De gnostiek is een religie die in de eerste eeuwen na Chr. ontstond en waarbij de verwerving van gnosis centraal stond. Dat was min of meer gelijktijdig met andere religieuze bewegingen waarin gnosis centraal stond, zoals het hermetisme, het mandeïsme en het derde-eeuwse manicheïsme. In de Nederlandse literatuur worden religies met gnosis als kernbegrip gezamenlijk weleens benoemd met het woord gnosticisme. Hoewel de opvatting niet onomstreden is op het vakgebied wordt de gnostiek door de meeste auteurs gezien als de uitdrukkingsvorm van de christelijke gnosis.
Gnosis (γνῶσις) is het Griekse woord voor 'kennis'. In de context van dit artikel is de essentie daarvan het verwerven van het inzicht in de oorsprong, huidige situatie en de bestemming van de mens. Het centrale thema is dat de mens afkomstig is uit een goddelijke wereld en in zijn aardse situatie een goddelijke kern in zich heeft die afkomstig is uit die wereld. Die kern is verstrikt geraakt in de materie of in het kwaad in de stoffelijke wereld. Demonische krachten, soms ook geïnterpreteerd als hartstochten of het noodlot, trachten die kern gevangen te houden in zijn lichamelijk omhulsel. Wie de werkelijke situatie kent en dus ook weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld heeft gnosis.
In de gnostiek vallen zelfkennis en godskennis samen. Wie de werkelijke situatie op aarde kent en zich bewust is van zijn goddelijke kern, kent zichzelf. Wie op die manier zichzelf kent, kent ook God en wie God kent, kent zichzelf. Gnosis is dus zowel zelfkennis als godskennis. Het is het opheffen van onwetendheid. In het Boek van Thomas de Strijder wordt vermeld: '''Wie geen weet heeft van zichzelf, weet niets; maar wie zichzelf kent, heeft ook kennis verworven van de diepte van het Al.' In Ware getuigenis staat: 'Dit is derhalve het ware getuigenis: als de mens zichzelf kent en God die de waarheid te boven gaat, zal hij gered worden en bekranst met de onvergankelijke krans.'
Het verwerven van gnosis was niet voor iedereen bereikbaar, maar was beperkt tot diegenen die dat waardig zijn. Het was deels esoterische kennis waarvan de kern geheim diende te worden gehouden.
Afbakening
Op het vakgebied is de afbakening van begrippen als gnostiek en gnosticisme een steeds terugkomend punt van debat. Een eerste moeilijkheid is al dat de termen in verschillende taalgebieden verschillend worden gebruikt. De gnostische religie heeft ook vele varianten. Sommige auteurs hanteren de term gnostiek alleen voor de groep grote mythologische constructies uit de tweede en derde eeuw. In die constructies is sprake van een breuk in de goddelijke wereld waar de wezenskern van de mens uit afkomstig is. Het belangrijkste kenmerk daarvan is het onderscheid tussen een hoogste god en een lagere, de demiurg. Het gevolg van een dergelijke afbakening zou zijn dat geschriften als bijvoorbeeld het Evangelie van Thomas niet als gnostisch beschouwd zou moeten worden. Dat kent geen beschrijving van de goddelijke wereld en het bestaan van een hogere en een lagere god komt in de tekst niet voor. De meeste auteurs geven echter op basis van het esoterische karakter van de tekst er de voorkeur aan dit evangelie toch als gnostisch te beschouwen. Andere auteurs geven voor de grote mythologische constructies de voorkeur aan een term als de mythologische gnosis.
Ook het feit dat in de gnostiek sprake is van meerdere verlossers leidt tot debat. Sommige onderzoekers spreken alleen van christelijke gnosis als Jezus Christus als verlosser optreedt. Anderen vinden herkenbaar christelijke elementen daarvoor voldoende. Er zijn ook onderzoekers die gezien de grote onderlinge verschillen in gnostische opvattingen en geschriften van opvatting zijn dat termen als gnostiek niet meer gehanteerd zouden moeten worden. De Amerikaanse onderzoeker Michael A. Williams heeft voorgesteld hiervoor de term 'biblical demiurgical traditions' te hanteren.In dit lemma is er voor gekozen om met de term gnostiek alle geschriften en daaraan gerelateerde opvattingen aan te duiden die vermeld staan in het tekstdeel Bronnen van dit artikel. Dit met uitzondering van de daarin ook voorkomende evident niet-gnostische geschriften, waarover op het vakgebied overeenstemming is. Artikelen over verwante stromingen, zoals hermetisme, mandeïsme en manicheïsme zijn te vinden in de :Categorie:Gnosis.
