thumb|Coship DVB-S-decoder thumb|Toroïdale DVB-antenne thumb|Pegasus DVB-S-transponder thumb|DVB-T-zendmast Digital Video Broadcasting of DVB is een internationaal aanvaarde open standaard voor digitale televisie. De standaard kan ook worden gebruikt voor digitale radio.

Het traditionele analoge televisiesysteem is ongeveer vijftig jaar oud. Er zijn gedurende deze periode verschillende verbeteringen en vernieuwingen aan het systeem geweest, zoals kleurentelevisie en teletekst. Via het analoge net zijn er geen ontwikkelingen meer mogelijk. Vandaar dat er de laatste jaren vooral op digitaal gebied ontwikkeld wordt.

Dit betekende dat er een compleet ander televisiesysteem moest komen. Vanaf de uitgang van de studio tot en met bij de kijker thuis moet de apparatuur worden vernieuwd. In Europa is hiervoor het Digital Video Broadcasting (DVB) systeem ontwikkeld. Afhankelijk van de toepassing bestaan er verschillende versies.

Om de signalen op een beeldscherm te kunnen weergeven, dienen deze eerst te worden gedecodeerd. Daarvoor dient een decoder. Het kan een aparte settopbox zijn die wordt geplaatst tussen de kabelaansluiting en het ontvangsttoestel. Deze settopbox wordt meestal via een scartkabel of een HDMI-kabel op de televisie aangesloten.

De decoder kan ook in de televisie zijn ingebouwd. Hedendaagse televisies worden vaak verkocht met ingebouwde (HD) DVB-T- en DVB-C-ontvangers en CI- of CI+-interface voor de decryptie. Duurdere modellen beschikken vaak ook over een DVB-S2-ontvanger. De decoder dient echter geschikt te zijn voor het coderings-systeem waarmee de televisiesignalen worden versleuteld door de kabelaar. Wanneer de decoder niet voor het juiste systeem geschikt is of wanneer de distributeur overgaat op een ander coderings-systeem, is de decoder onbruikbaar.

Geschiedenis In 1991 kwamen producenten van consumentenelektronica, zend-organisaties en regelgevende instanties bijeen om de mogelijkheden van digitale televisie te bespreken. Eind 1991 werd de European Launching Group, ELG, opgericht, die vanaf 1993 zich DVB ging noemen. Deze organisatie houdt zich bezig met alle vormen van digitale televisie. De organisatie, die aanvankelijk Europees was, werkt nu wereldwijd, en er nemen meer dan 300 bedrijven en organisaties in deel.

In 1993 werd de DVB-S-standaard voor digitale televisie via de satelliet ontwikkeld, in 1994 de DVB-C-standaard voor digitale kabeltelevisie en in 1997 werd de veel complexere DVB-T-standaard voor digitale televisie via aardse zenders afgerond. Recent werd daar de DVB-H-standaard voor hand held TV aan toegevoegd. Alle standaarden zijn open, en het werk in de werkgroepen van de DVB-organisatie wordt vastgelegd in standaarden van ETSI of CENELEC.

Algemeen De voordelen van DVB zijn: Bij ontvangst zijn het beeld en geluid storingsvrij. Binnen één kanaal kunnen meerdere televisieprogramma’s en een aantal radioprogramma’s vergelijkbaar met de huidige kwaliteitsstandaard worden uitgezonden. In vergelijking met analoge televisie is er dus ruimte voor meer kanalen. Het is mogelijk om extra informatie uit te zenden. Voorbeelden hiervan zijn Superteletekst, Elektronische Programma Gids (EPG), thuisbankieren en thuiswinkelen, internet etc. Doordat DVB-signalen digitaal zijn, kan men ze ook eenvoudig versleutelen, wat weer mogelijkheden biedt voor betaal-tv (Pay TV). HD-beeld en surround-sound mogelijk.

