Oostendse Compagnie220px 19 december 1722 Oprichting 1 september 1723 Begin intekenen op de aandelen 6 oktober 1723 Eerste zitting van het directiecomité 10 februari 1724 De eerste 4 schepen vertrekken vanuit Oostende, 2 naar China, 1 naar Bengalen en 1 naar Mokka 31 mei 1727 Octrooi voorlopig geschorst 16 maart 1731 Octrooi definitief geschorst op het Verdrag van Wenen Oprichtingskapitaal 6.000.000 gulden Maatschappelijke zetel Antwerpen Bestemmingen Bengalen, China, Mokka miniatuur|Voorblad van het oprichtingsoctrooi van de Oostendse Compagnie (1723) (Collectie Erwin Mahieu) thumb|Aandeel van de Oostendse Compagnie van 2 september 1723
De Oostendse Compagnie is de gebruikelijke benaming voor de Generale Keizerlijke Indische Compagnie (of Compagnie Générale Impériale et Royale des Indes), een handelsonderneming die werd gesticht op 19 december 1722 in de Zuidelijke Nederlanden, die toen in bezit waren van het Habsburgse Oostenrijk. De Oostendse Compagnie werd opgericht als concurrent van de Vereenigde Oostindische Compagnie uit de Noordelijke Nederlanden.
Voorgeschiedenis De Vrede van Münster, die in 1648 een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, bevatte een verbod voor Spaanse onderdanen om hun overzeese handel met Oost-Indië uit te breiden, wat dus ook de Spaanse Nederlanden trof.Artikel 5: Voorts is besproocken en gestipuleert, dat de Spagnaerden sellen blijven bij hare vaerten in soodaniger wegen als zij deselve in Oost Indien alsnoch hebben, sonder hun verder te mogen extenderen Toen de Vredes van Utrecht en van Rastatt de soevereiniteit over het gebied in 1713-1714 overdroegen van de Spaanse naar de Oostenrijkse Habsburgers, voelden de Zuid-Nederlanders zich niet meer gebonden door deze beperking.Dhondt 2015, p. 406 Aangezien de Schelde gesloten was voor rechtstreekse vaart, was Oostende de meest geschikte haven voor overzeese handel. Van daaruit stuurde Thomas Ray de Sint-Mattheus op 17 juni 1714 naar Surat, met groot commercieel succes bij de terugkeer op 30 augustus 1716.
De V.O.C. wilde deze concurrentie te allen prijze verhinderen en kaapten op 27 april 1719 de Oostendse Marquis de Prié voor de Guineekust (in de buurt van fort Laxim). Het antwoord van de Oostendenaren was het kapen van het V.O.C.-schip Commany (gevuld met ivoren olifantentanden) op 23 oktober 1719. Op 4 juli 1719 voer de Prince Eugène terug naar Oostende met voor een fortuin aan Kantoneese thee aan boord.
Mede dankzij de kwistige vergunningen van de markies van Prié bloeide de privévaart vanuit Oostende.Dreijer 2018, p. 50-51 Diverse binnenlandse ondernemers, die thee verscheepten uit China, zagen in een compagnie het middel om een rem te zetten op de groei van de trafiek, die de prijzen begon te drukken. Hoewel ze geen dure factorij wensten zoals de eerste groep, was er voldoende gemeenschappelijk belang om elkaar te vinden. Toen de markies van Prié aan invloed verloor ten gunste van Eugenius van Savoye en Patrick MacNeny, begon ook in Wenen het tij te keren. In 1721 kende de keizer Karel VI het octrooi toe.
Het oprichtingsoctrooi De eerste versie van het octrooi was klaar in december 1722: de compagnie kreeg zeven directeurs: drie uit Antwerpen, drie uit Gent en één uit Oostende. Hierin stond echter dat de Oostendse Compagnie de keizer moest bijstaan in tijden van oorlog. De directeurs waren hier niet mee akkoord en weigerden mee te werken. Zij gingen pas akkoord met een tweede, aangepaste versie die op 18 juli 1723 werd uitgevaardigd. Om de keizer geen gezichtsverlies te laten lijden, werd het octrooi geantidateerd op 19 december 1722.
