeuw.M.F. Mörzer Bruijns en R.J. Benthem, p. 242van der Heide, G., p. 51-52

Van zoetwaterbekken naar binnenzee Gedurende de vroege middeleeuwen begonnen er grote veranderingen op te treden. Eerst ontstond in de 8e eeuw het Marsdiep. Onder invloed van het middeleeuws klimaatoptimum (de warme periode van ca. 800-1200) steeg de zeespiegel en de Noordzee kon via het Marsdiep steeds verder in het Aelmere doordringen. In 838 was er een eerste grote overstroming, waarbij volgens twee bronnen een groot aantal plaatsen werd verwoest. Daarna bleef het ruim twee eeuwen betrekkelijk rustig.

Tegen 1100 had het Aelmere zich al flink uitgebreid, vooral naar het zuiden en westen toe. De aanhoudende stormvloeden hadden tot gevolg dat er steeds meer land afbrokkelde.Bossaers, p. 15 Een serie stormen in de loop van de 12e en vooral 13de eeuw, waarbij grote delen van het veenland werden weggeslagen scheidde West-Friesland en Friesland van elkaar. Het begon met de Julianavloed in 1164 en de grote Allerheiligenvloed van 1170. Na de overstromingsrampen van 1212, 1214 en 1219 (eerste Sint Marcellusvloed) en 1248 brak het zeewater in het Aelmere in, waarbij naar verluidt de duinenrij bij Callantsoog werd weggeslagen. De natuurlijke barrières waren hiermee gebroken en het binnenmeer veranderde in een binnenzee. Na de stormramp van 1282 (waarbij de verbinding tussen Texel en het vasteland, het huidige Noord-Holland, werd doorbroken) en de desastreuze Sint-Luciavloed in 1287, waarbij vele tienduizenden doden vielen, was dit proces helemaal voltooid. Het Marsdiep vormde nu een rechtstreekse verbinding tussen de Noordzee en de nieuwe binnenzee.https://web.archive.org/web/20130716194149/http://www.atem.nl/CIV/NED/NH001.HTM Inmiddels was ook het Amsteldiep ontstaan. Het eiland Griend was door de stormvloed van 1287 helemaal onder water verdwenen, wat voor nog meer watertoevoer vanuit noordelijke richting zorgde.

Er zijn echter diverse aanwijzingen dat de Zuiderzee al vóór de Sint Luciavloed een echte binnenzee was geworden, misschien zelfs al in de 12e eeuw. Zo werden bij de Amstel in het midden van de 13e eeuw al dijken aangelegd, wat nodig zou zijn bij eb en vloed.Friedrich Arends, R. Westerhoff (1835) Natuurkundige geschiedenis van de kusten der Noordzee, p. 141

Dat er zoveel van het oorspronkelijke veenland werd weggeslagen, waardoor steeds meer water het Aelmere bereikte en er zo uiteindelijk een binnenzee kon ontstaan, kwam waarschijnlijk ook deels door menselijke activiteiten; er werd in die tijd steeds meer veen afgegraven en verbrand om zout te winnen en turf te stoken ("darinkdelven"). Doordat het afgegraven land (inclusief de maaivelden) daardoor steeds lager kwam te liggen en door de kwel kreeg het water van buitenaf er nog sneller vat op.Romein, J. en A., p. 22van der Heide, G., p. 61

Naam De oudst bekende vermelding van de ontstane binnenzee, onder de naam Sudersee, duikt op in een Duitse bron uit 1340.Een akte in het Groningse stadsarchief uit 1272 met een vermelding van de Sudersee is vermoedelijk vervalst. Deze aanduiding verwees in het bijzonder naar de zuidelijke ligging op de route die de Ommelandvaarders aflegden.http://www.regiocanons.nl/overijssel/land-van-vollenhove/land-van-vollenhove/de-zee Zij lag zuidelijk ten opzichte van respectievelijk de Oostzee en de noordelijke Noordzee. In Denemarken wordt voor de zuidelijke Noordzee (naast de naam Nordsøen) ook nog steeds de naam Vesterhavet (Westerzee) gebruikt. Tot voltooiing van de Afsluitdijk werd ook het gedeelte van de Waddenzee ten westen van het Borndiep als Zuiderzee betiteld. De Visserijwet van 1908 gebruikte hier voor het eerst de term Waddenzee. Een ministerieel besluit bekrachtigde in 1932 de naamsverandering van dit gebied.Bremer,Van Zuiderzee tot Waddenzee

Tweedeling De eigenlijke Zuiderzee viel, nadat deze eenmaal was ontstaan, uiteen in twee delen, die in een waterstaatkundige studie uit 1905 worden gekenschetst als het diepere "Friese Bekken" aan de noordkant en de minder diepe "Kom" ten zuiden daarvan. De delen werden van elkaar gescheiden door een trechtervormige opening tussen Enkhuizen en Stavoren. Het Friese Bekken was maximaal 8 tot 9 meter diep. De bodem ervan bestond in het oosten uit zand en in het westen (waar de Wieringermeer ligt) uit klei. In het Friese Bekken stond verder een sterke zeestroom afkomstig vanuit de Noordzee, die richting het zuiden steeds meer afzwakte. De Kom was maar 2 tot 4 meter diep en had een vlakke bodem die overwegend uit modder bestond. Bij een harde zuidwestenwind viel het IJ bij Amsterdam, op dat moment een zeearm, soms helemaal droog, terwijl het water aan de kust bij Overijssel enorm werd opgestuwd.Rooijendijk, p. 260 Er lagen enkele zandbanken voor de kust van Het Gooi, de Veluwe en Overijssel. Bomen die hier eerder hadden gegroeid verdwenen nu als gevolg van het zoute zeewater in combinatie met de getijden.

