Jan Blanken (Bergambacht, 15 november 1755 – Vianen, 17 juli 1838) was een Nederlands waterbouwkundig ingenieur. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de bouw van Droogdok Jan Blanken, Rijkswerf Willemsoord en de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal.

Biografische gegevens Jan Blanken, zoon van de timmerman Jan Theunisz Blanken en Niesje Ariensdr Blieck (later ook den Bliek genoemd), trad in de voetsporen van zijn vader, die waterbouwkundige was in Bergambacht en vanaf 1762 in Haastrecht. Blanken sr. was belast met het ontwerpen en bouwen van molens, sluizen en dijken in de Krimpenerwaard. De jonge Jan Blanken vergaarde bij zijn vader de praktische kennis voor het ontwerpen, verbeteren en beheren van waterstaatkundige objecten. Blanken huwde in 1777 met Maria van Lakerveld die hem 3 kinderen schonk.

Het eerste grote project voor Blanken jr. was het droogdok te Hellevoetsluis waarvan de bouw in 1798 startte. Bijzonder hierbij was dat een stoommachine deel uitmaakte van het ontwerp. Het was een van de eerste in Nederland. In 1808 ontwierp Blanken ook een nieuwe sluisdeur, de waaiersluis. Dit was ook het begin van het conflict met Adriaan Goudriaan. Met betrekking tot de aanleg van militaire maritieme zaken adviseerde hij onder meer keizer Napoleon Bonaparte, in dat verband was hij verantwoordelijk voor de totstandkoming van de Rijkswerf Willemsoord te Den Helder. In 1808 werd Blanken, ten tijde van het Koninkrijk Holland Inspecteur-Generaal bij Waterstaat. Hij bleef dat, onder koning Willem I, tot en met 1826. De meeste bekendheid kreeg Blanken door de realisatie van het Noord-Hollands Kanaal tussen Amsterdam en Den Helder. Hij wordt vaak geciteerd als verantwoordelijk voor de plaatsing van het systeem van strandpalen langs de Nederlandse kust, maar een primaire bron is hiervoor niet te vinden. Wel is uit de biografie van Johan Ortt van Schonauwen door Ramaer uit 1911 af te leiden dat deze met het idee van strandpalen kwam rond 1843 (dus na het overlijden van Jan Blanken).

Ook zijn broer Arie Blanken (1766-1824) en zijn neef Jan van Lakerveld Blanken (1793-1885) werden, net als een oom, waterbouwkundig ingenieur bij Waterstaat. Zijn jongere broer Willem Jansz Blanken (1769-1831) was opziener in dienst van het Hoogheemraadschap Delfland. Eerste werkkringen en militaire carrière Hij werd in 1775 eerste-ordinaris opzichter van de eilanden Voorne, Goeree en Overflakkee, waar hij bij de stormvloeden van november 1775 en februari 1776 goede diensten bewees. Hij gaf hier reeds blijk van die energie, die hem zijn gehele leven gekenschetst heeft. Tijdens de vierde Engelse Oorlog (1780-84) droeg hij bij tot het in orde maken der vestingen den Briel en Hellevoetsluis en tot den aanleg van een aantal batterijen langs de gehele Hollandsche kust. Hij ontving voor deze diensten een gratificatie van ƒ 400. In 1785, bij de geschillen met keizer Jozef II als heer der zuidelijke Nederlanden, werd hem het verkennen van de Schelde opgedragen, en in de daarop volgenden winter werd hij belast met het in staat van verdediging brengen van de grens met de genoemde landen. Tot beloning van zijn diensten werd hij in 1785 tot luitenant der artillerie ter standplaats Hellevoetsluis benoemd. Tijdens de onlusten van 1787 redde hij uit de handen van het gepeupel drie patriotten, die hij uit Hellevoetsluis naar Abbenbroek in veiligheid bracht. In 1792 behaalde hij twee prijzen met antwoorden op prijsvragen van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen en van het Bataafsch Genootschap van proefondervindelijke wijsbegeerte. In 1793 was hij tijdens de belegering van Willemstad betrokken bij het aan de noordzijde van het Hollandsch Diep tot opstellen van batterijen. Hij werd tot kapitein der artillerie benoemd in 1794 en belast met het organiseren van de artillerie bij de ‘landzaten’, een korps dat toen voor de verdediging gevormd werd. In oktober 1794 richtte hij versterkingen langs den Lekdijk bij Vreeswijk en meer noordelijk tot aan de Oude Rijn op. Maar hij was niet in de gelegenheid ze te verdedigen omdat de Franse troepen onder Pichegru in januari 1795 met hun kanonnen de bevroren Lek overstaken, zodat de provincie Utrecht met hem capituleerde, alvorens een schot gelost was. Blanken trok met zijn troepen op Woerden terug en kreeg het bevel over de stad Oudewater.

