De boommarter of edelmarter (Martes martes) is een klein, langwerpig, bruinharig roofdier. Hij weegt gemiddeld 1-2 kg, heeft een kop-romplengte van ongeveer 45 cm en een staart van zo'n 25 cm. Hij is wijdverspreid in westelijk Eurazië. Hoewel het dier een jager is, heeft hij een omnivoor dieet. De boommarter leeft in bossen van verschillende samenstelling, maar heeft zich in de afgelopen decennia verspreid naar bossteppe- en landbouwgebieden. In sommige gebieden wordt hij bejaagd, voornamelijk in de winter. In enkele landen is het aantal dieren in de 20e eeuw aanzienlijk afgenomen, maar op dit moment staat hij op de Rode Lijst van Bedreigde Soorten van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources als "Least Concern" (LC).

Kenmerken thumb|Potloodtekening van Jos Zwarts thumb|De boommarter loopt met een gekromde rug De boommarter is een klein, vleesetend landzoogdier ter grootte van een huiskat. Hij heeft een langwerpig lichaam met een kleine driehoekige kop. Hij loopt op de voorvoet en heeft relatief korte poten met vijf vingers. De achterpoten zijn langer dan de voorpoten. Bij het lopen en springen is de rug omhoog gebogen. Het mannetje is 10-15% groter dan het vrouwtje. De grootte verschilt over het verspreidingsgebied, waarbij individuen in het oosten gemiddeld kleiner zijn dan die in het westen. Mannetjes wegen tussen 0,7 en 2,4 kg en de vrouwtjes van 0,6 tot 1,4 kg. Van neuspunt tot staartaanzet zijn de mannetjes tussen 38 en 57 cm en de vrouwtjes van 34,5 tot 50 cm. De staart van de mannetjes is 18,5 tot 30 cm, en die van de vrouwtjes tussen 17,5 en 28 cm. De lengte van de oren is bij de mannetjes 3 tot 5,4 cm en bij de vrouwtjes 3 tot 4,8 cm.

De vacht van de boommarter is eenkleurig, maar kan per dier verschillen van lichtbruin tot kastanjebruin, vrijwel altijd met een oranje- tot lichtgele, zelden crèmekleurige of witte, langwerpige, soms naar achter verbrokkelende keelvlek. De staart is pluizig en dicht, meer dan de helft van de lichaamslengte en donkerder aan de punt. De vacht is vrijwel verstoken van grijze haren en glans. Het verschil in kleur van het lichaam en de kop is verwaarloosbaar. De zomervacht is donkerder dan de wintervacht. Boommarters met albino, melanistische of andere afwijkende vachtkleur worden zelden gevangen. Ongeveer 50% van de vrouwtjes heeft een donkere vacht, duidelijk meer dan bij de mannetjes met zo'n 30 %. De keelvlek van de boommarter strekt zich niet uit tot de voorpoten. Boommarters uit Sardinië hebben een oranjegele vlek, terwijl individuen in de Alpen en het noordelijke deel van het Italië een lichtgele vlek hebben. Slechts ongeveer 2,5% heeft helemaal geen keelvlek en minder dan 2% van de vlekken is wit.

De neuspunt is donker of zwart. De bovenlip is dicht bezet met snorharen. De oren hebben een lichtgele rand. In de zomer zitten er 190–250 dekharen per 1.000 donsharen op de huid van de boommarter. Deze dekharen zijn 23–27 mm lang met een diameter van 100–150 μm en de donsharen zijn in die periode 11–12 mm lang en 15–16 μm in diameter. In de winter zitten er op de huid 63–83 dekharen per 1.000 donsharen. Die dekharen zijn 36–38 mm lang met een diameter van 75–90 μm, terwijl de winterdonsharen 22–22,5 mm lang en 14–14,5 μm in diameter zijn. De rui duurt van eind april tot begin juli in de lente en zomer en van augustus tot november in de herfst. De rui in de lente vindt eerst plaats op de kop en verschuift geleidelijk naar de staart. In de herfst is de volgorde omgekeerd. De voorjaarsrui begint in maart en duurt tot begin juni, en de herfstrui duurt van eind augustus tot begin november. De timing van de rui hangt af van de conditie en voeding van het individu, zijn leeftijd en het weer. De rui verloopt sneller in de herfst.