De nadelen van DVB zijn: Geen beeld-wel beeld. Dit betekent dat wanneer het signaal te zwak wordt (bijvoorbeeld bij stortregens of een bewegende schotel tijdens storm), het beeld wegvalt of gaat blokken; een tussenweg is er niet. Dit in tegenstelling tot analoog waarbij er storing in de vorm van ruis ontstond. Bij onweer kan het signaal wegvallen. Dit komt door de enorme hoeveelheden water die onweerswolken kunnen bevatten en die voor een grote demping van het signaal kunnen zorgen. Dit kan deels opgevangen worden door een grotere schotelantenne te nemen. Gewone regenbuien zijn bijna nooit de oorzaak van wegvallend signaal. Voor sommige oudere televisies, die niet beschikken over een DVB-T-, DVB-C-, DVB-S- of DVB-S2-ontvanger, is een aparte ontvanger/decoder nodig. Bij DVB-T is een aparte (kamer)antenne benodigd, en bij DVB-S een extra schotelantenne of een LNB met extra aansluitingen voor een tweede coax-kabel, maar dit is in feite hetzelfde principe als de spriet- of harkantenne bij analoge ethertelevisie.

De volgende vormen van digitale uitzendingen zijn mogelijk: DVB-S: voor het uitzenden via een satelliet. Dit wordt onder andere gebruikt voor het uitzenden van de Nederlandstalige televisieprogramma’s. DVB-S2: Een verbeterde versie van DVB-S die het mogelijk maakt om HD-zenders te ontvangen op basis van de MPEG-4 H264 codec. DVB-C: voor het doorgeven via de kabel. DVB-T: voor het uitzenden via terrestriële (aardse) zenders. DVB-H: voor het uitzenden naar mobiele 'handheld' toepassingen. In Nederland is uitzending via DVB-H op 1 juni 2011 beëindigd.

Onderscheid naar distributie-kanaal DVB-S DVB-S(atellite) gaat via een satelliet. Sublieme beeld- en geluidskwaliteit zijn mogelijk over hele continenten via een enkele frequentie. Hierdoor kan de beschikbare bandbreedte optimaal benut worden. Het grote nadeel is dat voor satellietontvangst een line of sight verbinding nodig is tussen schotelantenne en satelliet. Enerzijds moet de antenne op de satelliet gericht staan met een kleine foutmarge (ca. 6°). Anderzijds moet ze die satelliet ook kunnen "zien", met andere woorden, er mogen geen gebouwen of andere obstakels in de weg staan.

DVB-S2 Een verbeterde versie van DVB-S is de opvolger DVB-S2. Hierin zijn talloze verbeteringen verwerkt, waardoor onder andere de capaciteit met 20% tot 30% is toegenomen (betekent 20% tot 30% meer televisiekanalen). Ook is de nieuwe standaard beter geschikt voor het doorgeven van internetverkeer (TCP/IP). Een nadeel is echter dat er nieuwe apparatuur nodig is die met DVB-S2 overweg kan. DVB-S2 is wel volledig "backwards-compatible" met DVB-S. Dit wil zeggen dat op een bestaand satellietkanaal de bestaande capaciteit beschikbaar kan blijven voor de bestaande radio- en televisiestations die in MPEG-2 uitzenden, en dat de 30% extra ruimte die door DVB-S2 gecreëerd wordt voor een dienst die in MPEG-4 wordt uitgezonden (zoals hdtv of IP-streams).

Om deze extra diensten te kunnen ontvangen zullen de settopboxen vervangen moeten worden. Dit betekent dat DVB-S2 in de praktijk vooral voor nieuwe toepassingen zoals hdtv gebruikt zal worden. De apparatuur in de grondstations en in de nieuwste satellieten is inmiddels al geschikt voor het doorsturen van DVB-S2 hdtv-signalen van het WK Voetbal in Duitsland in 2006. Wanneer DVB-S2-signalen in combinatie met de nieuwste compressietechnieken worden toegepast is ruwweg dezelfde capaciteit nodig (iets meer) als standaard kwaliteit digitale televisie met de bestaande compressietechnieken.

DVB-C DVB-C(able) komt via de kabeldistributie. DVB-C is in de eerste plaats bedoeld om via compressie meer zenders te kunnen doorsturen over dezelfde bandbreedte als in gebruik is voor analoge televisie en dus zonder de bestaande kabelnetten om te bouwen. Op dit moment erkent de Federal Communications Commission (FCC) 60 analoge televisiekanalen (2-12 en 21-69) met een bandbreedte van 7 of 8 MHz per kanaal.