Beelden over gnostiek
Kennis over de gnostiek was lange tijd vrijwel geheel afhankelijk van geschriften van de kerkvaders. Die beschreven dat als een vorm van ketterij die bestreden diende te worden. Dat beeld is lange tijd bepalend geweest voor de opvattingen over gnostiek. Het werd op die wijze ook tot in de twintigste eeuw beschreven in de Europese literatuur. De term gnosticism werd in de vroegmoderne tijd voor het eerst in 1669 gebruikt door Henry More, een van de theologen die behoorden tot de kring van de platonisten van Cambridge. Dat was in een commentaar op zeven brieven aan zeven kerken in het tweede en derde hoofdstuk van de Openbaring van Johannes. Hij gebruikte de term om een leer van een zieneres in Thyateira te kenschetsen, die haar volgelingen zou verleiden tot 'de zogenaamde verborgenheden van Satan'.
In meer eigentijdse opvattingen is de gnostiek geen ketterse afwijking van een orthodoxe standaard, maar een stroming die onderdeel uitmaakt van de veelvormigheid van het vroege christendom.
Bronnen
Bij gebrek aan materiële bronnen berust de kennis van de gnostiek geheel op tekstmateriaal. Alle nu bekende gnostische teksten moeten oorspronkelijk in het Grieks geschreven zijn. Die Griekse teksten zijn voor het grootste deel verloren gegaan. Er zijn enkele fragmenten bewaard gebleven als onderdeel van de Oxyrhynchus papyri. Drie werken zijn in geschriften van kerkvaders in het Grieks bewaard gebleven. Dat zijn Brief aan Flora, Uittreksels uit Theodotus en de Valentiniaanse leerbrief. Alle andere bekende teksten zijn Koptische vertalingen. Het grootste deel van de gnostische teksten in de huidige vorm is in het Grieks geschreven tussen ongeveer 125 als vroegst mogelijke datering en 250. Enkele teksten kunnen dateren uit de tweede helft van de derde eeuw. Van een aantal teksten is het duidelijk, dat hieraan eerder geschreven, maar onbekende literaire bronnen ten grondslag liggen.
De eerste gnostische tekst die in een Koptische vertaling in het westen bekend werd was de Pistis Sophia, het enige manuscript van de omstreeks 1770 gevonden Codex Askewianes. Kort daarna werden in Egypte twee teksten gevonden die onderdeel waren van de Codex Brucianus. Eind negentiende eeuw werd de Berlijnse Codex gevonden. De drie gnostische teksten uit deze codex werden door een aantal oorzaken pas in 1955 gepubliceerd. De belangstelling voor de gnostiek kreeg een grote impuls toen in 1945 de Nag Hammadigeschriften werden gevonden. De vondst bestond uit dertien codices met in totaal eenenvijftig geschriften, waarvan er veertig tot op dat moment onbekend waren. Het grootste deel van die geschriften waren teksten uit de traditie van de gnostiek. In 1978 werd de Codex Tschacos gevonden, waarvan het Evangelie naar Judas de bekendste tekst is.
Invloeden Er zijn auteurs op het vakgebied geweest die van opvatting waren, dat gnostiek zich uit een andere religie ontwikkelde. Het beginpunt, de oorsprong van gnosis, zou dan een andere religie geweest moeten zijn. Die oorsprong werd door verschillende auteurs toegeschreven aan het platonisme, het jodendom dan wel het christendom.
Theürgie Het geloof in en praktiseren van magie was wijdverbreid in het Romeinse keizerrijk. Een vorm van magie was theürgie. Dit is een vorm van magie waarbij het gaat om bezwering ofwel het beheersen en aanwenden van het goddelijke ten bate van de mens. Theürgische ideeën en rituelen, zoals beschreven in bijvoorbeeld de Chaldeïsche orakelen, komen voor in zowel het neoplatonisme als in het hermetisme en de gnostiek.