Het oprichtingsoctrooi gold voor een termijn van dertig jaar en bevatte 103 artikels. De Oostendse Compagnie kreeg het monopolie op de handel tussen de Oostenrijkse Nederlanden en Azië, Amerika en Afrika. Daarnaast kreeg de multinationale onderneming een verregaande autonomie om handelsverdragen te sluiten met buitenlandse vorsten (zolang de belangen van de keizer niet werden geschaad). De keizer moest van zijn kant de commerciële autonomie van de firma respecteren.
Verder bevatte het oprichtingsoctrooi allerlei regels en afspraken over de werking van het bedrijf.
Vlaggen Artikel vijf bijvoorbeeld, lijstte de symbolen op die de Oostendse Compagnie mocht gebruiken. Elk schip voerde vier vlaggen: één op elk van de drie masten en eentje bij het achtersteven.
Op de voorste mast: de Leo Belgicus in zilver (wit) op een veld van keel (heraldisch rood); de kleuren zouden kunnen verwijzen naar Oostenrijk, terwijl de leeuw het symbool van de Vlaamse gewesten is.Reconstructie op basis van archiefdocumenten door Mirella Marini, curator van de tentoonstelling ‘300 jaar Oostendse Compagnie’ in het Stadsmuseum van Oostende (1 november 2023 - 15 mei 2024) Op de middelste mast: het wapenschild van de firma dat bestond uit een geraguleerd Andreaskruis in een zilveren vuurgloriole, op een veld van goud (heraldisch geel). Dit wapen kwam ook voor op zegels, documenten en op de kanonnen van de Oostendse Compagnie. Op de achterste mast werd een rood geralugeerd Andreaskruis op een wit of zilveren vlak afgebeeld. De keizerlijke vlag van het Heilig Roomse Rijk.
Werking De zetel van de Compagnie was gevestigd in de Antwerpse Beurs. De veilingen van de aangevoerde goederen werden te Oostende en Brugge gehouden. De vergaderingen van de directeuren moesten de eerste drie jaar worden gehouden te Antwerpen, de volgende jaren te Brugge of te Gent. Het kapitaal van de Compagnie was vastgesteld op 6 miljoen gulden, te verdelen over 6000 aandelen van ieder 1000 gulden. Op 1 september 1723 werd gestart met de intekening op de aandelen, die in anderhalve dag opgenomen werden door zakenlieden, edellieden en regeringsambtenaren. Twee derde van de inschrijvingen was afkomstig uit Antwerpen, al waren er ongetwijfeld stromannen die voor rijkere heren intekenden.Dreijer 2018, p. 54
Aangezien de compagnie zeer succesvol was, werden de aandelen slechts voor 75% volgestort en bedroeg het bedrijfskapitaal 4.500.000 gulden. De eerste zitting van de directie had plaats te Antwerpen op 6 oktober 1723. De eerste vier schepen van de Compagnie voeren van Oostende uit op 10 februari 1724; twee waren bestemd voor China, een voor Bengalen en een voor Mokka. Weldra werden ook factorijen opgericht in Banquibazar en in Bhourompour.
De handelsactiviteiten richtten zich op twee gebieden: China en Bengalen, waarbij de Chinahandel de belangrijkste was. De Oostendse Compagnie was de eerste van het West-Europese vasteland die zich volledig toelegde op de handel met Kanton. De lading van de heenreis van de compagnieschepen bestond meestal uit zilverpiasters en lood als scheepsballast. De retourladingen bestonden uit zwarte Boelthee, zijden stoffen uit Nanjing, porselein en chinoiserieën.