De bandbreedte van de Europese kabeltelevisienetwerken voor de doorgifte van signalen naar de klant loopt, afhankelijk van de kabelmaatschappij, ongeveer van 80 MHz tot 860 MHz. Deze bandbreedte kan gebruikt worden voor het transport van FM-radiosignalen, analoge (televisiesystemen B en G of een ander systeem met 625 lijnen) en digitale (DVB-C) televisiesignalen en EuroDOCSIS-signalen (voor internet en telefonie) over de kabel. Doordat de FM-radio in het gebied van 87 t/m 108 MHz wordt doorgegeven blijft voor doorgifte van DVB-C het gebied van 108 MHz t/m 862 MHz over. Hierbinnen gelden voor bepaalde frequenties echter ook beperkingen, met name in het gedeelte vanaf 700 MHz. 4G en LTE verbindingen in dit frequentiegebied geven wederzijds nogal eens interferentie, doordat gelijke frequenties worden gebruikt.

In een 8 MHz-kanaal, zoals overal in Europa gebruikt wordt, past een analoog televisiesignaal of een DVB-C-/EuroDOCSISsignaal met een capaciteit van 38-50 Mbit/s (afhankelijk van de gekozen modulatiemethode). Daarmee kunnen afhankelijk van de gewenste kwaliteit ongeveer 5-15 digitale televisiekanalen worden getransporteerd. In de praktijk transporteren de kabeloperators hiermee circa 160 digitale televisiekanalen naast het analoge pakket van gemiddeld zo'n 32 zenders.

DVB-T DVB-T(errestrial) zendt uit via zendmasten op aarde. Door gebruik van digitale techniek is bij voldoende signaal de ontvangst prima. Ruis (sneeuw) en reflecties (dubbele beelden) komen niet meer voor. Als er te weinig signaal is, bevriest het beeld of wordt het zwart, maar door het gebruik van sterke digitale compressietechnieken kan de beeldkwaliteit lager worden dan bij DVB-S of zelfs analoge televisie. Er zijn echter ook voordelen. Het benodigde signaalniveau voor goede ontvangst ligt meer dan 20 dB lager dan voor analoge kleurentelevisie nodig is (40 dBµV tegen 65 dBµV). Daardoor kan dicht in de buurt van zenders een eenvoudige binnen-antenne volstaan. De zendvermogens van de televisiezenders liggen ook circa 15 dB lager: voor analoge UHF-televisiezenders waren gebruikelijke vermogens 200 tot 1000 kW ERP, voor digitale televisie is dat veelal 10 tot 40 kW ERP. Verder kunnen verschillende zenders op dezelfde kanalen werken, waardoor met een beperkt aantal toegewezen televisiekanalen een breed programma-aanbod mogelijk is. In de 8 MHz bandbreedte van een UHF-kanaal worden 4 tot 8 televisieprogramma's gedistribueerd, samen met een aantal radioprogramma's.

DVB-H DVB-H(andheld) werd door KPN van 2008 tot april 2011 gebruikt. Op fysiek niveau is er weinig verschil met DVB-T maar het systeem is geoptimaliseerd voor mobiel gebruik en ontvangst op handhelds, zoals mobiele telefoons en Personal Digital Assistants (PDA's).

Door enkele wijzigingen t.o.v de DVB-T-standaard slaagt men erin met slechts één antenne en beperkt stroomverbruik toch mobiele ontvangst te hebben. Op linklayerniveau en hoger zijn er grote verschillen. Ten opzichte van de andere DVB-standaarden, is een totaal nieuwe servicestructuur gedefinieerd, die nog slechts ten dele is afgebeeld op de SI (Service Informatie) in de transportstroom. Door de wijzigingen in de standaard t.o.v. DVB-T kunnen DVB-T-ontvangers geen DVB-H ontvangen. In 2006 zou Nokia een mobiele telefoon met DVB-H op de markt brengen. DVB-H kan een betere kwaliteit bieden dan UMTS. Hoe DVB-H uitgezonden zal worden is nog onduidelijk. Er zijn een aantal opties. Het opzetten van een DVB-H-zendernetwerk. Probleem hierbij is het toekennen van spectrum. Een tweede mogelijkheid is het toevoegen van DVB-H-services aan een DVB-T-transportstroom. De laatste mogelijkheid is het toepassen van hiërarchische modulatie op bestaande DVB-T-zenders. Het highprioritykanaal zou dan gebruikt kunnen worden voor DVB-H. Het nadeel voor alle opties is dat het ten koste gaat van de capaciteit gereserveerd voor DVB-T (of andere systemen). Met behulp van een beperkt aantal zendmasten (in vergelijking met het aantal benodigde UMTS-zendmasten) kan een heel land als België/Nederland gedekt worden.

Overgang van analoge naar digitale televisie Nederland