In noordelijke delen van de verspreiding begint de voorjaarsrui 1-2 weken later dan in zuidelijke delen. De boommarter heeft zijn volledige wintervacht ongeveer 5 maanden en zijn zomervacht ongeveer 2 maanden. Volwassen vrouwtjes ruien sneller dan mannetjes, en minder goed gevoede individuen sneller dan dikke of zieke individuen. In het wild wordt de boommarter zelden 10 jaar of ouder. Het percentage individuen dat 6-7 jaar oud werd, was 5%, 7-8 jaar oud 3,5% en 10 of meer jaar oud 1,5%. In gevangenschap kan de soort tot 18 jaar oud worden. De boommarter heeft 19 paar chromosomen (2n=38).

Ontwikkeling De boommarter heeft een verlengde draagtijd. Na de bevruchting in de zomer verandert de blastocyste van 0,8-1,0 mm niet veel van grootte tijdens de eerste 6-7 maanden van de zwangerschap. Aan het einde van de winter vóór de implantatie zijn de corpora lutea in de eierstokken ongeveer 1,2-1,3 mm, maar in maart groeien ze tot 1,7-1,8 mm. Bij de geboorte wegen boommarters 20-27 g. De gehoorgangen openen na 28-33 dagen en de ogen na 30-36 dagen. Jongen zijn bedekt met lichtgrijs jeugddons dat in een paar dagen grijsbruin wordt. Vanaf 40-45 dagen oud komen de hoektanden en snijtanden door. Jongen voeden zich 1,5 tot 2 maanden met moedermelk en gaan dan geleidelijk over op vlees. Jongen verlaten het nest als ze 37-40 dagen oud zijn. In juli, op de leeftijd van 10 weken, wegen jongen ongeveer 0,4 kg. De vrij snelle groei van de jongen gaat door tot de herfst, wanneer ze 0,6-0,7 kg bereiken (80% van het lichaamsgewicht van volwassenen), en ze uiterlijk nauwelijks te onderscheiden zijn van hun ouders. Rond deze tijd verlaat de moeder de jongen en worden ze onafhankelijk. Jonge boommarters ruien voor het eerst in september.

Anatomie thumb|Zijaanzicht schedel, onderkaakvensters zichtbaar thumb|onderaanzicht schedel en bovenaanzicht onderkaak Het gebit van de boommarter lijkt erg op dat van de sabelmarter en de Amerikaanse marter. De tandformule van de volwassen boommarter is , dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, vier valse kiezen en een ware kies in elke helft van de bovenkaak, en drie snijtanden, een hoektand, vier valse kiezen en twee ware kiezen in elke helft van de onderkaak. De gemiddelde lengte van de bovenste tandrij bij mannetjes die gevangen werden in Oost-Duitsland was 30,5 mm en bij vrouwtjes 28,6 mm en de lengte van de onderste tandrij was 35 mm bij de mannetjes en 32,8 mm bij de vrouwtjes. Bij dieren uit Zweden was de gemiddelde lengte van de bovenste ware kies 6,5 mm bij mannetjes en 5,75 mm bij vrouwtjes, en de breedte was 8,6 en 7,9 mm. In een populatie in Polen is de lengte van de onderste kies 9,9 mm bij mannetjes en 9,0 mm bij vrouwtjes. De boommarter heeft De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 14 borstwervels, 6 lendenwervels, 3 heiligbeenwervels en 15-22 staartwervels, 45-52 in totaal. Het hart van de boommarter is niervormig, ligt tussen de 6e en 10e rib, en de punt is gericht op de linker heup. Het hart was tussen 8,5‰ en 9,75‰ van het lichaamsgewicht. De hersenen zijn relatief groot ten opzichte van andere marterachtigen met 18,5‰ van het lichaamsgewicht.

Verschillen met verwante soorten De boommarter lijkt in bouw erg op de sabelmarter, de steenmarter, de Amerikaanse marter en de Japanse marter. De vacht is weelderig en zacht, zonder de glans en grijsheid die kenmerkend zijn voor sabelmarter. De kleur van de boommarter is monotoon chocoladebruin, geelbruin tot lichtgeel, zelden donkerbruin. De kop heeft dezelfde kleur als de rug, terwijl de kop bij de sabelmarter en de Japanse marter lichter is en bij de Maleise bonte marter en de Nilgirimarter donkerder. De poten zijn bruin tot zwart, de vingertoppen zijn in de winter dicht behaard, net als bij de sabelmarter maar in tegenstelling tot bij de steenmarter, en de klauwen zijn beige. Een gele of licht oranje, langwerpige, slabvormige vlek komt bijna altijd voor op de hals die uitstrekt tot aan de basis van de voorpoten. Die vlek is zelden witachtig, zoals bij de steenmarter.