In Zostrianus is bijvoorbeeld sprake van een opstijging van de ziel van Zostrianus langs dertien hemelsferen. De ziel van Zostrianus wordt met hulp van engelen naar een steeds hogere sfeer begeleid. Zostrianus stelt bij iedere sfeer vragen en krijgt antwoorden in de vorm van openbaringen. Bij ieder hemelniveau wordt Zostrianus gedoopt, wordt zijn ziel verder gezuiverd en roept hij de goddelijke gestalten van dat niveau aan. Dat gebeurt door magische formules met een theurgische functie.
Platonisme
Er zijn auteurs die de gnostiek weleens benoemd hebben als 'op hol geslagen platonisme'. Die uitspraak is gebaseerd op raakvlakken tussen platonische en gnostische voorstellingen over de geestelijke wereld en het Zijn. Dat gaat al terug tot Plato. In de ideeënleer wordt geformuleerd dat de ziel voor de geboorte in de Ideeënwereld aanwezig was en daar volmaakte kennis van de Ideeën heeft opgedaan. De ziel wenst ook terug te keren naar de goddelijke werkelijkheid.
Het werk van de Griekse middenplatonistische filosoof Numenius van Apamea (midden tweede eeuw) vertoont de meeste raakvlakken met gnostische voorstellingen. Numenius onderscheidt een oergod (Het Goede, de Vader) die hij als een groot intellect voorstelt en daarnaast een tweede, scheppende god, de demiurg van Plato's Timaeus. Deze tweede god is ook goed en wordt eveneens Nous genoemd. Hij heeft echter een hang naar de materie. Hij is dan ook tegelijkertijd een derde god, een wereldziel, die aan ongeordende materie verder door schepping vorm geeft. Dit blijft echter nog steeds ver verwijderd van de kern van de gnostiek. De demiurg van Numenius is goed en niet boosaardig of op zijn minst dwaas zoals in de gnostiek. De gnostische geschriften hebben ook niet de bedoeling een filosofie uiteen te zetten, maar zijn in de eerste plaats religieuze teksten. De notie van een Verlosser die de onwetendheid kan opheffen is de Griekse filosofie vreemd. Gnostici zochten persoonlijke religieuze zekerheid en hadden geen enkele behoefte aan de formulering van een filosofisch-theoretisch kader om hun ideeën en praktijken te verklaren.
Ook in het neoplatonisme kon er hevige kritiek op de gnostici zijn. De grondlegger ervan, Plotinus (derde eeuw), had gnostische geschriften zoals de sethiaanse Allogenes, Marsanes en Zostrianus gelezen. In zijn traktaat Tegen de gnostici bestrijdt hij diverse gnostische leerstukken, zoals de stapeling van hypostasen in de gnostiek naast de door hem benoemde Ene, Geest, en Ziel. Plotinus keert zich ook tegen de opvatting, dat de wereld opzettelijk kwaadaardig zou zijn gemaakt door een lagere entiteit als de demiurg. Plotinus formuleerde dat een deel van de gnostische voorstellingen aan Plato was ontleend, maar 'wat zij aan nieuwlichterij te berde brengen, met het doel hun filosofie te poneren, heeft met de waarheid niets te maken '. Plotinus' positieve waardering van de kosmos en een theôria als kosmische kracht die alles in stand houdt zijn noties die hij ontwikkelde als gevolg van zijn polemiek. Zijn beschrijving van de ziel vertoont echter ook gnostische invloeden.
Van alle gnostische stromingen vertoont het sethianisme de duidelijkste platonische invloed, in het bijzonder die van het middenplatonisme. Die middenplatonische bronnen komen wellicht overeen met bronnen van Plotinus. Dat zou verklaren waarom zij filosofische ideeën en terminologie delen. In de sethiaanse Marsanes zijn metafysische en rituele elementen bijvoorbeeld ook te herleiden tot het neopythagorisme of de neoplatonist Jamblichus.
Jodendom