Het vertrek van schepen uit Oostende was sterk seizoensgebonden vanwege de wind. De Oost-Indiëvaarders vertrokken tussen eind november en begin maart. De heersende westenwind die vanuit het Kanaal kwam aanwaaien, was soms zo sterk dat schepen weken op de Oostendse rede moesten wachten. Eenmaal door het Kanaal vervolgden de schepen hun route langs de Canarische en Kaapverdische eilanden. Vanaf die eilanden bracht de noordoostpassaat hen soms zelfs tot aan de Braziliaanse kust. Vervolgens werd de koers verlegd naar het zuidoosten om opnieuw de Atlantische Oceaan over te steken. De bedoeling was om ten zuiden van Afrika uit te komen om daar gebruik te maken van de 'Roaring Forties'. Die sterke, maar verraderlijke westenwinden voerden schepen mee over het zuidelijke deel van de Indische Oceaan. Op het juiste moment, naargelang de bestemming (India of China), verlegden de schepen hun koers naar het noorden. Wanneer alles goed verliep, kwamen ze na een reis van zes à zeven maanden op hun bestemming aan. De Oostendse schepen verbleven ongeveer vijf maanden in Azië. De terugreis duurde opnieuw ongeveer zes à zeven maanden. De meeste schepen waren tegen het einde van de zomer of het begin van de herfst terug in Oostende.uitleg op de tentoonstelling ‘300 jaar Oostendse Compagnie’ in het Stadsmuseum van Oostende (1 november 2023 - 15 mei 2024)
Producten De VOC concentreerde zich op de specerijenhandel en had bijna een monopolie op heel Oost-Azië. De gemiddelde winstmarge van de Chinahandel van de Oostendse Compagnie bedroeg 158%, wat aanmerkelijk beter was dan de rendementen die door buitenlandse compagnieën werden gerealiseerd.
Indisch katoen India leverde naast zijde nog een veelheid aan producten, zoals arak (sterke drank), borax (voor de glasindustrie), sandelhout, specerijen, lak, rotan en salpeter. Maar het Indische exportproduct bij uitstek was katoenen stof. In het 18e-eeuwse Europa stonden deze bekend als 'indiennes'. Katoen was al sinds de Oudheid gekend in Europa, maar tot de 18e eeuw werd de Europese textielnijverheid overheerst door wol en linnen.
De groei van de Indische textielindustrie in Bengalen maakte het mogelijk om vanaf de 17e eeuw op grote schaal indiennes naar Europa te exporteren. Ook de Oostendse Compagnie pikte in op de grote vraag naar deze lichte, soepele, gemakkelijk wasbare en kleurrijke stoffen.
Fijn geweven en gebleekt katoen stond bekend als mousseline. Ongebleekte grof geweven katoenen stoffen werden calicots genoemd. Zowel op de mousseline als op de calicot konden motieven worden gedrukt of gestempeld met houten blokken. Deze gedrukte stoffen stonden bekend als chintzen (of sitsen) en waren razend populair in Europa.
Zijde Voor onze jaartelling werd zijde via de Zijderoute geëxporteerd naar het oude Egypte, Griekenland en het Romeinse Rijk. Toch bleven Chinese en Indische zijde bijzonder geliefd in Europa vanwege de superieure kwaliteit. De Oostendse Compagnie importeerde zijde uit beide landen, die elk verschillende soorten producten produceerden. Uit India kwam het zeer fijne armosijn, de gebloemde damast, de sterke cabessazijde en de grovere barigazijde. De fijnste zijde was echter de lankinzijde uit Nanjing.
Thee De theeplant werd in China al zeker vanaf het begin van onze jaartelling gedronken. De eerste vermeldingen van theedrinken in Europa dateren van het midden van de 16e eeuw. Toen kwam thee met mondjesmaat per karavaan in Europa aan. In de 17e eeuw startte de VOC met het invoeren van thee uit Zuid-China. Zij smokkelden thee in rieten manden via Formosa naar Batavia en vandaar verder naar Amsterdam. Die theelading was soms twee jaar onderweg en verloor bijgevolg veel van zijn aroma. Toen de Chinese markt aan het begin van de 18e eeuw werd heropend, vervoerde de Oostendse Compagnie haar lading thee in houten met lood verzegelde en hermetisch afgesloten kisten. Acht maanden later kon op die manier een aromarijke thee op de Europese markt worden aangeboden. Dit bracht een ware consumptierevolutie met zich mee.
De Compagnie importeerde ongeveer 1.000 ton thee tijdens haar bestaan, 58% van de in Europa geconsumeerde hoeveelheid thee tussen 1725 en 1728. De VOC kwam nooit verder dan een marktaandeel van 13%. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept, waarbij bovendien door slechtere verpakkingen en extra overladen de kwaliteit nog verder werd geschaad.
Porselein