Overige kenmerken Door de open verbinding met de Noordzee was er in de Zuiderzee getijdenwerking, al werd die sterk getemperd doordat het water vanuit de Noordzee eerst tussen de Waddeneilanden door moest stromen; in de Kom was het verschil tussen eb en vloed daardoor 20 tot 55 centimeter. Het waterniveau werd aanzienlijk meer beïnvloed door op- en afwaaiingen, waardoor soms hele stukken van de Zuiderzee droogvielen.

Er werd al in de 18e en 19e eeuw verschil gemaakt tussen "de eigenlijke Zuiderzee", het Friese Bekken en het mondingsgebied, maar het is onduidelijk waar men de grens tussen de beide laatste legde. De visserijwet van 1908 hanteerde de lijn van Enkhuizen tot Stavoren als grens voor het gebied van de Zuiderzee-visserij; soms legde men deze grens ook noordelijker. De aquatische milieus in beide gebieden verschilden duidelijk; zo had de Zuiderzeeboezem helemaal geen geulen of droogvallende platen. Vanwege de geringe diepte en de geïsoleerde positie waren in de Zuiderzee bovendien de temperatuurverschillen tussen zomer en winter vrij groot; in de zomer kon het water 25°C worden, in de winter was het rond het vriespunt. Doordat er vanuit het noorden zout water werd aangevoerd terwijl onder andere de Vecht, Eem, IJssel en Zwartewater juist zoet water aanvoerden, was de Zuiderzee een overgangsgebied tussen zout en zoet water, al werd ze gaandeweg wel steeds zouter. Bij hoge rivierstanden werd er veel zoet water aangevoerd, bij een sterke westen- of noordwestenwind werd het water zout.van der Heide, G., p. 8-9Bossaers, p. 15-16

Eerste bedijkingen De plaatselijke bevolking legde primitieve dijken aan om hun woningen en later hun landbouwgrond te beschermen. De Diemerzeedijk dateert reeds uit de 13e eeuw. Rond 1300 werden in West-Friesland de Westfriese Omringdijk en in Waterland de Waterlandse Zeedijk aangelegd. In het noordwesten werden de dijken al van zeegras gemaakt, in het oosten (bijv. Schokland) was het water daarvoor toen nog te zoet. Teruggevonden terpen op Schokland die wel van zeegras zijn moeten dan ook pas van de middeleeuwen dateren. Op sommige plekken (zoals Wieringen) is om de dijken te bouwen behalve zeegras ook keileem gebruikt.van der Heide, G., p. 57-58

14e-18e eeuw thumb|De Slag op de Zuiderzee, Abraham de Verwer (1573) thumb|Die Zuyder Zee van Wenceslas Hollar (17e eeuw) thumb|Kaart van de Zuiderzee door Nicolaas Witsen (1712)De bewoners, die de overstromingsrampen hadden overleefd op het omliggende land, maakten er het beste van en werden actief in de handel. Vanaf het ontstaan van de Zuiderzee was de visserij er zeer belangrijk. In de eeuwen daarna speelde de binnenzee een rol bij de handel over zee en er vonden enkele belangrijke zeeslagen plaats. Verder vonden er geregeld overstromingen plaats.

Handel Handelsschepen bevoeren de zee. Havensteden – met name Kampen, Stavoren, Elburg en Harderwijk, die deelnamen aan de Oostzeehandel – behoorden afwisselend wel en niet tot de Hanze.van der Heide, G., p. 68-72 Uit bewaard gebleven tolregisters van de Sont blijkt dat in 1497 schepen uit vrijwel alle aan de Zuiderzee gelegen plaatsen deze doorgang passeerden.Boonenburg, p.29

Visserij Aan het eind van de middeleeuwen werd er gevist op steur en zalm die via de Zuiderzee op weg waren naar de rivieren. Deze vissoorten werden echter mettertijd schaarser.Boonenburg, p.37

Naarmate de bevolking toenam werd de vraag naar vis groter. Er werd veel gevist op kleinere vissen, zoals pietermannen, fint, baarzen, spiering en brasem.Blok, D.P. et al., p. 133-134 Steeds meer zoetwatervissen trokken vanwege de verzilting vanuit de Kom naar de kust van Friesland en Overijssel. Veel Hollandse vissers, die vaak een kuil gebruikten, gingen vervolgens ook die kant op en er ontstond concurrentie met de andere vissers, wat uitliep op conflicten. Uit het zouter geworden deel van de Zuiderzee verdween weliswaar de zoetwatervis, maar ansjovis en haring kwamen juist meer voor.Houtte, J.v., p. 212. Na de Slag op de Zuiderzee (1573) werd de haringvloot van Enkhuizen de grootste van het gewest Holland, gevolgd door De Rijp.Haringvisserij en De Rijp, houtenhuis.nl

Verzilting