De neuspunt is zwart, in tegenstelling tot de vleeskleurige neus van de steenmarter. De bossige staart van meer dan 19 cm bij vrouwtjes en 22 cm bij mannetjes is de helft tot twee derde van de lichaamslengte en heeft ongeveer dezelfde kleur als de rug, met pluizig haar en een doffe bruine tint. Het uiteinde is puntig. De kortere staart van sabelmarter van hooguit 17,2 cm bij vrouwtjes en minder dan 19 cm bij mannetjes, is hooguit half zo lang als het lichaam en heeft een stomp, rond uiteinde. Verschillende kenmerken van de schedel kunnen worden gebruikt om de boommarter te onderscheiden van de sabelmarter en de steenmarter. Vergeleken met de sabelmarter heeft de boommarter relatief langwerpige rotsbeenderen en is de afstand ertussen groter.

Bij de boommarter heeft de rand van de gehemelteboog een duidelijke uitgroeisel, in tegenstelling tot bij de sabelmarter. De neusbeenderen hebben in tegenstelling tot die van de steenmarter een lichte vernauwing in het midden. In tegenstelling tot bij de steenmarter, is de afstand tussen de onderkaakvensters (twee depressies onder de valse kiezen in de onderkaak) bij de boommarter groter dan de diameter van de onderste hoektand. De lengte van de binnenste lob van de voorste ware kies is meer dan 70% van de breedte. De versmalling van de schedel voor de ogen van de boommarter is forser dan bij de steenmarter en de sabelmarter. Het penisbot van de boommarter is 39–46 mm, vertakt aan het uiteinde om daar een gesloten ring te vormen, terwijl het penisbot van de sabelmarter een gevorkt uiteinde heeft.

Taxonomie thumb|Illustratie uit: British mammals: an attempt to describe and illustrate the mammalian fauna of the British islands from the commencement of the Pleistocene period down to the present day, door Sir Harry Johnston (1903) De boommarter is voor het eerst geldig voor de wetenschap beschreven door Carl Linnaeus in de 10e editie van zijn standaardwerk Systema naturae, gebaseerd op een collectie uit een oud bos in de omgeving van zijn nieuwe woonplaats Upsala. Hij gaf het dier de naam Mustela martes. De Duitse natuurhistoricus Lorenz Oken noemde de soort in 1816 Mustela sylvestris, maar deze naam is niet beschikbaar. In 1827 bracht de Engelse advocaat en natuurliefhebber Edward Griffith het dier onder in een nieuw geslacht en creëerde de naam Martes vulgaris. De Zweedse zoöloog Sven Nilsson maakte in 1847 de nieuwe combinatie Martes sylvatica. De combinatie Martes abietum werd in 1865 gemaakt door John Edward Gray.

De Britse militair Gerald Edwin Hamilton Barrett-Hamilton meende in 1904 dat exemplaren van Sardinië zodanig afwijken dat ze een afzonderlijke ondersoort vormen die hij Martes martes latinorum noemde. In 1912 vond Filippo Cavazza ook de boommarters uit zuidelijk Italië afwijken en waarvoor hij de combinatie Martes martes var. notialis voorstelde. Sergej Ognjov meende in 1926 dat dieren uit de Russische provincies Koeban en Moskou elk tot een eigen ondersoort behoren en stelde de namen Martes martes lorenzi en Martes martes ruthena voor. In 1941 volgde Boris Alexandrovitsj Koeznetsov met de naam Martes martes ruthena borealis voor dieren uit de provincie Arkhangelsk en Martes martes uralensis voor dieren uit de zuidelijke Oeral. Nikolay Alekseyevitsj Bobrinski stelde de combinatie Martes martes borealis voor in 1944. In 1947 beschreef Pjotr Borisevitsj Jurgenson Martes martes sabaneevi van de Petsjora rivier in het noordelijke Oeral-gebergte. Alcover, Delibes, Gosálbez, en Nadal meenden in 1986 dat de boommarters op het Spaanse eiland Menorca zoveel afwijken dat ze daarvoor de ondersoort Martes martes minoricensis in het leven riepen. I.Y. Pavlinov en O.L. Rossolimo vervingen in 1987 de onjuiste naam Martes martes ruthena borealis van Koeznetsov uit 1944 door Martes martes kuznetsovi. Aangezien de oudste beschikbare soortnaam moet worden gebruikt en het bij dieren is toegestaan dat geslachtsnaam en soortnaam identiek zijn, is de juiste wetenschappelijke naam van de boommarter Martes martes.