thumb|Oortje 1653, Zeeland. Koper, diameter 24,5 mm, gewicht 4,1 g. Op de kopzijde staat Prins Maurits van Oranje. Een oortje (oorspronkelijk oordje of oord) was een Nederlands koperen geldstuk. Het had een waarde van ƒ 0,0125, dat is twee duiten, een kwart stuiver of 1/80 gulden. Met de decimalisatie van het Nederlandse geldsysteem verdween het aan begin van de 19e eeuw. In België werd de term na de decimalisatie gebruikt voor een munt van 2 centiem. Daar is de term in onbruik geraakt, toen de twee-centiemstukken vanwege de inflatie buiten omloop werden gesteld.

Oorsprong Er worden verschillende verklaringen gegeven voor de naam: Afleiding van het Latijnse woord aureus (gouden munt), evenals het Deense øre. Ontleend aan de herkomst (oord), die op de munt stond vermeld. In de Middeleeuwen waren er talrijke munten in omloop die door een kruis in vier oorden (hoeken) verdeeld waren. 'Oord' kreeg zo de betekenis vierde deel van een munt.

Naamgebruik De naam van het oortje is bewaard gebleven in de uitdrukkingen zijn laatste oortje versnoept hebben en hij zou een oortje in vieren bijten.

Het Oortjespad nabij het Utrechtse gehucht (de) Kanis ontleent zijn naam aan het muntje dat moest worden betaald om vroeger gebruik te mogen maken van het pad. In Lier bestond in de 19de eeuw in het begijnhof de Oortjesschool, waar bij de aanvang van de les de oortjes werden opgehaald als lesgeld.

Zie ook Geschiedenis van de Nederlandse gulden Lijst van oude muntsoorten in de Lage Landen

Bronnen (1985), Van Woord tot Woord - Laagwaardige verdwenen munten, Onze Taal. Jaargang 54, p.78

Categorie:Nederlandse munt Categorie:Koperen munt