De Bataafse Republiek miniatuur|Tekening van het dubbel droogdok te Hellevoetsluis In dienst van de Bataafse Republiek werd hij in maart 1795 benoemd tot lid der door het bestuur van de door die Republiek ingestelde commissie van superintendentie over de zeedijken, onder voorzitterschap van Christiaan Brunings. Het gevolg van deze benoeming was dat zich veel meer met de waterstaat ging bezighouden. In 1796 beantwoordde hij een prijsvraag van het Bataafsch Genootschap over de mogelijkheid (die door velen ontkend werd) om in onzen slappen bodem droge dokken aan te leggen. In 1797 kreeg hij de opdracht om studiereis naar Frankrijk te maken tot onderzoek der havens en hun militaire verdediging. Hij kreeg in1798 de opdracht voor de aanleg van de grote zeesluis met droogdok in Hellevoetsluis. Ook werd toen een verbeterde stoompomp door hem uitgevonden en hier toegepast.

Bij een volgende reorganisatie van den waterstaat (16 Juli 1800) werd hij commissaris-inspecteur, en werd hij belast met het gedeelte van het departement Schelde en Maas benoorden Krammer en Grevelingen. In ditzelfde jaar maakte hij een dienstreis naar enige steden in Noord-Duitsland om verschillende waterbouwkundige werken te bestuderen.

Tijdens de watersnood in het voorjaar van 1803 wilde Blanken de Zuider Lekdijk doorsteken om dijkdoorbraken elders te voorkomen Dit plan was in het diepste geheim ontwikkeld. De ingenieur Conrad Ludwig Brunings (een jongere broer van Christiaan Brunings) weigerde echter deze opdracht uit te voeren, omdat er naar zijn mening een te groot leed aan de bevolking zou worden aangedaan. Brunings wordt over dit krasse optreden door Welcker hoog geprezen; hij zette zijn baan in deze veelbewogen tijden op het spel om een grote streek van overstroming te vrijwaren.

Blanken had een wat moeizaam karakter. Welcker zegt dat Blanken heel erg geneigd is zowel in zijn rapporten als in zijn uitgegeven geschriften, zichzelf te verheffen. Dit verschil in karakter (met onder andere Goudriaan) heeft tot grote conflicten geleid (zie paragraaf hieronder).

Na de watersnood van 1803 verkreeg hij tot loon van zijn daarbij bewezen diensten de titel van luitenant-kolonel. Toen binnen een jaar na den vrede van Amiens de oorlog met Engeland opnieuw was uitgebarsten, werd Blanken met twee niet-deskundigen (Six en Jacobson) als gevolmachtigd commissaris naar Parijs gezonden om de eersten consul (Napoleon) in te lichten over de verdedigingsmiddelen der Bataafsche Republiek aan zee, in het bijzonder over de haven van den Helder.

Het Koninkrijk Holland Bij de reorganisaties van de waterstaat van 1803 werd hij benoemd tot Inspecteur van de Waterstaat (dit heette later later hoofdingenieur). Hij werd verantwoordelijk voor het 1e district, bestaande uit het zuiderkwartier van Holland. In 1804 werd hem een geheime missie opgedragen, weer in verband met de militaire verdediging, ditmaal in Zeeland. Bij de reorganisatie van 1807 werd zijn functie gecontinueerd als een van de 9 inspecteurs.

Na de dood van de inspecteur-generaal Frederik Willem Conrad (sr), op 6 februari 1808, werden in diens plaats twee inspecteurs-generaal benoemd bij koninklijk besluit van 21 maart 1808. Blanken was een van hen, en is dit tot zijn pensionering gebleven.

In 1809 richtte koning Lodewijk het comité central van de waterstaat op. Blanken werd daarin niet als lid benoemd, maar was wel van rechtswege lid. Kort daarna vond de watersnood van 1809 plaats, Naar aanleiding daarvan werd in Gorinchem bij de Korenbrugsluis een waaiersluis gemaakt. Dit type sluis kon ook tegen de waterdruk in geopend worden, en was dus heel geschikt om als inundatiesluis te gebruiken als de waterstand op de rivier te hoog dreigde te worden. Blanken claimde dat de uitvinding van dit sluistype van hem was, maar dat werd door Goudriaan betwist. Deze twist zou de eerste aanleiding zijn voor het conflict tussen beide, dat tot hun dood zou voortduren (zie ook paragraaf hieronder). Ook stelde Blanken wederom voor om de zuider Lekdijk door te steken, maar dat ging uiteindelijk niet door omdat door een samenloop van omstandigheden op het laatste moment de noorder Lekdijk geen gevaar meer liep. Dit kwam doordat zich in de bovenmond van het Pannerdensch kanaal een zware ijsdam vormde, waardoor vrijwel al het Rijnwater via de Waal afgevoerd werd, met als gevolg dat de Waaldijken op verschillende plaatsen doorbraken en de waterstand zakte. In de tijdgeest van dat moment waren deze plannen overigens niet bijzonder, er waren nog extremere ideeën. Zo had koning Lodewijk zelf het denkbeeld om de gehele Betuwe voor het winterwater open te zetten en de dorpen en alleenstaande huizen op terpen te plaatsen.

In Franse dienst Bij de inlijving bij Frankrijk bleef hij in zijn betrekking en werd in 1811 definitief benoemd tot inspecteur-général des ponts et chaussées. Hij kreeg samen met Goudriaan de verantwoordelijkheid voor 16ème inspection, die werd verdeeld in twee sous-inspections. Tot Blanken's sous-inspection hoorden de departementen Zuiderzee, Bouches de la Meuse en IJssel Supérieur (dus Noord-Holland, Utrecht, Zuid-Holland en Gelderland benoorden de Waal). Napoleon die hem reeds kende, had in Blanken groot vertrouwen, vermoedelijk ook door de militaire aanpak van Blanken van de waterproblematiek. Dit bleek ook daaruit, dat hij en Goudriaan samen met één enkele Fransman (eerst Ducros en na 1812 Liard), de enige met een dienstkring belaste inspecteurs-généraux waren die zitting hadden in het uit 12 leden bestaande conseil-général des ponts et chaussées; de overige leden hadden geen bepaalde dienstkring, en woonden allen te Parijs. Blanken vergezelde den keizer tijdens zijn inspectie van de werken aan het Nieuwediep, van de sluizen van Katwijk, verder naar 's Gravenhage en naar Nijmegen. Op 1 augustus 1812 kwam het eerste Franse linieschip aan de kade in Den Helder te liggen.

Na de Franse tijd miniatuur|Kaart van de haven het Nieuwediep in 1818 met waaiersluis Bij vertrek van de Fransen in 1814 werden aan Blanken's inspectie de provincies Zeeland, Staats-Vlaanderen gebracht en Noord-Brabant toegevoegd. De door Napoleon bevolen werken in Den Helder werden gestopt, Maartoen toen Willem 1 in oktober 1814 de werken in Den Helder met Blanken inspecteerde, werd hij onmiddellijk meegesleept in de overtuiging da ze nuttig waren en gaf hij bevel tot voortzetting daarvan. Daarbij hoorde ook de aanleg van een droogdok aan het Nieuwediep, waarvoor een put tot een diepte van 9,40 meter onder hoogwater nodig was. Na veel problemen heeft Blanken dit dok samen met J. Glimmerveen, M. Mertens en F.W. Conrad in de periode 1816-1820 gecompleteerd.Het bleek later echter dat veel herstelwerk nodig was, omdat het dok was gemaakt met het zogenaamde CaziuscementCazius-cement of Amsterdams cement is bedoeld als vervanging van trascement. De uitvinding is in 1783 gedaan door Adriaan de Booys, die hiervoor slib uit het IJ gebruikte. De stad Amsterdam gaf hem hiervoor in 1789 een octrooi. Intussen had de steenfabrikant Gijsbert Dirk Cazius naar eigen zeggen hetzelfde uitgevonden en hiervoor in 1792 van de Staten van Utrecht octrooi gekregen. Hij had steenovens bij de Catharijnesingel. Economisch ging het de beide fabrieken niet voor de wind. Vanwege de oorlogsdreiging wilde men niet afhankelijk zijn van geïmporteerde tras, daarom werd samenwerking afgedwongen en zo werd Amsterdams slib in Utrecht verwerkt en weer aan Amsterdam geleverd. dat onder water heel slecht verhard, en zelfs zacht wordt.